|
Eerste zondag van de veertigdagentijd
eerste lezing: Deuterenomium 26,4-10
tweede lezing: Lucas 4,1-13
Niemand wil ziek worden of lijden aan een ernstige
ziekte. Toch wil ik vandaag over een ziekte praten: vergeetachtigheid.
Het is vervelend als we het verleden vergeten; ons niet te herinneren
waar we waren en waar we vandaan komen. Het is vervelend als iemand de
ervaringen en de relaties vergeten is, die ons hebben gevormd; als we
niet meer weten wie onze ouders en vrienden waren, die ons beminden en
ons hielpen de mensen te worden die we zijn. Vergeetachtigheid zou ons
verleden wegnemen. Ik wil verder gaan. Wat voor goeds zou er te vertellen
zijn als we geen geschiedenis en erva-ringen hebben om daarop voort te
bouwen? Wat voor een waarde zou de toe-komst hebben zonder het verleden,
dat ons helpt om verstandige beslissingen te maken over onze toekomst?
Vergeetachtigheid is een ernstige ziekte, want dan zouden we niet weten
wie we zijn.
De lezingen van vandaag praten duidelijk over een ander soort vergeetachtig-heid:
het vergeten van Wie God is en wat God heeft gedaan voor ons. Mozes spreekt
de Israëlieten aan en probeert hen te helpen om niets te vergeten.
Hij vraagt de gelovige gemeenschap om aan God te blijven denken en de
herinne-ring aan de grote daden die God voor hen deed te blijven gedenken.
Mozes vertelt het volk, dat ze moeten onthouden wat God in het verleden
deed. Mozes wil niet dat de Israëlieten vergeetachtig worden! Dan
zullen ze vertrouwen hebben, dat God met hen zal blijven.
Vandaag is het de tijd om het advies van Mozes op te volgen en ons te
herinne-ren, wat God voor ons gedaan heeft. Eucharistie is een herinnering.
Iedere keer, dat we dat vieren herinneren we ons de grote daden, die God
voor ons gedaan heeft door Jezus Christus - en nog veel meer. We horen
weer in deze viering: "Doe dit om mij te gedenken." Het is niet
alleen een terugkijken, om niet te verge-ten, wat God voor ons deed in
het verleden. We herdenken eerder dat Christus zich voor ons offerde,
want als we hem herinneren, dan komt hij bij ons aanwe-zig. Hier en nu
worden we verbonden met zijn leven, dood en verrijzenis. Nu ont-vangen
we de vruchten van zijn zichzelf geven en door de Eucharistie wordt zijn
leven opnieuw aan ons gegeven. De Eucharistie helpt ons om aan God te
blijven denken en te blijven vertrouwen op de beloften, die God ons deed
in Christus.
Dat is belangrijk. In de Veertigdagen wordt ons gevraagd om onze egocentrische
doelen en plannen te vergeten. We moeten denken aan de grotere gemeen-schap.
Dat kunnen we niet alleen. Vandaag herinneren we ons dat we niet alleen
zijn, want we zijn gedoopt en hebben nieuw leven gekregen. We zullen eeuwig
voortleven in Christus door zijn verrijzenis. Het is goed om het verleden
te herin-neren: het geeft ons moed, zicht op het heden en hoop voor de
toekomst.
Onze gemeenschap herinnert zich waar we vandaan komen en waar we naar
toe gaan - met Christus. Wat kunnen we doen in deze Veertigdagen? Laten
|
we ons herinneren wat God voor ons gedaan heeft en hem danken in deze
Eucharistie en in ons dagelijks leven. Laten we proberen om in ons gebed,
maar ook in ons dagelijks leven steeds weer "Dank je" te zeggen.
Niemand kan zeggen, dat Jezus vergeetachtig was. We hoorden een paar keer
in de lezing van het evangelie: "Als je de Zoon van God bent..."
Het is duidelijk uit de verhalen van het evangelie dat Jezus door heel
zijn leven allerlei bekoringen had. Misschien voelen wij ons niet zo lekker
bij de bekoringen van Jezus. Heb-ben we het idee, dat hij, omdat hij was
wie hij was, die zo kon wegwuiven, zoals wij een vlieg van ons gezicht
kunnen slaan? Als het evangelie zegt, dat hij bekoord werd, dan was dat
een werkelijkheid. De bekoringen waren er, konden niet zo maar weg gewuifd
worden, omdat hij de zoon van God was. Wat betekende het om zo met God
verbonden te zijn in zijn persoonlijke ervaring en in zijn werk? Hoe ging
hij om met bekoringen en bleef trouw aan God en de zending, die hij had?
De eerste bekoring van Jezus was om aan zichzelf te denken. Hij was hongerig,
waarom dan niet zorgen voor brood? Waarom zou de zoon van God geen apart
leven leiden en pijn en lijden uit de weg gaan, want hij was toch apart?
Als hij aan zichzelf dacht, en zijn kracht gebruikte tot zijn eigen voordeel,
hoe geloofwaardig zou hij zijn als hij zijn leerlingen aanspoorde om zich
zelf te vergeten en hun kruis op te nemen en hem te volgen?
