PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: vastentijd 2005-2006

1ste zondag van de vasten

eerste lezing: Genesis 9,8-15
tweede lezing: Marcus 1,12-15


Op weg met Jezus

Jezus heeft zich net laten dopen door Johannes en hoort dan een stem uit de hemel zeggen: 'Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.' Meteen daarna komt hij in de woestijn terecht, waar hij op de proef gesteld wordt. Jezus kiest niet zelf voor de woestijn; de Geest drijft hem hier naartoe, m.a.w.: het overkomt hem.
Voor ons is dit goed herkenbaar. Je bent goed katholiek of protestant, of zomaar een goed mens. Je doet je best en zet je in voor anderen, bent geen egoïst. En toch blijft ellende en kwaad je niet bespaard. Je hoeft het kwade, de ellende echt niet op te zoeken; zelfs als je het angstvallig uit de weg gaat zal het jou ook treffen, en geen God die het van je weg houdt. Ziekte, scheiding, een ongeluk op de weg, gepest worden, discriminatie, in onze wereld is de woestijn volop aanwezig met de indringende vraag: wat doe ik? Hoe reageer ik?
Levensgroot stelt zich deze vraag aan Noach. Heel zijn vertrouwde wereld, zijn thuis is hij kwijt; er is niets van over. Alles is door de vloed vernietigd; enkel hij met zijn familie heeft de vloed overleefd. Zijn wereld is ingestort, buiten zijn schuld, want hij leefde rechtvaardig. Hij had het aan zien komen, had mensen uit zijn omgeving gewaarschuwd: kijk verder dan jouw eigen belangen, het eigen voordeel op korte termijn, want zoals het nu gaat gaan we naar de knoppen, iets wat je ook in onze wereld aan ziet komen. Nu dit inderdaad gebeurd is staat Noach voor de vraag: begin ik weer opnieuw?
Ook deze situatie kennen wij uit eigen ervaring. Als je partner sterft met wie je jarenlang lief en leed hebt gedeeld; als je werkeloos raakt, invalide wordt; als je blijft zitten en een jaar moet overdoen, zijn er mensen die niet bij de pakken neerzitten. Zijn er mensen die niet terug blijven kijken naar het verleden, het vertrouwde, maar met de mogelijkheden die zij hebben opnieuw beginnen met hun leven. Waar halen zij de moed, de kracht vandaan? Je kunt het hen vragen; zulke mensen zitten immers ook hier in deze kapel.
Op mij werken deze mensen als de regenboog uit het eerste verhaal. Zoals de regenboog herinneren zij God aan zijn belofte aan Noach: Ik, God, zal instaan voor het leven van de mensen en alle leven op aarde. God alleen kan hiervoor instaan.
Mensen die ik zojuist noemde, mensen die ondanks grote ellende niet bij de pakken neerzitten zijn voor mij een teken, dat God dit inderdaad doet; regenbogen dus. Hoe reageer ik hierop? Wat doe ik?

 

Dat brengt ons weer bij het evangelie. We hoorden dat Jezus op de proef werd gesteld, in de woestijn moest leven te midden van wilde dieren. Bij mij roept dit angst op, en dat zal bij Jezus niet anders zijn geweest: angst voor het onbekende, angst voor de dood, angst voor eenzaamheid, ontberingen; angst dat je het alleen niet redt, angst aan het lot te worden overgelaten. Die angst was er bij Jezus en is er bij ons, angst maar ook vertrouwen: engelen zorgden voor hem, staat er, m.a.w. God liet hem niet in de steek, is trouw aan zijn verbond.
In ons leeft angst. Als de woestijn je overvalt is de eerste reactie paniek. Leeft er in ons ook vertrouwen? Ik heb geen reden aan te nemen, dat dit vertrouwen er in mij, in jullie niet zou zijn. Maar ik weet ook, dat ik op deze kracht in mij geen vat heb;
ik kan vertrouwen niet naar mijn hand zetten. Dat merk ik, als ellende mij overvalt.
Vertrouwen is totaal iets anders dan zekerheid, maar wij gooien deze begrippen makkelijk door elkaar. Als ik jullie straks uitnodig voor een kop koffie doe ik dat,
omdat ik zeker ben dat deze koffie er zal zijn. Dit laatste is natuurlijk onzin, want deze zekerheid heb ik niet. Verschillende mensen zorgen hiervoor, en wij zijn afhankelijk van deze zorg. Jarenlange omgang met hen en hun goede zorgen doet mij straks vol vertrouwen zeggen: blijf nog even voor een kop koffie of thee.
Vertrouwen komt je niet aanwaaien, en je kunt er niet over beschikken. Het zit al in je, en het kost tijd het je eigen te maken. Veertig dagen blijft Jezus dan ook in de woestijn en dan pas gaat hij naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde.
'De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij', hoorden we hem zeggen.
Wat doe ik met deze boodschap?
Ik heb vertrouwen in Jezus. Als hij me dit gezegd had direct nadat hij een stem hoorde had ik mijn schouders opgehaald: als dominicaan geloof ik niet zomaar;
daar ben ik te intelligent, te nieuwsgierig en te eigenwijs voor. In dit geval zijn er veertig dagen overheen gegaan, vol angst en onzekerheid naar ik aanneem, en dat maakt Jezus' aankondiging geloofwaardig. Toch ga ik ook nu nog niet direct op dit koninkrijk van God af, want Jezus voegt toe aan zijn boodschap: 'kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.'
Tot inkeer komen, de weg naar binnen gaan om contact te krijgen met dit vertrouwen dat in ieder van ons steekt, doe je niet in een vloek en een zucht, maar kost tijd. Deze tijd wordt ons geschonken. Veertig dagen kunnen we Jezus volgen op zijn weg. We zullen hem nu eens knuffelen, dan weer in de steek laten. Van alles zal met hem, zal met ons, zal tussen ons en hem gebeuren de komende weken.
'Kunnen we Jezus volgen' hoor ik me zeggen, maar ik kan natuurlijk alleen voor mezelf spreken: ik zal hem volgen.
Wat doe jij, u? Ga jij, doet u mee?
Theo Koster o.p.

 


2de zondag van de vasten

God zal voorzien

Genesis 22, 1-18
Marcus 9, 2-10

De bijbel heeft iets met bergen en visioenen. Als er bergen worden beklommen en afgedaald zijn we op voorhand gewaarschuwd. De berg is een soort code. Wie de code kent weet ook waar het verhaal over gaat. Neem nu de eerste lezing. Abraham moet zijn zoon Izak offeren op de berg. Zonder code gaan we meteen de fout in. Je kunt de protesten voorspellen. Wat is dat voor een God, die een vader opdracht geeft om zijn zoon te offeren. Onze verontwaardiging is aanstonds zo groot, dat we het verhaal niet rustig lezen kunnen. Er is nog een andere manier, waarop we in de fout gaan. We zeggen, dat het in oude tijden gebruik was om kinderoffers te brengen om de godheid gunstig te stemmen. We doen historisch onderzoek en stellen dan vast dat dit verhaal wel een vreemd beeld geeft van de God van de bijbel. Maar wie de code verstaat, heeft noch de verontwaardiging nodig noch behoefte aan historische beschouwingen. We lezen namelijk in het verhaal een belangrijk zinnetje: toen Abraham met zijn knechten bij de berg was aangekomen zei hij tegen hen: "blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen wij naar jullie terug". Abraham is er dus zeker van, dat het offeren van Izak niet gelijk staat met het slachtofferen van zijn zoon. Hij zegt duidelijk: wij, dus ik en mijn zoon, zullen hier weer terugkomen. Abraham doet niet aan zelfbeklag en gedraagt zich niet als een gekwelde vader, die moet optornen tegen een wrede god. Hij moet met Izak de berg op, op weg naar een visioen, op weg naar een lering, die voor gelovige mensen zoals u en ik van fundamentele In de christelijke traditie spreken we doorgaans over het offer van Izak. De rabbijnen noemen het gebeuren van Abraham en Izak daarboven op de berg de AKEDA, dat betekent de binding van Izak. Wie of wat wordt gebonden? Wie of wat wordt waaraan of aan wie gebonden? Waarom bevinden we ons boven op de berg? Waarom gaat Abraham zo rustig op weg? Zijn gang is vol aandacht, zijn zien naar de juiste plek is waakzaam, zijn vertrouwen is onwankelbaar. Wie of wat brengt Abraham naar de plaats, die God hem aanwijst?
Als hij door God geroepen wordt antwoordt hij: 'hier ben ik!' Hij is een en al overgave. Niet voor niets noemt de Schrift hem de vader van ons geloof. Izak is zijn toekomst maar ook de toekomst van de bondgenoot van God. Met Abraham en Jakob wordt Izak de bodem, waaruit het volk van God geboren zal worden. De aartsvaders en -moeders waren kwetsbaar. Zonder een groot vertrouwen in de plannen van God zouden zij het niet redden. Abraham en Sara zijn hoogbejaard. Wie verwacht van twee oude mensen nog toekomst? Daarom vertrouw Abraham zijn zoon, zijn toekomst en de gang van het godsvolk de eeuwen door toe aan God. Hij gaat met open handen. Daarboven zal hem duidelijk worden wat God wil, in de

stilte, in de wijde onbegrensdheid van ruimte en vergezicht. Voor een moment ziet hij zoals God alleen kan zien, ver over de horizont van het heden. Zijn blik reikt duizenden jaren vooruit. 'God zal voorzien' stamelt hij en hij bindt zijn zoon, zijn toekomst, onze toekomst aan het altaar vast. Dat altaar is een stuntelige poging van de mens, om Gods aanwezigheid onder ons uit te beelden. Maar in zo'n ogenblik, zo'n flits in ons bestaan, zeg je: 'God, ik en wij vertrouwen Jou hartgrondig. Wees ons een toekomst en geef mij, ons, een gezegend heden'. Zo'n ervaring heeft de betekenis van een visioen. Je komt tot rust en wordt een toestand van vrede gewaar, die je niet voor mogelijk houdt.
Maar eenvoudig of vanzelfsprekend is zo'n toewijding niet. Absoluut niet. Je toekomst aan God ter hand stellen kun je, volgens de Schrift, verstandelijk maar vooral emotioneel vergelijken met het offeren van je bloedeigen kind. Een mens heeft ook tijd nodig om tot zo'n stap te komen. Vroeg of laat komt het moment dat ouders ontdekken, goedschiks of kwaadschiks, dat hun kinderen eigen wegen zoeken, en dat zij hen daarbij moeten laten gaan. Gelovigen mensen zullen eens moeten ontdekken, goedschiks of kwaadschiks,
dat hun grenzen door het heden worden bepaald. Dan begenadigt God ons met de gave van de overgave, van het vertrouwen, dat God zal voorzien. Abraham heeft het ons geleerd! De bijbel heeft iets met bergen en visioenen. Want ook Petrus ondergaat op de berg met zijn medeleerlingen deze korte en flitsende gewaarwording van een door God gedragen toekomst. Hij ondergaat het, maar kan het niet vatten, laat staan vasthouden. Even ziet hij de mens in al zijn door God gewenste en toebedeelde heerlijkheid. Ja, door God toebedeeld, want daar staan immers Mozes en Elia, de exponenten van het spreken en doen van een God, die bevrijdt. Ze wijzen naar Jezus: zo zal de mens zijn als hij Gods wegen gaat! Daarom stamelt hij: 'het is goed hier te zijn.Laten we tenten bouwen, hier wonen, dit alles, Jezus, Mozes en Elia vasthouden. Hij wist niet wat hij, zegt de evangelist dan. Hij kwam woorden en beelden tekort om een door God geschonken toekomst te vertolken.
Dan is het voorbij. We moeten terug naar het leven van elke dag, onze werkelijkheid, ons heden. We dalen de berg af. Maar we zijn niet meer dezelfden als voorheen. In een fraai en een ondeelbaar moment zijn we diep geraakt. Als een visioen, dat uitdaagt en troost, gaan we verder. Naar de toekomst, en zeggen: 'God zal voorzien'.
De tijd, waarin wij leven, is even onzeker en verwarrend als de dagen van Abraham en Sara, van Petrus, Johannes en Jakobus. Hoe moet het verder met de kerk? Met het kloosterleven? Met geloven en zin geven? Wij worstelen ermee, we willen het niet opgeven maat weten niet wat we moeten doen, hoe we het onder woorden kunnen brengen. Hoe we het moeten doorgeven. Maar wellicht worden ook wij in onze warrige samenleving opnieuw geroepen tot een nieuwe overgave aan God. Misschien moeten we weer leren zeggen: 'hier ben ik, hier zijn wij!' Misschien moeten we leren weer op weg te gaan. Toen Abraham daar ging met Izak, zijn zoon, vroeg deze: 'waar is eigenlijk het brandhout voor het offer?' Als wij zo gaan, zeggen de mensen om ons heen: hoe willen jullie dat dan gaan doen in de toekomst? Wat voor kerk? Wat voor kloosterleven? Zulke vragen zijn als een berg, waar je tegenop moet. Dan rest ons maar één antwoord: 'God zal voorzien'. En we zullen er boven op komen.

   12 maart 2006   ernst marijnissen o.p.


3de zondag van de vasten

eerste lezing: Exodus 20,1-17
tweede lezing: Johannes 2,13-25

Lieve mensen,
Toen ik klein was, ja dat ben ik ook geweest heel lang geleden, hebben we de tien geboden uit het hoofd geleerd.
Toen ik later groot geworden was, hoorde ik meer dan eens vaders en soms ook moeders zeggen: "De jeugd van tegenwoordig leeft er maar op los, want ze kennen de tien geboden niet eens meer". Soms durfde ik dan wel te zeggen: "Ja in onze tijd was er nooit iemand die een vals getuigenis aflegde, want wij wisten, dat dit niet mocht". Mijn toehoorders hadden dan in eens in de gaten, dat het niet afhangt van het al dan niet uit het hoofd kennen van de geboden.
Daarom was ik ook zo blij, toen een paar jaar geleden de KRO met een nieuwe vertaling kwam. Misschien mag ik dit geen vertaling noemen, want het klopt niet met de oorspronkelijke tekst.

Het klinkt dan zo: 1. God is er. 2. Ik eerbiedig. 3. Deze dag is heilig. 4. Ik respecteer mijn afkomst. 5. Ik wil leven. 6. Ik ben trouw. 7. Ik heb genoeg.
8. Ik ben eerlijk. 9. Mijn leven is puur. 10. Ik ben dankbaar .

Zo zie je twee manieren om uit te drukken, hoe we God ervaren in ons dagelijks leven. Of moet ik zeggen: twee manieren waarop we kunnen ervaren hoe God is.
De grote wetten zitten eigenlijk in ons gebakken, want denk maar eens na: Vind ik het leuk als anderen dingen van mij stelen? Laat ik het dan zelf ook maar niet doen.
Vind ik het leuk als anderen mijn goede naam te grabbel gooien? Misschien is het wel waar: bij roddel wordt meestal niet gelogen, maar toch leuk vind ik het niet, als mijn zwakheden aan iedereen bekend worden gemaakt.
Zo zijn die tien woorden een prachtige manier om aan te geven, dat God van ons houdt. Ze geven aan, dat God met ieder van ons 'n een - op - een relatie heeft en bovendien vormt God met ons een gemeenschap van liefde. Kan het mooier? Liefde bindt ons en mensen die elkaar liefhebben doen alleen maar mooie en goede dingen voor elkaar.

 

Daarom hebben we ook een geweten, we weten veel: we hebben ervaring. We weten zelfs, dat we veel gelukkiger worden als we alles op een goede manier doen, maar soms denken we, dat er langs een kortere weg veel sneller kunnen komen. De kortste is niet altijd de snelste en zeker niet altijd de mooiste weg. Met ons geweten zijn we ons niet alleen bewust van hoe dingen waren en hoe ze zijn in ons leven, maar ook hoe ze zouden moeten zijn. We weten dan, wat we moeten doen.
God, of kan ik beter zeggen: een gevoel dat God bestaat, zit daar diep onder. Ons persoonlijke denken maakt niet vanzelf wetten. We maken wetten, als er iets mis gaat. Toen we nog wandelden van de ene plaats naar de andere, was het niet nodig om af te spreken, dat rechts voorrang had. Mensen ontmoeten elkaar, maakten een praatje en gingen verder. O ja ik weet ook wel, dat er rovers waren, die omdat ze sterker waren, probeerden op een "makkelijke" manier rijk te worden.
De Joden wisten, dat God van hen hield. Ze vertelden elkaar de verhalen, dat zij alleen boven op de berg de wet hadden gekregen. Die op de berg gekregen wet was zo universeel, dat andere mensen die al lang daarvoor op een stuk steen hadden gebeiteld. Omdat ze zo blij waren het volk van God te zijn prezen ze die wet de hemel in. Zo zongen ze in Psalm 18: De voorschriften van de HEER zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al. Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat!
Maar helaas er is toch een tegenvaller als we zien hoe de wet over God praat. Wettenmakers staan meestal ver van ons af. Soms geven we een vriend een goed advies, of we proberen haar of hem zover te krijgen, dat ze op dezelfde manier denken als wij over wat goed en kwaad is. Maar het zou een heel rare vriendschap zijn, als die er in zou bestaan, dat we tegen iemand bevelen gaan schreeuwen.
Daarom kunnen we toch maar beter doorgaan God en alle mensen lief te hebben: ons leven mag een levendige uitdrukking zijn van ons geloof, dat zichtbaar wordt in ons leven van elke dag en dan kan het zijn als een dankzegging of als een smeekgebed: wij allemaal samen of heel persoonlijk. Leven kunnen we niet alleen. We mogen het samen doen, iedere dag opnieuw.
God zegent ons iedere dag opnieuw en wil ook vandaag ons laten werken aan een nieuwe wereld waarin wij mensen onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Ieder zijn eigen waardigheid en mogelijkheid tot werken, tot leven en rusten. Want we zijn een volk van koningen, priesters en profeten, we zijn een volk van God. Dat mogen we uitdrukken iedere dag, dat we tegenover anderen doen, wat we hopen, dat zij voor ons doen.
Dan gedragen we ons niet als de eerste mensen in het aardse paradijs, die als God wilden zijn, maar dan zijn we werkelijk kinderen van God, want we tonen onze wijsheid door onze liefde voor onszelf en voor de ander.
Antoon L. Boks o.p.


4e zondag van de veertigdagentijd

eerste lezing: 2 Kronieken 36,14-23
tweede lezing: Johannes 3,14-21


Als Jezus zegt: "God had de wereld zo lief, dat Hij zijn enige zoon heeft gegeven" wat bedoelt Hij dan met 'de wereld'? Had Hij dan de wereldkaart in gedachten van de toenmalige wereld: Spanje, Italië, Griekenland, enz.? Be-slist niet! Wat Hem wel voor ogen stond zijn de mensen, die de aarde be-volken. De mensen met al hun lief en leed, met hun lusten en lasten. De ge-weldplegers en hun slachtoffers, de bedrogenen en hun bedriegers. De on-derdrukten en hun onderdrukkers, de armen en de hebzuchtigen. De men-sen met hun angsten en twijfels, met hun hoop en hun wanhoop, met hun schuldgevoelens en hun verlangen naar vergeving. Wat Jezus voor ogen stond zijn mensen als u en ik, en onze redding. Zo wil God het, Telkens weer opnieuw, in het verleden en in de toekomst vanaf den beginne tot aan het allerlaatste einde hoever weg nog, God, die nooit iets anders gedaan heeft dan scheppen, bevrijden en liefhebben. Hij kan niet anders, zo is onze God, een God van alle tijden. Zoals ook de eerste lezing ons laat weten, dat God een reddende God wil zijn. "En de Heer, de God van hun voorvaderen, stuurde almaar gezanten want Hij had medelijden met zijn volk en met zijn woning." Maar zij sloegen de waarschuwingen van de profeten in de wind, verachten Gods gezanten en spotten met hun boodschap. En dan is er geen redden meer aan. Ook voor God niet. En ookJohannes zegt hetzelfde in het evangelie. God kan slechts redden wanneer in Jezus wordt geloofd, wanneer zijn boodschap serieus wordt genomen, gehoord en gedaan.
Geloven in Jezus is oprecht handelen, in de oude vertaling: de waarheid doen. Dat is, wat wij bij Matteus lezen, waar Jezus zegt: de hongerigen te eten geven, dorst lessen, de vreemdeling opnemen, de naakten kleden, de zieken bezoeken, je om de gevangenen bekommeren. Kortweg, de ander redden uit zijn lot. Het wordt me duidelijk: God heeft mensen nodig, die in Jezus geloven, ons, die in zijn Naam oprecht willen handelen in de geest van het Evangelie. Wie in Jezus gelooft, kan en mag Gods bondgenoot zijn. Mee bevrijden.
Toch bekruipt mij een gevoel van vertwijfeling. Al klinkt het een beetje gek maar we weten meer van de wereld van wat daar gaande is dan Jezus in zijn tijd. We hebben weet van een tweede en derde wereld, van vele volkeren, van de ellende van miljoenen, de armoede en honger op wereldschaal, van de miljoenen ontrechten, corrupte leiders, daklozen, vluchtelingen, een veelvoud, die we niet kunnen bevatten en ons een machteloos gevoel geven. Kan de wereld wel gered