De tweede bekoring was over hoe hij moest leven als Zoon van God. Hij
kon zijn kracht gebruiken om zijn zending door wapens en politieke invloed
te verwerkelijken. Israel wilde altijd een krachtig volk zijn en Jezus
kon de juiste man op de juiste plaats zijn om hen te leiden. Hij wilde
trouw aan Gods manier zijn.
Bij de derde bekoring wordt hij nog een keer geplaatst tegenover zijn
identiteit als "Zoon van God". Als Jezus toe zou geven aan deze
bekoring, dan zou er een groot verschil zijn met ons. Wij kunnen op die
manier geen kind van God zijn, dus deed Jezus het ook niet.
Kunnen we vertrouwen op de liefde van God zelfs als het leven ons een
loer draait? Kunnen we doorgaan te blijven vertrouwen, als we twijfelen
aan onze eigen waarde? Zelfs als we al zeggen tot God, "Ik dacht
dat ik je bemind kind was, hoe kan dat nu met mij gebeuren? Waar was je
toen ik je nodig had?" Jezus bleef trouw en bleef op God vertrouwen
in die soort omstandigheden. Omdat hij het deed - kunnen wij het nu ook.
De geschiedenis van Israel en de woorden van de profeten tonen aan dat
Israel vaak toegaf aan de bekoringen die Jezus kreeg. Israel gedroeg zich
vaak niet als kind van God. Het volk keerde zich vaak van God af en zocht
haar eigen voedsel. Ze vielen en aanbaden valse goden en stelden God op
de proef. Wij deden en doen soms hetzelfde.
Laten we niet vergeetachtig zijn. Het evangelie helpt ons geheugen. Het
herinnert ons er aan dat wij de beminde kinderen van God zijn. God deed
heel veel om ons te verzekeren dat dit echt waar is. Vanwege Christus
herinneren we ons het verleden; ervaren we God in deze tijd en zijn we
niet bang voor de toekomst, want we zullen altijd Gods kinderen zijn.
25-2-2007, Antoon L. Boks o.p.
|
|
|
Tweede zondag van de veertigdagentijd
eerste lezing: Genesis 15,5-18
tweede lezing: Lucas 9,28b-36
Met het visioen op de berg zijn we wel vertrouwd. Jezus
is met drie van zijn leerlingen de berg op geklommen om te bidden. De
berg, het bidden, het omhoog stijgen herinneren ons aan een wereld, die
verheven is boven de vanzelfsprekendheid van de dagelijkse werkelijkheid.
We zijn in hogere sferen, maar dat betekent niet dat het nergens over
gaat. Bijbelse visioenen moeten we ernstig nemen. In de sereniteit van
de berg wordt het duidelijk waarom het gaat. Jezus heeft het volle gewicht
van zijn roeping aanvaard. Hij wordt de vervulling van de belofte en de
opdracht van de Schriften, dat de mens geroepen is om beeld en gelijkenis
van God te worden. Hij wordt tot de ware zoon van God. Dat kindschap in
praktijk brengen is de zending van Israël: uit Egypte, uit een wereld
van benauwenis, heb ik mijn zoon geroepen, zegt de bijbel. Zo heeft God
gesproken toen Hij zijn volk wegvoerde uit een bestaan van slavernij en
onderdrukking. Dat beeld en gelijkenis van God zijn of het uitgroeien
tot het oprechte menszijn ligt alleen binnen onze mogelijkheden als we
de weg van de Schriften durven te bewandelen.
Daarvan vertellen ons de visioenen, die we in de lezingen
hebben gehoord. De zending van Israël is begonnen bij Abraham, toen
hem in een welhaast uitzichtloze situatie een grootse toekomst werd aangezegd.
Bij God is niets onmogelijk. Maar dan dienen we ons te houden aan het
onderricht van de Schrift. In het visioen op de berg wordt die voorwaarde
als het ware uitgebeeld. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia, met wet
en profeten, met Tenach, met de Schriften. Het resultaat van die dialoog
wordt in een korte flits geschilderd: Jezus verandert van uiterlijk en
zijn kleding wordt stralend wit. Dat ziet ook Petrus in als hij zegt:
laten we hier blijven, drie tenten bouwen, moge het altijd zo voortduren.
Er wordt dan wel gezegd, dat hij niet wist wat hij zei, maar dat betekent
niet dat hij zich als een dwaas gedraagt. Hij verwarde het visioen met
de harde werkelijkheid van het gáán van de weg, iedere dag
weer. Hij begreep, evenals wij, dat de Schriften onze wegwijzers zijn
naar een betere wereld en samenzijn van God en mensen. Maar de Schrift
is nooit alleen aanwezig. Altijd is de wereld van vandaag om ons heen.
Er wordt namelijk duidelijk vermeld, dat er tussen Jezus, Mozes en Elia
een gesprek wordt gevoerd. Het is geen gewoon of vanzelfsprekend gesprek.
Wet en Profeten wijzen Jezus op zijn weg en eindbestemming, de vervulling
in Jerusalem, lijden, dood en opstanding. De Schriften leren Jezus niet
wat is of moet, maar op wat komen gaat als hij de Schriften trouw blijft.
Zij zijn wet en profeten, Mozes en Elia, wegwijzers van Gods wijsheid.