worden? Ofwel: zijn er wel genoeg die in Jezus geloven? Ik moet denken aan het verhaal van Abraham, die met drie engelen op weg was naar Sodom en pleit voor de redding van die stad omwille van enkele rechtvaardigen. Al zijn het er maar tien, vraagt Abraham, spaar dan toch die stad omwille van die tien. Maar het waren er geen tien en de stad werd met de grond gelijk gemaakt. Zo verging het ook Israël omdat zij zich vrolijk maakten over de profeten aan hun boodschap niets gelegen lieten: De tempel werd in brand gestoken, de muren van Jeruzalem geslecht, het volk weggevoerd in ballingschap.
In het verhaal van Abraham zit wellicht ook het antwoord besloten hoe te reageren op ons gevoel van machteloosheid en vertwijfeling. Dat is: je toe-vlucht nemen tot het gebed, je machteloosheid niet verdringen, maar tot gelding laten komen in het gebed, daar je onmacht onder woorden brengen, opdat het hart niet wordt verhard en wij onverschillig worden voor al dat leed. De waarheid doen houdt dan ook in: vertrouwen stellen in God en overgave. Opzien naar Die hoogverheven is, de Gekruisigde, de Redder bij uitstek, Opzien naar Hem, zoals eertijds de Israëlieten naar de opgeheven slang in de woestijn, en zij zo redding vonden, behoud van leven en toe-komst.
De waarheid doen houdt nog een derde element in. Dat lees ik in de laatste regel: "Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet." Het geloven in Jezus wordt vaak tot een privé-zaak gemaakt. "Dat ik geloof gaat een ander niets aan, dat is iets tussen God en mij." Het geloven speelt zich af in het verborgene, is niet zichtbaar naar buiten. Daarmee wordt ook versluierd Gods werkzaamheid in wie in Hem gelooft. Het valt me op bij het bidden van de psalmen, iedere dag weer, hoezeer de psalmist niet moede wordt God te loven en te prijzen, en Hem alle eer te geven, wat hem of anderen aan goeds overkomen is. Ie-dereen, de gehele gemeente, moet zijn dank jegens God horen. Het enige wat nu wel naar buiten komt, zijn de misstanden in de kerk, de kritiek op de kerkelijke leiding, het falen van de individuele gelovige. Van belang is, dat wij Gods werkzaamheid herkennen in elkaar, in ieder die de waarheid doet, in ieder die wonderen van liefde verricht en dat wij, ieder voor zich én sa-men, met elkaar God danken en loven.
Wij leven in deze veertigdagentijd naar het licht van Pasen toe, waarin Gods liefde zichtbaar wordt, zijn uiterste wil om ons te redden. Onze gedachten en ons hart worden gericht op Gods werkzaamheid, die in Jezus' trouw aan de wil van de Vader zo sterk aan het licht komt. Mogen zij ons meer en meer inspireren tot het doen van de waarheid en wij zo daardoor in Jezus' naam bijdragen aan de redding van de wereld. Amen.
P. Minke


5e zondag van de veertigdagentijd

eerste lezing: Hebreen 5,7-9
tweede lezing: Johannes 12,20-33

Wanneer in deze kapel een begrafenis plaats vindt en ik ben erbij, dan draag ik op het einde altijd het kruis. Met het mooie processiekruis dat we daarvoor hebben loop ik voor de kist en de stoet uit de kapel uit naar de wachtende auto, of naar het kerkhof of grafkelder. Het is de laatste gang, een droeve gebeurtenis, pijnlijk, vol rouw. Maar ik heb tegelijk het gevoel dat ik vooraan loop met een zegeteken. Een overwinningsteken. Een mens heeft zijn tocht volbracht, een mens is gestorven in Christus, en wij leggen de overledene in de handen van de levende God.
De evangelist Johannes knikt hierbij goedkeurend, denk ik. Voor hem is de tocht van Jezus naar zijn dood op het kruis allereerst een triomftocht. Het kruis, een vreselijk martelwerktuig, wordt een troon voor de Messias. Hij wordt daarheen omhoog geheven. Vanuit die troon gaat Jezus iedereen naar zich toe halen. Of zoals de brief aan de Hebreeën, (joodse christenen) het zegt: hij wordt een 'bron van eeuwige redding'
Noch Johannes noch deze brief ontkennen de pijn en de onmenselijkheid van de kruisdood. Ze ontkennen niet de angst van Jezus oog in oog met deze vreselijke dood.. Jezus is letterlijk doodsbang. En toch beschrijft Johannes tegelijk zijn gaan naar het kruis als een reddende overwinningstocht. Er is een buitenkant, het voor iedereen zichtbare gebeuren van zijn lopen met het kruis en zijn openbare executie. En er is een binnenkant, niet zichtbaar met het oog, wel zichtbaar voor het oog van het geloof, het vertrouwen in God. En dat geloof zegt: hier deelt een mens zich uit zoals God zich uitdeelt.
Het verhaal - als je het zo mag noemen, begint met de komst van de Grieken, Hellenen. Ze zijn 'proselieten', heidenen van oorsprong, die zich tot het jodendom aangetrokken voelen, maar geen raad weten met de besnijdenis en het onderhouden van de talrijke geboden en verboden. Zij willen Jezus 'zien' dwz in hem geloven, en ze spreken daarvoor de leerlingen met de Griekse namen aan. Dit is de vervulling van een oude profetie: als de heidenen naar Jeruzalem komen met geloof in het hart, dan breekt de tijd aan van het koninkrijk van God, van de tijd dat God werkelijk regeert over de wereld en iedereen tot zijn/haar recht zal doen komen. Hun komst maakt Jezus zich ervan bewust dat zijn uur is



aangebroken. En dat zijn dood, hoe verschrikkelijk ook, ertoe zal leiden dat hij bekend wordt, niet alleen onder de joden, maar onder alle volken. Hij zal allen tot zich trekken en voor allen een bron van redding zijn. Ter verheldering geeft hij ons die kleine tekst van de graankorrel.Wanneer mensen sterven in de grond als een graankorrel, dan zullen ze veel vrucht dragen. Wie zich uitdeelt aan anderen, zich geeft aan anderen, een bron van leven is, vermeerdert zijn leven. Hij deelt uit, hij zaait zichzelf als graan en draagt rijke vrucht. Wat in hem is, groeit ook op in anderen. Hij, zij vermeerdert zich, wordt meer dan hij/zij zelf is. 'Wie zijn leven niet het belangrijkste vindt, behoudt het.' De macht van het zelfbehoud tot elke prijs, deze begeerte die als een vorst de wereld en ons leven beheerst, verliest zijn kracht, wordt uitgebannen. Die drang jezelf te behouden vóór alles en iedereen brengt het moorden in onze wereld, het bedriegen, liegen en stelen, het weigeren solidair te zijn met ouderen.
Jezus is bereid zijn leven neer te leggen, zichzelf te verliezen, zijn leven uit handen te geven als consequentie van zijn leven dat in het teken stond van delen, van zaaien, sterven en rijke vrucht dragen. Hij gehoorzaamt, geeft gehoor aan God die zichzelf wil meedelen. En terwijl hij eenzaam sterft op het kruis, trekt hij allen aan.
Leven dat wordt opgegeven, zelfbehoud dat wordt opgegeven - opdat anderen leven kunnen. Dood dat leven voortbrengt. Een kruis om te doden dat een bron van leven en een troon ter overwinning wordt. Het zijn grote woorden, diep gedachten, vreemde beelden.
Wie zijn dienaar wil zijn, of liever, een dienaar wil zijn zoals hij en hem volgt, zal op een of andere manier diezelfde gang gaan. Hij, zij zal leven delen met anderen, ruimte maken voor hen, inschikken wanneer nodig. Leven verliezen zoals een graankorrel en vrucht dragen.
We zullen hopelijk geen gewelddadige dood sterven. Misschien sterven we vredig en rustig, misschien takelen we helemaal af. Ook dit laatste verschrikkelijke maakt deel uit van ons leven, en misschien geven we daarin veel meer aan anderen dan we denken. Ik weet het niet.
Maar mocht U vóór mij sterven en hier worden uitgedragen, dan zal ik, zolang dat mogelijk is, het kruis voor U uitdragen. En ik hoop dat anderen het voor mij zullen doen wanneer ik gestorven ben. Een kruis dat herinnert aan de pijn in ons leven, maar tegelijk een teken van overwinning is.

André Lascaris o.p.


  Palmzondag

eerste lezing: Jesaja 50,4-7
tweede lezing: Marcus 14,1-15,47

derde lezing: Marcus 11,12-18

Lieve mensen,
Vandaag is het Palmzondag en dan zou je kunnen denken, dat de tekst van het evangelie gaat over Jezus in Jeruzalem een paar dagen voor het laatste Avondmaal, zijn lijden en de dood en dat Pasen gaat over zijn verrijzenis. Maar als we dat denken, dan staan we op het verkeerde been, want Johannes schrijft in feite over een keer, dat Jezus kort na de bruiloft van Kana voor het joodse paasfeest in Jeruzalem was. Het was niet de laatste keer.
Iedere Jood, die naar Jeruzalem kwam ging natuurlijk naar de tempel. De tempel was voor de joden de heilige plaats bij uitstek, daar was God dus we kunnen zeggen, dat heiligheid daar geconcentreerd aanwezig was. Door die heiligheid moest het hele volk en elke jood afzonderlijk zich onderscheiden. Het wordt heel kort samengevat in een tekst van het boek Leviticus (19:2): "Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig."
Ik weet niet hoe u reageert op die tekst. Misschien klinkt die u wel vreemd in de oren, maar ik durf te beweren, dat Jezus die tekst ettelijke keren gehoord heeft in de synagoge.
'Heilig' heeft niets te maken met een moralistische invulling van heiligheid, in de zin van uitmuntend, een tien met een griffel, onberispelijk, steeds precies zoals het hoort, dus laten we eerlik zijn: nuchter, sober, saai en bleek.
'Heilig' slaat ook niet op een soort van heldhaftigheid, op grond waarvan bepaalde mensen na hun dood in een pauselijke lijst van figuren worden opgenomen, die ons tot voorbeeld zouden kunnen dienen. Want om heel eerlijk te zijn kan ik niet geloven, dat er maar één echtpaar in de hemel is. Wel kan ik u vertellen, dat er maar één echtpaar heilig is verklaard.
Heilig betekent: schitterend, afkomstig uit een andere sfeer, anders dan het vertrouwde, apart. Zo is Jahwe heilig in de zin dat God anders is dan de bekende, vertrouwde goden. Een god die geen offers eist en die er niet op uit is mensen voor zich te laten opdraaien. Deze God gunt mensen het leven, en wel ten volle. In die zin dient ook de joodse gemeenschap heilig te zijn: niet in moralistische zin, maar heilig in de zin dat ze anders leven, met andere normen en waarden dan die welke in onze wereld succes verzekeren.
Maar wat betekent het concreet, dat we de opdracht hebben ontvangen om heilig te zijn, om anders te zijn, om apart te zijn? We weten allemaal hoe mensen zijn. We willen het graag duidelijk. Precies omschreven. Van wie dienen we ons apart te houden? Van de heidenen met hun afgodsbeelden, dat is duidelijk. En van de Samaritanen, natuurlijk: die zijn