Maar ze zullen niet eerder zo functioneren voordat ze in gesprek worden
gebracht met het heden, met ons eigen bestaan, onze eigen tijd. Het nieuwe
testament is niet het zoveelste bijbelboek. Het is de beschrijving of
het commentaar van de gemeenschap rond Jezus Messias op de wijze, waarop
Jezus in zijn tijd en in het licht van zijn roeping vorm heeft gegeven
aan de Schriften, het gesprek met Mozes en Elia vruchtbaar heeft gemaakt
en tot vervulling heeft gebracht.
|
Het nieuwe testament is geen verbetering van of toevoeging
aan de Schriften, maar een handreiking om op de dag van vandaag met wet
en profeten te spreken, ze te beluisteren en authentiek te vervullen.
De Schriften leggen de tijden niet vast, maar leren ons met de tijden
om te gaan. Om het anders te zeggen: de Schriften zijn elke dag nieuw.
Ik zeg dat met enige nadruk. Als ik mensen, die hoge ambten in de kerk
vervullen, in deze tijd hoor spreken en zie handelen, komt mij het schrikbeeld
voor de geest van bepaalde schriftgeleerden, Farizeeën en opperpriesters
uit de dagen van Jezus. Als hij de verhalen en getuigenissen van de Schriften
opnieuw tot leven bracht, zodat de mensen, die hem hoorden, blij en verwonderd
uitriepen: hij verkondigt met een nieuw gezag, verweten ze hem da hij
de sabbat ontheiligde, de wet overtrad of zich niet hield aan de leeruitspraken
van de synagoge. Ze zijn zo ver gegaan, dat ze hem wilden uitbannen, en
dat hebben ze tenslotte ook gedaan toen ze hem overleverde aan de wereldse
overheid. Ze hebben hem verdacht gemaakt zoals er vandaag de dag mensen
verdacht worden gemaakt, die niets anders beogen dan de geloofsgemeenschap
te dienen, door deze in een vernieuwde dialoog met de Schriften toe te
rusten voor het werk van de verkondiging in onze turbulente en snel veranderende
samenleving. Zoals Jezus sprak met Mozes en Aaron, met wet en profeten,
met de eerbiedwaardige Schriften, en hij zijn toehoorders van toen wees
op de noodzaak de tekenen van de tijd te verstaan, zo doen dat in onze
tijd vele mannen en vrouwen: ambtsdragers en verkondigers, geleerden en
veldwerkers, leken en professionals. En evenals Jezus zelf lopen ze het
risico te worden uitgebannen. In feite gebeurt dat soms ook.
Als wij met Petrus, wij die Jezus' leerlingen en vrienden zijn in deze
tijd, zeggen dat het goed is om hier te zijn, boven op de berg, dan weten
we misschien ook niet precies wat we zeggen, maar we hebben de bevrijdende
ervaring opgedaan hoe de Schrift altijd nieuw en altijd actueel blijft
als je met haar durft te spreken in je eigen tijd en vanuit je eigen ervaring.
En als je eenmaal de nieuwe ruimte hebt ontdekt gebeuren er twee dingen
met je. In de eerste plaats onderga je een nieuwe inspiratie van wet en
profeten. Niet omdat de bijbel toch gelijk heeft, maar omdat de bijbel
altijd jong en bij de tijd blijft. En vervolgens, in de tweede plaats,
ontvang je een scherper zicht in het lijden en de dood van Jezus van Nazareth.
Natuurlijk zit je daar niet op te wachten, maar als het zich aandient
en je wijkt niet terug, treed je in het voetspoor van Jezus. Als Jezus
zijn leerlingen wijst op zijn aanstaand lijden en sterven is dat niet
alleen een mededeling over hemzelf. Het is een vorm van onderricht over
een levensinstelling, waar dienstbaarheid -zelfs in zijn pijnlijkste vorm-
thuishoort.
Het is goed om meerdere malen de tocht bergopwaarts
te maken om het visioen levend te houden. Maar de verwerkelijking daarvan
vindt beneden plaats, op de werkvloer van het alledaagse. Want als het
visioen voorbij is, zo zegt het evangelie ons, blijven we achter met Jezus
alleen. Het zal ons vergaan zoals het met hem is gebeurd. Maar het ligt
alles in Gods hand.
4 maart 2007 ernst marijnissen o.p.
|
|
Derde zondag van de
veertigdagentijd
eerste lezing: Exodus 3,1-8a+13-15
tweede lezing: Lucas 13,1-9
Een spelletje uit de jeugd van velen van ons is weer
actueel, het spelletje: ik zie ik zie wat jij niet ziet. Regelmatig hoor
ik het een kinderstem zeggen op de radio: het is rood. Nee, het is niet
dit, niet dat, en dat ook niet; geef je het op? Het zijn de striemen op
mijn rug, na de keer dat papa de afstandbediening kwijt was.
Deze reclame van Sire gaat me steeds weer door merg en been; het is een
op-roep onze ogen open te houden voor signalen van kindermishandeling,
geweld in huis, seksueel misbruik van kinderen. Egypte is dichterbij dan
je denkt; het kan jouw eigen huis zijn, of bij de buren, familie. Kinderen
praten niet over mishande-ling of seksueel misbruik, omdat het papa betreft,
of opa, maar in hun gedrag is wel te merken, dat er iets aan de hand is.
Het zien hiervan veronderstelt, dat je aanwezig bent, met andere woorden:
niet met je gedachten ergens anders bent in je omgang met anderen; want
dan merk je het niet op.
Aanwezig zijn hier en nu kost ons, die leven in een tijd waarin van alle
kanten aan je wordt getrokken en zoveel zaken jouw aandacht vragen, moeite.
Je kunt niet twee dingen tegelijk doen, maar de verleiding is groot. Bent
u er nu bij met uw gedachten? Dan zal u niet ontgaan zijn de houding van
Mozes. Mozes is aanwezig, helemaal, dus ontgaat hem niet, dat er met een
doornstruik iets bij-zonders aan de hand is, en Mozes wil er het zijne
van weten. Zijn waakzaam zijn blijkt ook, als hij zijn naam hoort: ik
luister, is zijn directe reactie. Precies vanwe-ge deze alerte houding
doet God een beroep op hem. Mocht u denken: ik geloof ook in God, maar
ik merk nooit iets van Haar, dan zal het vervolg van de eerste lezing
u te denken geven.
De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob maakt zich be-kend
als een God die ons mensen nabij is en dat laat merken ook. God heeft
de ellende van zijn volk in Egypte gezien, en dat heeft hem niet onberoerd
gelaten. Daarom doet Hij een beroep op Mozes, want ook Mozes heeft zijn
ogen niet in zijn zak.
Mozes stribbelt tegen: wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de
Israëlieten uit Egypte zou leiden? En dan horen we: Ik zal bij je
zijn. Dit wordt de nieuwe naam die de God van zijn voorouders aanneemt.
De God van Abraham, van Is-aak en van Jakob is geen geschiedenis, integendeel:
Ik zal er zijn doet zijn naam eer aan; op Hem kun je bouwen. Wil je Haar
naar jouw hand zetten dan zul je merken, dat dit niet lukt: 'Ik ben die
er zijn zal', zijn naam maakt duidelijk, dat God er is op zijn eigen manier.
De wijze waarop Zij aanwezig is is nooit vanzelfspre-kend, voor mensen
altijd weer een verrassing.
Dit blijkt uit de tweede lezing, het evangelie. Ik zie ik zie wat jij
niet ziet
Ook Jezus en zijn tijdgenoten lijken dit spel te kennen.
Destijds werden ziekte en ongeluk met God in verband gebracht, zoals nu
helaas ook vaak nog gebeurt. Mensen dachten in de moord op de Galileeeërs,
en in het ongeluk waardoor
|
18 mensen omkwamen, Gods straffende hand te zien: ze
zullen wel iets verkeerds gedaan hebben. Jezus verzet zich fel tegen deze
wijze van denken. Twee keer horen we hem zeggen: zeker niet. De felheid
verklaar ik door Jezus liefde voor mensen en God. Door deze rampen te
zien als gevolg van zonde beschadig je mensen en beschadig je God.
We weten, dat Jezus geen leer brengt maar evangelie verkondigt, en evangelie
betekent: goed nieuws. Dit goede nieuws is de komst van Gods koninkrijk,
die met Jezus' optreden is aangebroken. Jezus horen we niet zeggen zoals
die stem in de reclame: geef je het op? Toch verbindt hij wel degelijk
deze twee voorvallen met zijn goede nieuws via de woorden: als jullie
niet tot inkeer komen zul je alle-maal op dezelfde wijze omkomen, zul
je allemaal net zo sterven als zij, hoorden we.
Je verwacht niet, dat het kind in de reclame met rood doelt op de striemen
op zijn rug. Zo verwacht je wellicht ook niet, dat de nadruk in Jezus
woorden ligt op 'de-zelfde wijze' en 'net zo', en niet op het omkomen
of sterven. Zoals die Galileeërs en die 18 die omkwamen niet konden
weten van het goede nieuws,
simpelweg omdat zij Jezus nooit ontmoet hebben, zo zal de komst van Gods
ko-ninkrijk jou, ons, ontgaan als we niet tot inkeer komen.
In een prachtig beeld maakt Jezus vervolgens duidelijk wat inkeer betekent.
We horen van een vijgenboom, waarvan je vruchten mag verwachten. Deze
vijgen-boom, beeld van Gods volk, levert echter geen vruchten, maar enkel
bladeren, zoals alle planten doen die het te goed hebben en verwend worden.
Hak hem maar om, zegt de eigenaar. Maar de wijngaardenier, waarin we Jezus
herken-nen, doet dit niet. Door wortels af te steken, mest aan te brengen,
en de boom nog een jaar de tijd te geven krijgt de vijgenboom een nieuwe
kans. In dit beeld wordt de ernst van onze situatie duidelijk gemaakt,
en tegelijk wordt zichtbaar Jezus' en dus Gods grote liefde voor mensen;
God is barmhartig, als mensen in de fout zijn gegaan. Mensen met verstand
van tuinieren weten, dat het afsteken van wortels om wildgroei te voorkomen
zorgvuldig werk is, dat al je aandacht vraagt. Steek je teveel wortels
weg, dan gaat de boom dood; steek je er te weinig weg, dat gaat de wildgroei
door en doet deze boom niet, wat je ervan verwachten mag: vruchten voortbrengen.
Zo zorgvuldig, zo aandachtig, zo betrokken ging Jezus met mensen om; velen
hebben dat mogen ervaren.