 

 

ook helemaal van het rechte pad afgeweken. En de zondaars en tollenaars: die horen er ook niet bij. En al diegenen die hun voeten vegen aan de voorschriften en spelregels, van al diegenen die op de een of andere manier als onrein werden beschouwd In de loop der jaren was men inderdaad tot heel duidelijke afbakeningen gekomen: wie wel en wie niet beantwoordden aan de heiligheidswet.
Heiligheid was geëvolueerd naar een systeem en dat werd geregeld door een heel pakket van voorschriften.
De tempel, het centrum van de nationale reinheid, is daarvan het symbool. Hier dient alles nauwgezet volgens de regels te verlopen.
Dan komt Jezus in Jeruzalem om het paasfeest te vieren. Niet voor de eerste keer en niet voor de laatste. Hij ziet het tempelplein met de kooplui en de kopers. Van alles en nog wat is er te koop voor mensen die hun religieuze plichten komen vervullen. Laten we niet te vlug oordelen en zeker niet veroordelen. De vele mensen, bedevaartgangers, die soms van heinde en verre kwamen, konden daar hun offerdieren kopen. Het was niet nodig om ze mee te brengen. Ze konden daar Romeinse munten wisselen voor joodse munten, want alleen daarmee kon je de tempelbelasting betalen.
In dit gebeuren komt op een heel korte manier een van Jezus' grondintenties tot uiting. Het huis van God moet een huis van gebed voor alle volkeren.
Dat is pas anders. Dat beantwoordt aan Gods heiligheid. Dan is het gedaan met de hokjes waarin mensen elkaar opdelen als goed en minder goed, als orthodox en minder orthodox, of zelfs onorthodox, uitverkoren en tweederangs. Het huis van God moet de plaats zijn waar alle volkeren samen komen: een ontmoetingscentrum waar alle mensen zich thuis mogen voelen met behoud van hun eigenheid.
Dit project is tot op heden geen werkelijkheid geworden. Als het huis van God een marktplaats is geworden dan is het niet heilig en zo is het niet bedoeld.
Daarom praat Jezus ook over het afbreken van de tempel van Jeruzalem voor zover die een rem geworden is op wat God wil bewerken, nl. het verzamelen van alle mensen. Jezus zal de tempel doen herrijzen, zoals die moet zijn. Hij zal zich laten doden opdat werkelijkheid zou worden wat hem ten diepste bewoog: het hele volk bijeen brengen in een nieuwe verbondenheid van zusters en broeders. Dan zal er een einde komen aan de verdeeldheid die mensen in hokjes vastzet, op grond van afkomst of beroep, op grond van hun verleden.
Wij worden uitgenodigd om te proberen tot eenheid en gemeenschap te komen.
Dat is de blijde boodschap van vandaag. Moge dat werkelijkheid worden in het leven van ons allemaal.
Antoon Boks


  Witte Donderdag

Johannes 13,1-15


Wat is er nu meer gewoon en vanzelfsprekend dan een tafel? In elk huis staat er een en mensen gaan eromheen zitten om samen te eten, waarbij dan allerlei verhalen over dingen die er op een dag gebeurd zijn verteld worden. Zo herinner ik mij uit mijn jeugd dat wij onze moeder graag lieten vertellen over de oorlogstijd en haar fietstocht in de hongerwinter naar de Achterhoek, waar een oom pastoor was en zij eten voor ons gezin haalde. Nog steeds gebeurt het herhaaldelijk aan tafel dat wij in de communiteit verhalen vertellen over medebroeders die een bijzondere indruk op ons hebben gemaakt of door hun manier van doen eertijds nog steeds onze lachlust opwekken. Bij die verhalen aan tafel kunnen mensen zich verbonden voelen in de vertrouwde kring die een gezin of gemeenschap is.
Maar er zijn ook tafels die het gemis aan mensen wakker roepen omdat zij er niet meer zijn of tafels die leeg zijn omdat er honger en dorst is en mensen niets hebben om te eten. Die tafels roepen vervreemding, gemis en verdriet op! Op veel plaatsen in de wereld staan er tafels leeg.
Vandaag staan er twee tafels in ons midden. Het zijn beelden voor twee werelden: de een roept het bittere verhaal op van mensen die onder-drukt werden in Egypte door een koning die eigenlijk geen naam had en in het verhaal dat Janneke ons verteld heeft een 'rot koning' wordt genoemd. Het ging daar om een leven dat geen leven is, een wereld waarin mensen niet bekommerd zijn om elkaar maar willen heersen over elkaar, koning kraaien. Daar smaakt het leven bitter als gal en verzuren mensen tot on-mensen die alleen maar om zichzelf bekommerd zijn.

 

 

De andere tafel wil ons laten zien hoe het leven van mensen er werkelijk uit kan zien: daar wordt gedeeld en bewijzen mensen elkaar een dienst door elkaar het gevoel te geven dat de een niet meer is dan een ander. Hoe mooi komt dat tot uitdrukking in wat wij Jezus zien doen: hij wast de voeten van zijn leerlingen zodat zij verfrist worden. Het leven van echte mensen wordt niet beheerst door macht en geweld maar door de eenvoudige vraag: 'wat kan ik voor je doen?'
Aan die tafel wordt met een eenvoudig gebaar duidelijk gemaakt wat het diepste geheim van leven is: niet onderdrukken, niet elkaar verkopen of verraden maar in vrijheid en verbondenheid elkaar eerlijk dienen!
Waar mensen zich gehoord en gezien weten - zo goed als God zijn voor elkaar - worden zij herschapen en verkwikt. Daar wordt als in een flits, de Verborgene zichtbaar onder ons als de lieve levensbron die in ons ruimte maakt voor de vraag: 'mens, waar ben je, waar is je zus, je broer?' Dan verdwijnt dat 'rotte land' en ontwaakt in ons het verlangen naar een nieuwe wereld, het visioen dat maar niet wijken wil uit ons hart: 'mensen in vrede, hier en nu en al het oude is voorbij'. Laten wij ons scharen rond de tafel van die nieuwe wereld waarin wij in een nieuwe verbondenheid aan elkaar gegeven en toevertrouwd worden!
En Marije mag voor ons allen daarvan het toonbeeld zijn want als wij worden als kinderen zullen wij in die nieuwe wereld binnen gaan!

13 april 2006, Henk Jongerius


  PAASWAKE

eerste lezing: Handelingen 10,34a-43
tweede lezing: Marcus 16,1-8

Paaswake 2006
Hij is niet hier!

Uit hun namen blijkt, dat alleen de vrouwen uit Galilea op weg zijn naar het graf. De andere vrouwen, die uit Juda, zijn gewoon verdwenen. Marcus begint zijn evangelie in Galilea en eindigt daar ook. Dat is belangrijk te weten. Galilea was in die dagen een woeste landstreek vol politieke vluchtelingen, rovers en moordenaars, huurlingen en verzetsstrijders tegen de Romeinse overheersing. Maar het was ook een weergave van een mengelmoes aan godsdienstige stromingen: Joden, Samaritanen, Romeinse proselieten, Grieks georiënteerde humanisten en andere levensbeschouwingen. Wat onze wereld in het groot laat zien wordt weerspiegeld in het kleine Galilea. Het gaat bij Marcus niet om Juda of Jeruzalem. Het gaat om de redding van de wereld. De gang van de vrouwen naar het graf is niet gewoon of vanzelfsprekend, maar een op weg gaan naar een nieuwe ervaring, een nieuw besef, ja zelfs naar wat vreemd is en niet van deze tijd lijkt.
We moeten ons eerst bevrijden van een mogelijk misverstand. Het lijkt erop of het evangelie na de dood en graflegging van Jezus gewoon verder vertelt wat er gebeurd is. Er is een nieuwe dag aangebroken, de zon gaat op, en omdat er op de sabbat niet gebalsemd mag worden, gaan de vrouwen dat op de eerste werkdag alsnog doen. En terwijl ze erheen lopen denken ze aan die grote grafsteen. Bij het graf aangekomen blijkt het leeg te zijn. Alleluja, zeggen we, de heer is verrezen! We luiden de klokken, vieren feest, zingen dat het een lust is en gaan vervolgens over tot de orde van de dag. Alles is immers goed afgelopen. Jezus heeft de dood overwonnen. Dat is een prettige gedachte voor hen, die dat wel willen geloven.
Maar zó helder is het niet, want dan hebben we van de tekst een bericht gemaakt. Doch een bericht is iets anders dan een boodschap, dan verkondiging en dan de oproep tot een nieuwe manier van denken.

Misschien is de heenweg naar het graf nog een gewoon verhaal. De vrouwen houden van hun nu dode Jezus, willen zijn begrafenis passend afronden en nog een wijle bij hem toeven. Wij kennen deze gevoelens en emoties. Maar direct bij aankomst is het raak. De vrouwen slaan hun ogen op. Zij beginnen te zien, te doorschouwen. Zij geraken in een andere wereld. Het is een open graf geworden, want de steen is weg. En rechts van de plek, die toegang gaf tot de oude wereld, zien zij een jongeling zitten. Deze is gekleed in een blinkend wit kleed. Als we terugbladeren in het evangelie, lezen we dat bij de arrestatie van Jezus een jongeling aanwezig is, gekleed in fijn lijnwaad. Men wil hem vastgrijpen, maar hij ontkomt door zijn kleed achter te laten. Naakt vlucht hij weg, naakt zoals de naakte Jezus, van alles berooid. Als we Jezus willen volgen zullen we het kleed van de oude mens moeten achterlaten. Men neemt aan dat deze jonge man Marcus is, de evangelist. Hij moet geen verslag doen van Jezus' leven en lijden, maar verkondigen, dat God deelt in de nood en het lijden van kleine mensen, verscheurd, misleid, misbruikt, gevangen gehouden in de greep van onrecht en hebzucht. Deze jonge man, die geroepen is de boodschap van uittocht en bevrijding in onze zelfgenoegzame wereld te doen klinken, zit nu, nu de vrouwen zien, rechts van het graf, dat geen graf meer is. Hij zit aan de rechterkant, omdat hij geroepen is de

 

behoeder van een nooit vermoede boodschap te zijn. Want de vrouwen, én - als ook wij willen zien - wij met hen, staan niet te kijken naar een merkwaardig tableau, een spannende gebeurtenis of een sensationeel verschijnsel. We zijn niet verbaasd over dingen, waarvan je een boeiende fotoreportage kunt maken. We raken ontsteld door wat er wordt verkondigd. Daarom zit daar die jonge man, de evangelist, die getuigen moet, aan de rechterzijde van het graf.
En dan, dan verkondigt hij de nieuwe werkelijkheid. Hij zegt tegen ons: als jullie op zoek zijn naar Jezus van Nazaret, dan moet je hier niet zijn. Jezus van Nazaret is gestorven. Zoals hij eens in ons midden heeft geleefd:…dat is voorbij. Hij is niet hier! En als we willen zien én omdát we willen zien, worden we overvallen door een nieuwe werkelijkheid. De boodschapper zegt:: hij is opgewekt!