Gods koninkrijk dat Jezus verkondigt is een belofte en een opgave. Indringend
worden wij geconfronteerd met de vraag: Sta ik open, laat ik deze aanwezigheid
van God onder ons toe? Kan en durf ik te zien? Dit brengt ons terug bij
de actua-liteit: ik zie, ik zie wat jij niet ziet
Wij worden geroepen
onze ogen de kost te geven, aanwezig te zijn, alert. Wees er, hier en
nu, temidden van en voor men-sen, zoals IK ZAL ER ZIJN aanwezig is, niet
blijft hangen in het verleden,
geen tijd verspilt aan wat morgen misschien komt, of opgaat in wildgroei,
de vele zorgen en het gepieker, waarin mensen verstopt raken. Gods koninkrijk
is inder-daad aangebroken; het is geen loze belofte. Laat het vruchten
dragen en niet in enkel bladeren verloren gaan.
11-3-2007, Theo Koster o.p.
|
|
|
|
Vierde zondag van de veertigdagentijd
eerste lezing: Jozua 5,9-12
tweede lezing: Lucas 15,1-3+11-32
'Een man had twee zonen....'Het is het karakteristieke
begin van veel verhalen die wij in de Bijbel vinden, en wie er naar luistert
weet heel goed wat er in het geding is. In het boek Genesis verbeelden
de twee zonen van de mens de twee mogelijkheden die de mens gegeven zijn:
een hoeder te zijn voor zijn broer en zus, of degene die geleid wordt
door jaloezie en uit is op het vernietigen van die ander. De oorzaak ervan
is dat de Eeuwige allereerst kijkt naar het offer van Abel, omdat Hij
nu eenmaal bekommerd is om wie klein en naamloos zijn.
'Een man had twee zonen...' Jakob wil het eerstgeboorterecht van zijn
oudere broeder Ezau die dat verkwanselt voor een bord linzensoep, want
de liefde van een man gaat door de maag, maar Jakob moet in een lang proces
weer gaan leren wat het is om een hoeder voor een ander te zijn en niet
een hielelichter.
'Een man had twee zonen......' Vandaag horen opnieuw over het hebben en
bezitten in de gelijkenis van de verloren zoon zoals wij dit verhaal zijn
gaan noemen. Toch het is niet deze jongste zoon die centraal staat in
dit verhaal maar de vader van wie wij horen dat hij 'al van verre op de
uitkijk stond'. Zou hij daar al die tijd gestaan hebben? Het antwoord
is overduidelijk 'ja' want met die vader is niemand minder bedoeld dan
God zelf die gekend wil worden als de Barmhartige die op zoek is naar
mensen en niets liever wil dan dat zij zich thuis weten bij Hem en wonen
in de schaduw van zijn bewogenheid. De oudste zoon staat er als de vertegenwoordiger
van Israel dat door God geroepen is om aan de wereld te tonen wat het
is om 'mens van God te zijn'.
|
Net als het volk dat onderweg was in de woestijn en
door de
besnijdenis als het ware gebrandmerkt is tot kinderen van het verbond,
zijn wij geroepen om te vieren dat wij niet langer geroepen zijn tot een
slavenbestaan, tot een leven in Egypte waar mensen elkaar onderdrukken,
maar om te leven in een nieuwe wereld, waar wij de vruchten van het land
eten in vrijheid en gerechtigheid.
Het hart van dat nieuwe leven is niet jaloezie of naijver, maar barm-hartigheid
zoals de vader in het verhaal laat zien: er moet feest zijn want die zoon
die verloren leek, is omgekeerd en teruggekomen. Dat is een prachtig woord
want het betekent dat je hart zacht wordt bij het zien van mensen.
Als Jezus zijn volgelingen vraagt zo barmhartig te zijn als de vader in
de gelijkenis, wijst hij ons op het allerbelangrijkste wat er tussen mensen
moet zijn: geen verwijt, geen omzien in wrok maar blijdschap omdat mensen
terugkeren uit hun verlorenheid. Leven is bedoeld om een feest te zijn,
een gebeuren waarin wordt gedeeld en wij elkaar de blijdschap van het
leven laten proeven door te delen en mee te delen wat je gegeven is.
Niet bedacht zijn op wat ons als erfenis of kindsdeel toekomt, niet tot
de dienst der wraak maar grootmoedig leven want wie zich laat ontroeren
door mensen zal het leven als een vreugde delen. Wij mogen met elkaar
verzoend het licht van elke dag begroeten, zolang ons dit leven gegeven
wordt. Daarom heet deze zondag vanouds 'laetare', 'verheug je' want wij
mogen leven in de tegenwoordigheid van de Allerhoogste die zijn zon laat
opgaan over goeden en kwaden. Hij moge ons hart herscheppen opdat wij
elkaar behoeden en doen leven. 'Een vader had één zoon'...
Lijken wij op Hem?
Henk Jongerius, 18 maart 2007
|
|
|
Vijfde zondag van de veertigdagentijd
eerste lezing: Jesaja 43,16-21
tweede lezing: Johannes 8,1-11
Komend van de Olijfberg, waar Jezus ongetwijfeld biddend de nacht door-bracht,
begaf Hij zich naar de tempel, de plaats waar God verblijf hield, de plaats,
waar de religieuze overheid gevestigd was en geacht werd toezicht te houden
op de zuiverheid van de leer en het onderhouden van de wetten en regels.