Zo'n boodschap is wereldschokkend. Daarom spreekt Matteus in zijn evangelie over een aardbeving. Van onszelf uit hebben we niets gezien en niets gehoord. Dit gaat de grenzen van ons denken en bestaan te boven. Je kunt een kind in de moederschoot ook niet duidelijk maken wat daar buiten plaats vindt Het moet eerst geboren zijn om beweging en gaan, zien en kleuren, horen en geluiden te ervaren en leren te verstaan. Die nieuwe geboorte is Jezus in zijn opwekking overkomen. Omdat hij betrouwbaar is mogen we ook zijn getuige vertrouwen. Omdat hij in zijn aardse bestaan heeft gesproken en gehandeld, kunnen wij ook het evangelie van Marcus vertrouwen. Er bestaat een wereld, die groter en gaver is dan de moederschoot van ons bestaan in deze wereld.

Deze boodschap moet klinken binnen de grenzen van onze kwetsbare en verdeelde samenleving. Daarom zegt de jongeling: gaat heen, zegt aan zijn leerlingen en aan Petrus dat hij u voorgaat naar Galilea; daar zult ge hem zien, zoals hij u heeft gezegd!
Het vervolg krijgt nu betekenis. Wij horen dat de vrouwen naar buiten weten te komen en weg vluchten van het graf: want siddering en ontzetting heeft hen bevangen; en ze zeggen aan niemand iets, want zij zijn bevreesd! Als een kind net geboren is, schreeuwt en huilt het. Het is weggehaald uit een vertrouwde en beschermde omgeving. Die geweldig grote en volkomen nieuwe ruimte, die het nu is binnen gegaan, is vreemd, niet zo maar te vatten, ja in eerste instantie misschien wel bedreigend ten opzichte van de kleine wereld, de baarmoeder, die het juist ongevraagd heeft verlaten. Marcus verhaalt deze ervaring kort en indringend. De vrouwen weten buiten te komen, dat wel, maar ze kunnen nog niet navertellen hoe. De moederschoot van de oude wereld - in de gestalte van een leeg graf - hebben ze achter zich gelaten, maar hoe? Welke mens herinnert zich zijn geboorte? Dus zeggen ze niemand iets. Siddering en ontzetting houdt hen nog gevangen. Ze zijn bevreesd.
In dit uur houden wij hier de paaswake. Onze paaswake, want we zijn met velen. Zo moet dat ook zijn, want we hebben elkaar nodig, om met het geheim van een nieuw bestaan te leren omgaan. We moeten elkaar helpen, en aanmoedigen waakzaam te zijn en te blijven. De boodschap mag niet verdampen. In deze nacht maken we een nieuw begin en gaan met de vrouwen, met hun verwarring, vrees, maar ook hun blijde verwachtingen op weg. We hebben weer vertrouwen in de toekomst en we zingen: alleluja. De Heer is waarlijk opgestaan!

(15/16 april 2006) Ernst Marijnissen o.p.



  PAASZONDAG

Lieve mensen,

Vandaag begin ik een beetje als een schoolmeester, maar ik hoop te eindigen zoals het hoort: als prediker van de blijde boodschap. Bijna zeker hebben we allemaal ons favoriete verrijzenisverhaal. Is het de verschijning op de weg naar Emmaus? Of die van de bovenzaal als de twijfelaar Thomas tot geloof komt? Hoe denkt u over het gesprek van de huilende Maria Magdalena in de tuin? Of het verhaal dat Jezus zorgt voor het ontbijt voor zijn leerlingen die aan het vissen waren? Zo goed als zeker is het verhaal van vandaag er niet bij, want er komt geen verrezen Christus in voor.
Het lijkt ook niet af. Toch is het de Evangelielezing van Pasen en is het een verhaal van de verrijzenis, want er is één leerling die, zonder de verrezen Christus gezien te hebben, "zag en geloofde."
Wat krijgen de leerlingen te zien bij het graf? Een leeg graf en wat begrafeniskleren. Meer zagen ze niet. Maar voor "die andere leerling," was dat genoeg. "Hij zag en geloofde." Hoe kon dat nou? Wat voor "bewijs" had hij? Wat voor bewijs hebben wij dat Christus van de doden is verrezen? We kwamen vandaag naar de kerk en zagen daar dat krachtige symbool van deze dagen---het kruis. Het is een leeg kruis, met bloemen van de kruishulde van vrijdag en die witte doek over de twee armen. Geen bewijs voor ons nu. Wij kijken net als de leerling. Zien we? Geloven we zoals hij geloofde? We hebben geen overtuigend bewijs, tenminste niet wat we zouden willen om ons te overtuigen, dat Christus is verrezen.
Eigenlijk is het net andersom; onze wereld komt met een paar sterke en schijnbaar overtuigende argumenten tegen ons Paas-geloof. Voelen we ons niet een beetje naïef, als we ons geloof belijden tegen onze moderne, "wereldwijze" vrienden? Lijkt ons geloof niet een beetje bleek tegenover de mensen, die door zoveel zijn gegaan en hun twijfel, frustratie en boosheid uitgesproken hebben? Ze protesteren: "Als Hij leeft, waar was Hij dan toen ik Hem nodig had?" Net zoals de leerlingen keken naar een leeg graf, kijken wij nu naar een leeg kruis, weten we dat we bang zijn en dat de wereld rondom ons beredeneerde twijfel heeft. Net zoals de leerlingen bij het lege graf hebben wij geen overtuigende bewijzen voor ons geloof in de verrijzenis.
Steeds weer waren er mensen, die overtuigende argumenten naar voren brachten om te verklaren wat er op die Paasmorgen gebeurd is. Sommigen verklaarden, dat de leerlingen het lijk hebben gestolen en daar een verhaal bij hebben verteld. Anderen komen vertellen dat met de dood van Jezus zijn volgelingen de "betekenis van zijn leven" voor zichzelf begrepen en dat daarom "zijn geest in hen voortleefde." Maar wij die hier voor deze Eucharistieviering bijeen zijn geloven meer dan dat. We zouden kunnen zeggen met die zovaak gebruikte Psalm, "Dit is de dag, die de Heer gemaakt heeft, laten we ons

verheugen en blij zijn." Wat op die dag gebeurde en elke dag gebeurt, is Gods werk; God deed het onmogelijke voor Christus daar genieten wij van.
Die "beminde leerling" komt op een andere manier tot geloof. U weet allemaal dat dit de leerling is die iedere keer weer in het Evangelie volgens Johannes wordt beschreven als "die ene, die Jezus liefhad." Dat is de leerling, die naast Jezus zat bij het Laatste Avondmaal (13:23vv); die met Maria aan de voet van het kruis stond en aan wie Jezus vroeg om voor zijn moeder te zorgen (19:25vv). Volgens het verhaal van vandaag horen we dat die geliefde leerling de eerste was, die in de verrijzenis geloofde. Het geloof van die leerling is er al, toen er alleen nog maar een leeg graf en wat begrafeniskleren waren. De liefde van deze leerling voor Jezus had geen ander bewijs nodig; liefde had de weg geopend voor het geloof in de verrijzenis.
Hopelijk ontdekken we de verrezen Christus in de mensen, die wij liefhebben en die ons liefhebben. Dan herkennen we ook de liefde, die Jezus ons op het kruis liet zien in wat anderen voor ons deden en doen. Vanaf onze geboorte zijn er mensen geweest, die van ons hielden en die ons leerden hoe te geloven; zij openden de weg voor de verrezen Christus om ons leven binnen te treden. We hebben niet meer "bewijs" van de verrijzenis dan die leerlingen, die naar het lege graf keken. Maar liefde beweegt onze harten en die liefde heeft ons de kans gegeven te geloven dat Christus is verrezen en voor ons leeft. We hebben het verhaal van de verrijzenis leren kennen door liefde. Wij moeten die verrezen Heer voor hen weerspiegelen --- of ze nu familie, vrienden of onbekenden zijn, opdat andere mensen tot dit geloof, dat we vandaag vieren, mogen komen, of daarin versterkt worden als ze kijken naar de graven en het sterven in hun leven.
Alles bij elkaar zijn de verhalen over de verrijzenis, die we horen in deze paastijd nogal terughoudend. Ze gaan over afzonderlijke mensen of kleine groepjes, soms te midden van twijfel. Er zijn geen bliksemschichten of donderslagen om de twijfelaars te overtuigen of om grote groepen tot geloof te brengen. Eerder verschijnt Jezus aan zijn volgelingen om hun geloof, dat na zijn verschrikkelijke dood kapot was gegaan, te versterken. Zijn verschijningen zijn voor vertwijfelde, gedesillusioneerde en verslagen leerlingen. Wie het eerst geroepen zijn, moeten nu versterkt worden in hun geloof.
Dat is goed omdat wij ook moeten vechten met tekortkomingen en teleurstellingen. Wij hebben pijn geleden, zijn ontmoedigd en voelen ons soms staren in een donker gat, in een leeg graf. Maar wij hebben meer dan dat. We kennen de liefde van Jezus voor ons. Ieder van ons is "de beminde leerling" en wij "zien en geloven," ook zelfs als de tekenen tegen zijn. Wij mogen als gelovigen dankbaar zijn voor de getuige, die de tekenen van de dood had gezien en vanwege zijn liefde tot geloof kwam. Daarom hoorden we toch nog een verhaal over de verrijzenis en wij mogen het aanpakken als ons verhaal - een verhaal van geloof, geboren uit liefde.

Antoon L. Boks o.p.