Jezus ging zitten, het hele volk verzamelde zich rond Hem en hij on-derrichtte
het. De schriftgeleerden brachten een vrouw, die op overspel be-trapt
was. Alleen deze vrouw, niet de man en niet de getuigen van het over-spel,
alleen deze vrouw, natuurlijk weer de vrouw, alsof zij alleen schuldig
was. Zij stond daar, midden in de kring, verlamd van angst en diep be-schaamd.
"De wet van Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te ste-nigen.
Wat zegt u ervan." Een strikvraag. Daar gaat het de schiftgeleerden
om. Wat kan zijn antwoord zijn, hij die gezegd heeft, zoals we dat elders
le-zen: Ieder die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn
hart al overspel gepleegd. Zegt Jezus: "doe dat dan", zo is
de gedachtegang, dan krijgt hij moeilijkheden met de Romeinse bezetter,
die de Joden niet toe-stond de doodstraf uit te spreken. Zegt Jezus: "nee,
doe dat niet", dan over-treedt Hij de wet van Mozes en blameert Hij
zichzelf in de ogen van het ge-hele volk, daar bijeen. Hoe dan ook. In
de ogen van de schiftgeleerden staat Jezus schaakmat. Het antwoord van
Jezus was verrassend en keerde zich tegen henzelf: "Wie zonder zonde
is laat die als eerste een steen naar haar werpen." Zij voelden zich
op heterdaad betrapt als verkrachters van Gods wet. Niemand toch kan volhouden
dat hij/zij nooit faalt, zuiver van geweten is? Ook de oudsten, de godsdienstige
overheid is niet vrij van zonden en kwaad.
Jezus' woord heeft een diepe lading, waar we langer bij stil willen staan.
Het is te simpel om te zeggen: Jezus heeft zich daar mooi uit gered. Het
ging daar in de vraag van de schriftgeleerden en het antwoord van Jezus
om veel meer en dat méér is van betekenis voor alle tijden,
ook voor ons. De vraag die er onder ligt is: welke betekenis geef je aan
de wet van Mozes, aan de voorschriften, die in de Bijbel zijn vastgelegd
en die wij hebben ge-leerd? Voor de joodse overheid geldt: wet is wet
en die heb je stipt na te komen. Voor Jezus zijn de wetten richtingwijzers
op je zoektocht naar het ware geluk. Voor de Farizeeën is een gebod
een gebod, waar je je aan te houden hebt. Voor Jezus is er plaats voor
enig mededogen voor de mense-lijke zwakheid, voor de mens, die na zijn
falen opnieuw op kan staan uit zijn zonde. Voor de schiftgeleerden zijn
de regels regels om opgevolgd te worden. Jezus
|
daarentegen heeft vertrouwen in de mens en gelooft
dat hij groeien kan in het volgen van Gods woord. De mens is niet ineens
volmaakt. Versta je Gods wetten en geboden zoals de joodse overheid dat
doet, dan moet je wel het leven als verstikkend ervaren, als een drukkende
last. Het geloven wordt een gebodendienst, waaraan geen vreugde te beleven
valt. Maar het inzicht dat Jezus ons geeft over de zin en betekenis van
Gods geboden bevrijdt ons van die angsten en die verstikkende druk, van
die on-draaglijke last.
Niemand is zonder zonde. Jezus weet het, maar hij veroordeelt niet. Als
de oudsten weggegaan waren en Jezus alleen was met de vrouw laat hij haar
gaan met de woorden: "Zondig vanaf nu niet meer." Voor de mens
kun je mededogen hebben en hem vergeven. Het kwaad niet Het kwaad zelf
kan niet getolereerd worden. Het draagt niet bij aan je geluk. Wie meent:
het kwaad is zo kwaad nog niet, begeeft zich op een onheilsweg. Wie denkt,
dat je de zonde gedogen kan, heeft de Schrift slecht begrepen.
Er zit m.i. nog een boodschap verscholen in dit evangelieverhaal. De vrouw
staat in die kring als 'dood', staat er reddeloos en verloren bij. Niemand
is eigenlijk echt in haar geïnteresseerd. Zij komt er niet op aan.
Zij is slechts 'een geval', een middel om Jezus in verlegenheid te brengen.
Al-leen Jezus is in haar geïnteresseerd, spreekt haar aan, veroordeelt
niet. Nu staat er heel opvallend aan het begin: Het hele volk kwam naar
hem toe. Het hele volk kijkt die vrouw aan. Het hele volk kijkt in feite
naar zichzelf, naar zijn eigen zondigheid, naar zijn eigen ontrouw, naar
zijn eigen over-spel. Het volk ziet als het ware in een spiegel hoe reddeloos
en verloren het is. Maar Jezus ziet haar aan, ziet het volk aan en roept
het toe met Jesaja: Denk niet meer aan het verleden, sla niet langer acht
op wat voorbij is. Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet
ge het niet? Ik doe je opstaan uit je zondigheid, uit je verlorenheid
waaronder je lijdt. Zoals deze vrouw als het ware het leven terugkrijgt,
mag opstaan en gaan zo mag het hele volk weten, wij, die daar op het tempelplein
staan, wij mogen weten, dat ook wij mogen opstaan tot nieuw leven, uit
onze zondigheid, uit ons falen, uit onze ontrouw jegens God en elkaar.