   Paasmaandag

Mt 28,8-15

Het kan ons nauwelijks verbazen te lezen en te horen, dat de vrouwen ontzet en opgetogen tegelijk waren bij het bericht, dat Jezus uit de dood was opgestaan. Ontzet en opgetogen, met alle gevoelens daartussen in: angst en vreugde, verbijstering, hoop En geldt dat ook niet voor ons, als we ons reasliseren wat je zegt: De Heer leeft, Hij is opgestaan uit de doden, dat ook wij ontzet en opgetogen zijn? Dat ook in ons allerlei gevoelens over elkaar heen buitelen: hoop en twijfel, geloof en ongeloof. En dat vragen boven komen als: Dat kan toch niet? Zou het toch waar zijn? God, geve dat het waar is. Kan ik anderen overtuigen? Ja, ben ik zelf wel te overtuigen?
De vrouwen haasten zich naar de leerlingen met de boodschap dat Jezus is opgestaan en dat Hij hen voorgaat naar Galilea, waar zij Hem zullen zien. Onderweg verscheen hun Jezus. Was het om bij hen de vrees weg te nemen? Zijn eerste woord was: Wees niet bang. Of verscheen Jezus aan hen om hen te overtuigen, dat Hij waarlijk verrezen was, dat Hij leeft? Ook de Verrezene zei, net zoals de engel daarvoor: Ga mijn broeders vertellen, dat zij naar Galilea moeten gaan, daar zullen zij Mij zien. Zo maakte Jezus vrouwen tot boodschappers van het goede nieuws.
Tot tweemaal toe werd aan de vrouwen de opdracht gegeven om aan de leerlingen te melden, dat zij naar Galilea moesten gaan om Hem te zien. Het grootste deel van Jezus openbare leven, althans bij Matteus speelde zich af in Galilea. Daar hebben de leerlingen Jezus leren kennen, daar hebben zij gezien wat Hij deed, gehoord wat Hij verkondigde. Daar heeft Petrus beleden, dat Jezus de Messias was, de Zoon van de levende God, en heeft Jezus zijn lijden, dood en zijn verrijzenis op de derde dag aangekondigd. Het komt me zo voor, dat de opdracht om naar Galilea te gaan luidde: Ga naar de berg, waar Ik de duizenden heb gevoed met brood en vis. Ga naar Kafarnaum, waar Ik de lamme vergaf en weer liet lopen. Ga naar Jaïrus, wiens

 

dochter Ik uit de doden heb opgewekt. Beklim nogmaals de berg Thabor, waar Mozes en Elia Mij zijn verschenen. Ga naar al die plaatsen waar Ik geweest ben en de blijde boodschap heb verkondigd, waar Ik lammen heb doen lopen blinden heb doen zien en doven heb doen horen. Herinner je daar hoe Ik mensen heb getroost, hen nieuwe hoop heb gegeven, uit nood en pijn heb verlost, hun plaats heb teruggegeven in de gemeenschap. En je zult groeien in het geloof dat Ik leef, dat Ik ben opgestaan uit de doden en je zult je twijfel overwinnen en weer kunnen leven met nieuwe levenskracht. God is trouw. Jezus leeft. Hij leeft in persoon, niet slechts in de harten van mensen. Hij leeft niet slechts bij de gratie van de mens, die Hem herinnert, Hem gedenkt. De Verrezene is geen illusie, niet slechts een droombeeld, geen fictie. Bij zijn verschijnen aan de vrouwen grepen zij Hem bij de voeten.
Gebruikte de engel tegenover de vrouwen het woord leerlingen Jezus nam het woord broeders in de mond, toen Hij hen wegzond. Wie zijn die broeders? De leerlingen? Ongetwijfeld? Maar zij alleen? Ik denk, dat allen bedoeld zijn, die in Jezus geloven en op Hem hopen. U en ik, die vandaag met grote dankbaarheid Jezus'verrijzenis vieren. En ook ons geldt de boodschap: Ga naar Galilea. Daar zult ge Mij zien. Dat betekent: verdiep je in de boodschap, die gehoord en geschied is in Galilea. Overweeg keer op keer in het licht van mijn Verrijzenis mijn woorden en daden, Overtuig je van Gods trouw, van zijn liefde, van zijn barmhartigheid. En je zult groeien in het geloof dat Ik leef, dat Ik ben opgestaan uit de doden en je zult je twijfel overwinnen en weer kunnen leven met nieuwe levenskracht. Je zult niet langer zoeken naar de Gekruisigde omdat je weet: het graf is leeg.
Wij gedenken Hem. Tot gedachtenis aan zijn lijden, dood, en verrijzenis breken en delen wij het brood en laten we de kelk met wijn rondgaan. Zo komt Hij in ons midden en sterkt Hij ons met zijn Levenskracht. Laat ons zijn Heerlijkheid vieren met grote vreugde en dankbaarheid. Amen.

Paul Minke


   2e ZONDAG van PASEN

eerste lezing: Handelingen 4,32-35
tweede lezing: Johannes 20,19-31

Jezus begroet de leerlingen op de wijze waarop men destijds elkaar op straat groette: vrede. Door zijn handen en zijde te laten zien maakt Jezus duidelijk: jullie zien het goed; ik ben het echt; jullie angst weerhoudt me niet bij jullie te zijn. De leerlingen hebben zich afgesloten van hun omgeving, waardoor ze zich bedreigd voelen. Hun situatie doet denken aan onze kerken. Binnen is het er gezellig, veilig, kun je jezelf zijn, maar buiten praat je niet over wat je hierbinnen vindt en doet, want dan tref je ongeloof, meewarige blikken of zelfs sarcastische opmerkingen. Moeten we onze schroom afleggen en buiten vertellen, hoe fantastisch de kerk, deze kapel is? Nee; onze samenleving zit niet te wachten op prachtige gebouwen waarin mensen zich afzonderen. Als in de kerk werkelijk iets met mensen gebeurt moeten anderen buiten dit aan hen merken. We hoorden Jezus zeggen: "Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven." Binnen de rooms katholieke kerk werd deze tekst gebruikt om de noodzaak van het biechten te motiveren. Zo werd het helaas een tekst voor intern gebruik, want dit leidde niet alleen tot een scheiding tussen priesters die zonden vergaven en leken, maar ook sloot het de katholieke kerk af van de samenleving waarin zij vertoefde; alsof daarbuiten geen zonden gebeuren, respectievelijk we daaraan geen boodschap hebben. Binnen en buiten lopen in elkaar over, hangen nauw samen, weten we. We gruwen allemaal van de martelingen en vernederingen die we op foto's en videobeelden hebben gezien in Irak en Guantanamo Bay, door Amerikaanse soldaten. Onderzoek toont aan, dat de meesten van ons, mannen én vrouwen, in soortgelijke situaties zonder enig probleem ook zullen martelen en vernederen. Persoonlijk heb ik daarvoor geen onderzoek nodig; ik ken mezelf goed genoeg om te weten, dat ik hiertoe inderdaad instaat ben. En dan kan ik wel direct toevoegen: God verhoede dit, maar jullie en ik weten heel goed, dat God dit niet zal verhoeden. Wij zullen elkaar hiervoor dienen te behoeden. Een ander voorbeeld: ieder mens is uniek, enig; niemand is zoals ik ben. En toch kijken we tegen sommige mensen op, en op andere mensen neer; vinden we sommige mensen meer waard dan anderen. Gek hè, dat we dit doen, terwijl wij heel goed weten, dat het ene kind echt niet meer kind van zijn ouders kan zijn dan het andere. In de nabijheid van Jezus ervoeren mensen, dat er aandacht voor hen was, niet omdat ze dit verdienden, maar gewoon om wie ze waren. Je vraagt je af waar Jezus de kracht vandaan haalde om zo nabij te zijn, zo aandachtig te zijn ook naar mensen voor wie wij onze ogen sluiten of om wie we met een boogje heen lopen. Dit was geen prestatie of bijzondere verdienste van Jezus; God gaf hem de kracht en Jezus liet God helemaal toe in zijn leven. Dáárin was Jezus bijzonder. Vol van God zag hij in andere mensen ook het kind-zijn van diezelfde

God, en hij maakte dat kind in die mensen wakker. Dit maakte hem geliefd bij mensen die twijfelden aan zichzelf; dit maakte hem gehaat bij zelfverzekerde mensen, ook als deze hun zekerheid vonden in God. Jullie kennen dat wel: oppassen moet je voor mensen die je precies kunnen vertellen, hoe God eruit ziet, wat God doet en van je wil. Bij Johannes vind je deze zekerheid niet. Voor Johannes is de kosmos, de wereld die wij bevolken, donker en vijandig. Het is deze wereld met zijn hang naar zekerheid, uiterlijk vertoon, machtspolitiek, die niet tegen het op de mens gerichte oog van Jezus en zijn menselijk gedrag kan, en hem daarom kapot heeft gemaakt. Tomas was er niet bij op die eerste dag van de week. Zijn reactie hoorden we: eerst zien dan geloven, althans: zo kun je zijn woorden verstaan. Hij kreeg later de bijnaam van ongelovige Tomas, terwijl juist hij de vraag stelt die iedere gelovige zich zou moeten stellen: de vraag naar het verband tussen wat hierbinnen gebeurt en buiten in de wereld, waar de zo menselijke Jezus door mensen is vermoord. Wanneer Jezus opnieuw aanwezig is richt hij zich tot Tomas: leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij, m.a.w.: ervaar dat ik je nabij ben, zoals ik je vóór mijn dood nabij was. Geloven is voor Tomas geen aannemen van wat gezegd wordt, maar persoonlijk ervaren. Zien alleen is nog geen ervaring, geloven wat anderen of de kerk zeggen is nog geen vertrouwen. Vertrouwen kun je in deze wereld je niet eigen maken zonder lijden, twijfel, vechten. Tomas speelt zijn rol omwille van ons, die er immers ook toen niet bij waren en in dezelfde harde wereld leven als hij. Wanneer Tomas de tekens ziet, de signalen van onze wereld, is hij de eerste en enige bij Johannes, die Jezus met het woord 'God' aanduidt. Daarmee verbindt hij onze wereld met God, en God met onze wereld; verbindt hij wat wij hierbinnen in deze kapel ervaren met ons leven buiten, of beter gezegd: hij ziet in deze opgewekte Jezus het verband tussen God en de wereld, en is daarmee een uitnodiging aan ons om ons niet af te sluiten, maar hier de verrezene te ervaren om dan buiten van onze ervaring te getuigen. De centrale zin die we Jezus horen zeggen is: "Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend ik jullie." Jezus verwoordt hiermee, dat de bewustwording van je oor-sprong ook een opdracht inhoud, namelijk: getuigen van dit licht en in de samenleving de zonden weg nemen. Zonden zijn de vele obstakels die je weerhouden voluit te leven. Zonden benemen je het zicht op God en vervreemden ons van elkaar. Ik hoef jullie niet te vertellen dat het moeilijk is in onze samenleving ook echt samen te leven. Besef van jouw goddelijke oorsprong neemt de donkerte niet weg, maar doet je anders omgaan met hen tegen wie je oploopt; het zijn immers je zusters, je broeders. Denk aan de eerste lezing en hoe men daar samenleeft. Jezus heeft God toegankelijker gemaakt. Laat je hier in deze kapel door hem aansteken, door zijn Geest bezielen; ervaar Jezus, en je zult zelf merken dat je gedrag buiten verandert. Geloven wordt en is net als liefde kostbaar door het gebruik ervan in het leven van alledag. Doe dat, en je zult niet beschaamd worden.