Want daartoe ben ik in de wereld gekomen, niet om te oordelen maar om
te redden.
Jezus gooit geen stenen en laat niet toe dat wij naar anderen stenen gooien.
Het besef van ons eigen falen en zwakheden moet ons wel daarvan weer-houden.
Wij allen delen in zijn vergevingsgezindheid. Hij eist ons leven niet
op. Hij stuurt ons op weg met de woorden: Ik veroordeel u ook niet. Ga
naar huis, naar waar je woont, werkt, liefhebt en zondig niet meer. Amen.
25-03-2007, Paul Minke o.p.
|
|
|
Palmzondag
Lucas 19,28-40
Jesaja 50,4-7
Lucas 19,28-44
Er is een treffende overeenkomst tussen wat er door
de volgelingen van Jezus wordt gezongen bij zijn intocht in Jeruzalem
en het gezang dat door de engelen wordt aangeheven bij de aankondiging
van de geboorte van Jezus. Zíj zongen: 'Eer aan God in den hoge
en vrede op aarde', terwijl er vandaag klinkt: 'Vrede in de hemel en eer
in den hoge'. Dat is wonderlijk: de geboorte van Jezus betekent dat er
opnieuw een verbinding komt tussen de hemel en de aarde, tussen God en
de mensen. Van die vrede is Jezus de belofte en de garantie. Een ook vandaag
klinkt die overtuiging door als de mensen zingen 'Gezegend hij die komt
in de naam van de Levende', maar het lijkt erop dat de aarde nog niet
deelt in die vrede. Erger nog: Jezus wordt door verdriet overmand als
hij naar de stad kijkt waarin duidelijk moet worden dat God in ons midden
woont. Daar is geen sprake van. De klacht van Jezus is dat mensen niet
hebben ingezien wat hun tot vrede strekt, hoe de Levende met ontferming
heeft omgezien naar de mensen van zijn welbehagen! Hoe hadden zij moeten
zien?
Door te kijken naar deze rabbi uit Nazareth die opgaat naar Jeruzalem
of liever gezegd die afdaalt naar de stad vanaf de Olijfberg, gezeten
op het jong van een ezel. Een wonderlijke intocht van iemand die als koning
begroet wordt! Want koningen komen gewoonlijk niet op een ezel, maar zitten
hoog te paard, waarmee zij laten zien dat zij boven de mensen uitsteken.
Iedereen moet zo wel naar hen opzien en hun hulde brengen. Maar dit is
wel een heel
|
vreemde koning! Hij zit op een lastdier om aan te geven
dat er een nieuwe wereld komen moet waar de rollen en de verhoudingen
omgedraaid worden. Er zal pas 'vrede op aarde' gezongen worden als die
wereld gekomen is.
In die nieuwe wereld gaat het niet om heersen, maar om dienen, niet om
gehoord en gehoorzaamd worden maar om mensen die hun oor te luisteren
leggen bij het woord van God, zoals gezegd wordt van de knecht in de lezing
van Jesaja. Die mens stelt zijn vertrouwen in het woord van de Levende
en houdt daaraan vast, wat hem ook overkomen zal. Deze mens is in staat
om hen die ontmoedigd zijn weer moed in de spreken, om hen op te richten
uit hun vernedering en recht te doen aan wie zij zijn. De dichter Tom
Naastepad heeft hem prachtig getekend in zijn lied waarin hij zegt: 'geen
stenen geeft hij ons voor brood, geen schorpioen van lijden. Hij was gehoorzaam
tot de dood: het Woord is onze weide'. En ook: 'de last die ons wordt
opgelegd vraagt dat wij hem geloven, zijn juk is dat wij opgewekt schouder
aan schouder lopen'.
Jezus rijdt op een ezel de stad binnen om duidelijk te maken dat wij geroepen
worden om elkanders levenslast te dragen. Alleen op die manier wordt het
kwaad en de zonde uit de wereld weggedragen. De ware koning is een herder
van mensen en er zal pas vrede op aarde komen als wij durven gaan en handelen
in zijn voetspoor. Het geluk van mensen en de wereld is verzekerd in deze
mens die Jeruzalem binnengaat, waar de wijsheid woont en men de route
van de vrede kent: stad van de toekomst, beeld van de nieuwe aarde. Als
wij hem daarheen volgen schrikken wij niet meer wakker in de nacht en
vreest niemand nog voor een nieuwe morgen. Ja, gezegend hij die komt met
de naam van de Levende!
Palmzondag 2007, Henk Jongerius
|
|
WITTE DONDERDAG 5 APRIL 2007
Waar is God?
Deze vraag keert op vele momenten en plaatsen terug in ons leven. Zeker
ook in de Goede Week, en vandaag op Witte Donderdag. Antwoorden vinden
we niet in plechtige formules, maar wel in verhalen van allerlei soort,
waarbij het ene verhaal het andere oproept.
Zo las ik onlangs het verhaal van Karim, een jongentje uit Algerije, een
moslim. Hij stelt zich die vraag ook: waar is God toch? Hij stelt die
vraag niet omdat hij in moeilijkheden is, maar omdat hij ziet dat volwassenen,
wanneer zij in moeilijkheden zijn, God op verschillende plaatsen zoeken:
zijn moeder gaat in de deuropening staan met uitgestrekte handen. Zijn
oma knielt neer en kijkt naar een gaatje in het plafond, en zijn vader
buigt zijn hoofd naar de grond. Waar is God dan toch?
Hij gaat het aan de imam vragen, de baas van de moskee, maar die wordt
heel kwaad en geeft hem een aframmeling. Hij gaat zich beklagen bij zijn
moeder, oma en vader, maar die geven hem ook op zijn kop. Dan neemt zijn
oom hem naar buiten en wijst naar een hoge berg: daar achter die berg
woont God, maar alleen kinderen kunnen hem zien. Karim wil meteen op reis,
maar zijn oom zegt dat zo'n reis wel twintig jaar kan duren en dan is
hij te oud om God nog te kunnen zien.
In dit verhaal is God alleen te zien door kinderen, door hen die fantasierijke
vragen durven te stellen. Maar tegelijk blijft God hier nog ver weg, achter
de bergen, onbereikbaar.
Dit verhaal herinnert me echter aan een ander verhaal: ik zag eens op
de Poolse televisie een religieus programma voor kinderen. Die kinderen
gingen op zoek naar de hemel, je kan ook zeggen, naar God, want de hemel
is vaak een ander woord voor God. Ze doen er alles aan om de hemel te
vinden. Misschien moet je voor de hemel de diepte in, onder in de aarde,
ze dalen af in een diepe mijn. In een hoge toren dan? Ze gaan mee met
de brandweer en hun hoge ladders. Ze stijgen op in een luchtballon. En
doodop van dit alles komen ze tenslotte bij elkaar in een maaltijd. En
dan ontdekken ze: ja hier, waar we samen eten en drinken, samen delen,
daar is de hemel, daar is God.
God is waar mensen, groot en klein onbevangen delen, eten en drinken.
En dat voert me naar het verhaal dat Janneke heeft voorgelezen uit de
kinderbijbel. Ook in dat verhaal wordt gegeten en gedronken, er is een
maaltijd, het is al een beetje hemel, en God is aanwezig, maar de maaltijd
gebeurt in een wereld vol rottigheid, in een rothuis, een rotland, met
een rotkoning, omdat zij daar allemaal slaven moesten zijn,
|
onderdrukt werden, niet zichzelf mochten zijn en er
niet voor elkaar mochten zijn. Die maaltijd geeft kracht om uit dat land
weg te trekken, naar de berg van God, naar het land van belofte. Als wij
delen, eten en drinken, zijn we nog op weg naar God, want er is veel rottigheid
om ons heen, en misschien ook in onszelf. Daar moeten we afscheid van
nemen,
Hoe doen we dat? Waar vinden we God in deze rottigheid?
We lazen vervolgens nog een verhaal van een maaltijd. Of van het begin
ervan. Jezus wast de voeten van zijn leerlingen. In vrijheid legt hij
zijn kleren af, doet een doek om en vervult de taak die alleen slaven
deden voor hun meesters, en kinderen voor hun vaders, vrouwen voor hun
man, een enkele keer deed een leerling dat voor zijn leraar, maar joodse
slaven waren ervan vrijgesteld. Het was laag bij-de-gronds werk. Het is
een teken dat Jezus bereid is zijn leven in te zetten voor zijn leerlingen,
zijn vrienden, - vrijwillig - en te aanvaarden dat hij de dood van een
slaaf sterft, omdat alleen zo de grote opschepperij van grote mensen aan
de kaak kan worden gesteld en zo alleen hun machtshonger, hun bereidheid
anderen op te offeren aan hun eigen belang worden ontmaskerd.
Petrus weigert, en hij vertegenwoordigt hier de leerlingen die de stille
meerderheid vormen. Maar, zegt Jezus, als hij zijn erfgenaam wilt zijn,
als hij in de geest van Jezus wil leven, dan moet hij afscheid nemen van
het denken in heren en slaven, van denken in termen van 'daar ben ik te
goed voor'. Meer nog dan moet hij erkennen dat hier God is, in dit gebeuren,
in die mens tegenover hem die zijn voeten wast. God is niet slechts op
of achter een berg, verheven, niet in een eten en drinken louter gericht
op het vullen van de maag, maar in een delen waarin niemand zich te goed
voelt voor een ander. Waar is God? Daar dus, in die de voeten wassende
man van Nazareth, in die mens aan het kruis. Die mens die zo aangeeft
wie God is, een God die mensen wil dienen, leven wil geven, En zo zijn
de voetwassing en het lijden op het kruis tegelijk zijn verheerlijking:
de heerlijkheid van God bestaat hierin dat God neerknielt voor mensen,
voor jou, voor mij.
En dit verhaal roept allerlei verhalen op van mensen van nu, verhalen
die gebeuren onder ons, verhalen van trouw, van zorg, van bezoeken aan
zieken, aan het troosten van verdrietige mensen, van staande blijven te
midden van onrecht en chaos, van kind blijven, verwachtingsvol, tegen
alle wanhoop en cynisme in.
Waar is God? God is onder hen die zijn erfgenamen zijn, die het testament
van Jezus horen en in praktijk brengen: 'hebt elkander lief'.
Waar liefde is, daar is God.
André Lascaris
|