Theo Koster o.p.


   3e zondag van Pasen

eerste lezing: Handelingen 3,13-19
tweede lezing: Lucas 24,35-48

Misschien had U gehoopt dat ik uit het Judasevangelie zou lezen. Het verschil tussen Lucas en Judas is twee letters. Het Judasevan-gelie is de laatste tijd sterk in de aandacht. Echt interessant is het niet. Het lijkt niet erg op onze evangelies. En iedereen is her erover eens: het is gnostisch, niet christelijk. 'Gnostisch' en 'gnostiek' ko-men van het Griekse woord 'gnosis', dat 'kennis' betekent'. Een van de overtuigingen is dat je als mens heil bereikt door kennis - dat klinkt erg modern - maar het gaat meestal om geheime kennis. Een tweede kenmerk is dat de gnostiek ervan overtuigd is dat de materie, onze stoffelijke werkelijkheid, ons lichaam, niet alleen het laagste is van het laagste, maar eigenlijk slecht is, en ontstaan is door een ge-brek aan kennis. De gnostiek kwam al op in de tijd van Lucas, al-thans het levensklimaat was zo. Dat betekende dat Pasen door ve-len werd gezien als het feest van de bevrijding uit het lichaam. Het li-chaam is maar een kleed. Met Pasen wordt dit kleed verscheurd en ben je vrij.
Lucas wil daar terecht niets van weten. De verrijzenis, Pasen, is niet dat je een geest wordt, of een spook en dat dit het ware mense-lijke leven is. Neen, Pasen is dat God toekomst geeft aan mensen in hun dood. Wat die toekomst inhoudt , weten we niet , want niemand van ons weet wat het is verrezen te zijn. Maar Pasen is geen verach-ting van het lichaam, neen, op een of andere manier bevestigt Pasen dat we goed geschapen zijn. We zijn lichamelijk, stoffelijk, verganke-lijk en dat is geen kwaad ondanks alle lijden dat er kan zijn, omdat we vergankelijk zijn. Door God zijn we gewild als lichamelijke schepsels Daarom .laat Lucas in zijn Paasverhaal Jezus als de ver-rezen heer verschijnen zo werkelijk dat de leerlingen naar hem kun-nen kijken. Bovendien eet hij met hen een stuk vis. Op deze plasti-sche manier maakt Lucas duidelijk: veracht je lichaam niet, het is de moeite waard. In feite heeft de kerk nog steeds moeite om dit inzicht van de evangelies, gezien ook de te grote terughoudendheid inzake seksualiteit. Lucas loopt zo gevaar Jezus voor te stellen als een ge-reanimeerd lijk. Neen, verrezen zijn is als 't ware een nieuwe schep-ping, een

herschepping, een doorbraak.
Pasen betekent wel een bevrijding, niet uit het lichaam, maar uit een vastgelopen bestaan. Lucas spreekt over vergeving van zonden. En in Handelingen zegt Petrus: U heeft gehandeld uit onwetendheid.
Zonden … onwetendheid? Waar gaat dit over?
We zijn allen mensen met min of meer vaste gewoonten, vaste reac-ties. Die vaste reacties zijn ontstaan in ons leven en hebben we vaak overgenomen van de generaties vóór ons . We weten niet beter. Een van die oerreacties is bijvoorbeeld: als iemand mij schade berokkent, doe ik schade terug. Elke dag in de krant lezen we over zulke reac-ties. We neigen ertoe meer te geloven in de effectiviteit van geweld dan in die van vrede. Daarom: laat die moordenaar vrij, die kan wat; laat de geweldloze Jezus maar sterven. Vaak kiezen we vreselijk mensen, misdadigers zelfs tot onze regeringsleiders; denk aan aan Berlusconi. Die reactie zit niet in de genen, maar wel in wat wij mee-krijgen vanuit het menselijk verleden. We kunnen vroegere genera-ties, onze ouders bijv. dit alles verwijten, maar door het ze te verwij-ten, doen we waarschijnlijk zelf precies wat wij hun verwijten.
Of we zeggen 'zij daar' ze zijn niet zoals wij', laat ze verdwijnen.
Of: we denken dat er niets wezenlijks kan veranderen in ons leven. We zijn te oud, te moe, te verwond of wat dan ook, en we denken: ons leven gaat alleen maar minder worden. Er is geen opstandigheid, geen opstand, geen verwachting. We zien geen andere mogelijkheid dan voor te sjokken op de weg die we al eindeloos lang belopen. We geloven niet dat er ongekende nieuwe mogelijkheden zijn.
We ontmoeten een Messias die geen Messiasfiguur is, geen charis-matische persoonlijkheid die alles in één klap oplost, maar een lij-dende Messias die slachtoffer wordt van deze traditie van 'als jij mij iets aandoet, dan doe ik jou wat aan' of 'weg met jullie' of 'er kan hier niets veranderen.' Een Messais die niet door de dood beheerst wordt en daarom onze 'leidsman' ten leven wordt.
Een leidsman - je kunt denken aan iemand die voorop loopt. Of aan iemand die achteraan loopt om de groep bij te sturen. Ik denk hierbij aan roeiers, een 'acht met stuurman'. Wij zijn de roeiers, we zien de eindstreep niet. We roeien erheen met onze rug ernaar toe. Maar we laten ons sturen door het verhaal van Jezus.Zo gaan we de toekomst tegemoet.
André Lascaris o.p.


   4de zondag van Pasen

Handelingen.4,8-12
Johannes 10,11-18

Om aan te voelen hoe spannend het is, moeten we weten in wat voor omstandigheden Petrus verkeerde, toen hij de woorden sprak, welke we in de eerste lezing hebben gehoord. Hij had in gezelschap van Johannes een lamme genezen, die bij de tempelpoort zat. Na diens genezing kon de man springend en zingend op eigen kracht de tempel binnengaan (zoals in Joh.5,1-15). Daarna sprak Petrus in de tempel tot het volk over Jezus van Nazaret, dat deze door God uit de doden was opgewekt en verheerlijkt. Terwijl hij verklaarde dat de lamme uit kracht van Jezus' Naam was genezen, wordt hij met Johannes gevangen genomen en voor de Hoge Raad geleid. Daar wordt hem gevraagd: 'Door welke kracht of in welke naam heb je dat gedaan?'(4,7). Dan antwoordt Petrus met de woorden, die we vernomen hebben. Ik noem de situatie spannend, omdat de genezing van de lamme een merkwaardige spanning oproept. Als je nu ziet, dat de ene mens de andere helpt, ben je dan niet blij? Als een mens niet meer vooruit kan door een lichamelijke ziekte, door overspannenheid, door de last van onze samenleving of de druk van gezins- of familie-omstandigheden, en er komt iemand, die je uit de put haalt en weer op de been zet: ben je dan niet dankbaar? Het merkwaardige is dat gewone mensen - dat betekent niet zelden mensen, die niet zo bestudeerd en geleerd zijn - dan inderdaad blij en dankbaar zijn. Leiders en gezagsdragers niet! De toeschouwers op het tempelplein verheerlijkten God en waren buiten zichzelf van verbazing over de genezing van de lamme. Als je wilt weten of iemand of iets goed is, kijk dan naar wat hij doet of wat er gebeurt. Mensen uit de put halen en weer op de been helpen is goed. In bijbelse taal noemen we dat tov!

Maar Petrus zegt ook nog iets anders. Op het tempelplein verkondigt hij dat de genezing van verlamde en verkreukelde mensen plaatsvindt in de Naam en uit de kracht van Jezus van Nazaret, de verrezen Heer. Deze Jezus wordt beleden als de zoon van God, omdat hij tot de ware broeder der mensen geworden is. Hij weerstond al die krachten in de samenleving en in het persoonlijke gedrag van mensen, waardoor armoede, honger, vervreemding, vervolging en dood ontstaan. Hij ging vol ontferming en dus bevrijdend met mensen om. Mensen weer op de been helpen was zijn lust en zijn leven. Precies zo vervult hij het Woord van God. Dat roept mensen immers op om


beeld van God te zijn, en dat betekent zoveel als: leven als zonen en dochters van één Vader, die de Ene is. Daarom mocht hij van zichzelf getuigen: wie mij ziet, ziet de Vader. Daartoe worden ook wij opgeroepen. Als we doen als Jezus van Nazaret, wordt ons ruimte gegeven om onszelf te worden en naar anderen om te zien zoals God zelf ook doet. Dat is zorgzaam zijn. Dan ben je een goede herder. Dan ontstaat er vertrouwen tussen mensen. Je kent elkaar bij de naam, dat wil zeggen: je weet van elkaar wie je bent, en dat voert op zijn beurt tot het juiste inzicht en het juiste omgaan met elkaar. Of je Jezus nu vanuit de Schriften kent of niet, waar het op aan komt is dat je metterdaad doet wat hij gedaan heeft. Niet de theorie beslist maar de praktijk van elke dag.

Daarom noem ik de situatie voor de Hoge Raad spannend. De leden van die Raad hebben geen belangstelling voor de genezen lamme. Daarmee hadden ze genoegen kunnen nemen, want er was welgedaan aan een gebrekkig mens. De weldaad wijst ook naar het goede van de verkondiging; ze was gedaan uit Naam van Jezus Messias, die zich als een broeder van mensen heeft geopenbaard en daardoor terecht zoon van God, dat is beeld van God, is geworden. Ook in de lamme mens is dat beeld hersteld. De Raad had zich kunnen verheugen, dat gewone en ongeletterde mensen het Rijk Gods zichtbaar hadden gemaakt door het een lamme, dat is een gekwetste mens, mogelijk te maken springend en zingend het huis van God, dat is zijn Rijk, binnen te gaan.
Maar de Raad was verstoord. Ze nam Petrus en Johannes gevangen. Deze vissers hadden zonder aanstelling en dus zonder bevoegdheid verkondigd en heil gebracht. Het was alleen aan de Raad om vast te stellen, wat heil is, waar het plaats vindt en wie het mogen bewerkstelligen. Ze voelen zich gepasseerd, deze hoge autoriteiten. Dan geldt niet langer het goede werk, maar de bevoegdheid en de leer. Hier treedt het rampzalige gedrag op, dat we zo vaak bij gezagsdragers moeten constateren. In plaats van herder te zijn en naar mensen te kijken gelijk God dat doet, hebben ze het druk met het bewaken van hun positie, het zich laten eren; met andere woorden: ze spelen voor leraar en meester, terwijl het hun roeping is mensen te dienen en ruimte tot levensvreugde te geven. Daar gaat het toch om: herder te zijn voor elkaar en elkander op de been zetten. Dan worden we voor onze medemens tot een spoor van licht in een dikwijls duistere en ontluisterde wereld. Niet goud en geld bepalen de toekomst van onze mensenwereld, maar een goed en gezond meelevend hart.

7 mei 2006 ernst marijnissen o.p.


  5e zondag van Pasen

Handelingen 9,26-31
Johannes 15,1-8

Lieve mensen,
Vandaag hoorden we Jezus zeggen: "Ik ben de ware wijnstok..." Als we nadenken over de beelden, die Hij gebruikt om zich te identificeren, leren we ook meer over wie Jezus is in ons leven. We worden nu herinnerd aan het feit, dat het leven van God door Jezus vloeit naar allen die met hem de ware wijnstok verbonden zijn. Als we een leven willen hebben dat vrucht draagt binnen in ons en in onze wereld, dan moeten we in Hem blijven. Dat kan klinken als 'voor wat hoort wat'.
Dieper nadenkend over het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus, realiseren we ons dat we door Christus met God verbonden zijn, maar dat garandeert ons niet dat ons leven gemakkelijk zal zijn. Niemand was sterker verbonden met de wijnbouwer dan Jezus, maar ook Hij moest door de "dal van de schaduw van de dood" lopen. Kijk maar eens hoeveel vruchten de vader uit Jezus' leven te voorschijn haalde door zijn lijden. Geloof in Jezus herinnert ons er aan, dat we door Christus met God verbonden zijn.
Ik kan wel zeggen, dat ik een paar keer verhuisd ben. Dat betekent: Afscheid nemen en zeggen: "We blijven met elkaar in contact". Contact met elkaar houden zorgt voor een goede relatie, maar dat is soms al moeilijk in een familie, als we onder een dak wonen. Contact verliezen betekent, dat relaties minder worden en soms helemaal verdwijnen. Dat komt ook in families, in gezinnen voor. Ook al verhuizen we niet naar de andere kant van de wereld, ook al leven we nog steeds in hetzelfde huis, dan nog kunnen we elkaar kwijt raken en wordt een warme relatie ijskoud.
Als Jezus ons zegt "in Hem te blijven," wil hij dat we contact houden. Zijn woorden kunnen ons voeden en ons leven leiden. Ons leven is niet in tweeën te verdelen. Ons leven moet eenheid vormen; dat kan, als we Jezus blijven zoeken in gebed en ons doen en laten. Hoe we ons leven vorm geven, wat we doen en hoe we denken moet verbonden blijven met wat we hier naar voren brengen. Jezus vertelt ons niet precies hoe we met Hem verbonden moeten blijven. Naar de kerk komen om zijn woord te horen en te worden gevoed met zijn leven gevend voedsel is één manier. Leren van het voorbeeld van onze zuster en broeder, die gelooft, is een andere manier. Heel veel dagelijkse dingen kunnen onze banden met Christus versterken. Er zijn zoveel mogelijkheden om verbonden te blijven met Christus. We mogen de Schriften lezen en er over nadenken; de sacramenten ontvangen, maar er zijn nog een heel aantal andere activiteiten die ons ook helpen. We kunnen zijn liefde voor ons als voorbeeld

 

nemen voor onze liefde voor de mensen in ons dagelijks leven. Dat mag iedereen zijn, natuurlijk ook onze vader en moeder ( en niet alleen op moeder of vaderdag), onze man of vrouw (en niet alleen op de trouwdatum), onze vriend of vriendin en niet te vergeten de kinderen. De mogelijkheden zijn oneindig en ieder van ons moet zijn eigen manier vinden om verbonden te blijven met Christus. Die manieren blijven ook niet hetzelfde: moeders en vaders sterven, maar ook zussen en broers, dus moeten we openstaan voor nieuwe mogelijkheden, die de Geest onze kant op blaast. Eén ding weten we zeker: onze bijeenkomst hier, iedere week, of eens in de zoveel weken is ook een manier om met Christus en de andere ranken verbonden te blijven, contact te hebben, een gemeenschap te vormen.
We zijn allemaal trots op onze onafhankelijkheid, onze vrijheid. "Afhankelijkheid" lijkt wel een vloek in ons woordenboek. We willen dat kinderen volwassen worden, op hun eigen benen kunnen staan; soms doen we een stap terug om ze die kans te geven. Alles goed en wel. Maar we moeten ook durven te leren van elkaar. Elkaar durven vertrouwen. Het is prachtig als we een gemeenschap vormen. Klein of groot. Binnenkort kijken 16 miljoen bondscoaches naar de verrichtingen van twee maal elf spelers. Niet alleen die elftallen, maar wij allemaal moeten iedere dag samenwerken als leden van een grotere gemeenschap. Jezus herinnert ons er aan dat we leven krijgen uit dezelfde bron. We delen en bevorderen dat leven door verbonden te blijven met God, die leven geeft aan vele ranken. Zo vinden we echt leven in Hem en met elkaar.
Als we verbonden zijn met dezelfde wijnstok, hoe kan de een zich dan belangrijker vinden dan de ander? Verschil in grootte, kracht en rijkdom maakt de ene rank niet belangrijker dan de ander. Wat we als individu bereiken, onze leeftijd, ons financieel succes, onze familie zijn geen redenen om te vinden, dat we belangrijker zijn dan anderen in onze gemeenschap.
Als we om ons heen kijken dan herinneren we ons, dat we allemaal ondanks onze verschillen verbonden zijn door ons geloof in Christus. In deze liturgie beamen we die verbinding en groeien door ons gezamenlijk eerbetoon - door het horen van het Woord en het ontvangen van het voedsel, dat ons in staat stelt in Christus te blijven. Ondanks onze verschillen hebben we ook veel gemeen. We zijn allemaal ranken gevoed door God door dezelfde wijnstok.
Ik vind het wel leuk om te praten over God als de "wijnbouwer" als een beschrijving van Wie God is en wat God doet. Het laat zien, dat God aan het werk is in ons leven door te zorgen, dat we groeien en goed worden, want deze wijnbouwer helpt ons elkaar werkelijk te beminnen door wat we doen.

Antoon L. Boks o.p.


  6e ZONDAG na PASEN

Handelingen 10,25-48
Johannes 15,9-17

De kwestie van het Nederlandsschap van mw. Hirsi Ali heeft deze afgelopen week het nieuws beheerst. In de kranten en de commentaren over haar leven en werk trof het me, dat welhaast door iedereen met grote bewondering gesproken werd over het feit dat zij erin geslaagd was een aantal thema's op de agenda te plaatsen, en dat zij een aantal taboes bespreekbaar heeft gemaakt of ter discussie gesteld. Vraagstukken rond islam en staat, de positie van de vrouw, de eerwraak enz., thema's, die ook na haar vertrek niet meer zullen verdwijnen uit het debat. Zij ziet zichzelf als een vrouw met een missie en laat zich niet intimideren. Zij was bereid drempels over te gaan, die anderen liever vermeden.
Terwijl al dit nieuws speelde las ik voor nu het verhaal van de Handelingen en zag ik ineens een parallel tussen wat Mw. Hirsi Ali deed en Petrus. Ook Petrus heeft niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk een drempel overschreden als hij zegt: "U weet dat het joden verboden is met niet-joden om te gaan en dat zij niet bij hen aan huis mogen komen maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen." Eeuwenlang hebben joden, zich be-wust van het feit dat zij Gods uitverkoren volk zijn, neergezien op de niet-joden. Zij werden beschouwd als afgodendienaars. Men vermeed de omgang met hen. Zij waren onrein en onrein was alles, wat uit hun handen kwam. Was omgang niet te vermijden, dan had je je te reinigen. Wat Petrus deed, was een eeuwenlang taboe doorbreken, een ongekende daad, waardoor ook de heidenen deel konden krijgen aan het evangelie van Jezus. "Nu begrijp ik pas goed, zegt Petrus, dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar dat Hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag heeft voor Hem en rechtvaardig handelt." Een weergaloze boodschap, die tot in onze dagen van grote betekenis is. Die ons ervan weerhouden moet ons te stellen boven wie anders denkt, vanuit een andere cultuur leeft, zijn geloof beleeft vanuit zijn eigen overtuiging. Met Petrus moeten wij wellicht ook drempels overschrijden waar wij een te beperkt zicht hebben op onze multiculturele samenleving, waar wij wellicht mensen veroordelen, die mijn/onze eigen opvattin-gen niet delen, waar wij wellicht mensen mijden, die van een andere kleur en spraak zijn.
Wat Petrus deed, was, wat Jezus zijn leerlingen vroeg in zijn afscheidsrede, namelijk: om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Op weg gaan, drempels nemen, bespreekbaar maken wat onbespreekbaar lijkt, aandacht vragen voor thema's en opvattingen ter discussie stellen die onrecht handhaven, mensen discrimineren, hun waardigheid ontnemen, hun leven bedreigen, aandacht ook voor thema's, die de toekomst en vitaliteit van de kerk aangaan, zoals b.v. het ambtsvraagstuk, de plaats van de leek in de kerk, de oecumene. Dit alles is niet


zonder risico's. Mw. Hirsi Ali heeft het ondervonden en nog steeds. Ook Petrus zal het ervaren en dreigde later toe te geven aan de jood-christenen dat bekeerden uit het heidendom eerst besneden, zeg jood, moesten worden, ware het niet dat Paulus in een felle discussie Petrus ervan weerhouden heeft.
Trouw aan je zending is slechts mogelijk als je gelooft in je missie. In zijn af-scheidsrede gaat het er Jezus om de leerlingen ervan te overtuigen, dat Hij hen niet loslaat, dat zijn liefde onlosmakelijk met hen verbonden blijft, dat Hij hen trouw blijft en dat zij dat zullen ervaren, tot hun vreugde, wanneer zij zelf vasthouden aan wat hij in zijn liefde hen heeft meegegeven; dat Hij hen nabij blijft zoals vrienden el-kaar nabij blijven, elkaar dragen, elkaar steunen in goede en kwade dagen, alle dagen lief en leed delen. En tegelijkertijd zegt Hij: "Dit draag ik jullie op: heb elkan-der lief."
Wie in naam van Jezus op weg gaat, drempels overgaat, maakt zichzelf kwetsbaar. Jezus wist dat als geen ander, Hij die op het punt stond uitgeleverd te worden. Je stoot op weerstand, op onbegrip, op afwijzing. mensen laten je vallen. Vandaar zijn appèl: Hebt elkander lief, zoals ik jullie heb liefgehad, en nog. Weet wel: onderlinge liefde is van groter gewicht dan wat ook in het leven, groter dan eigen overtuigin-gen, ook de geloofsovertuigingen die je koestert. Want als iemand ook nog eens alleen komt te staan, wordt hij/zij wel dubbel kwetsbaar. Het gevaar komt dan van binnenuit, uit jezelf. Je gaat aan je geloven twijfelen. Ben ik op de verkeerde weg? Heeft het nog zin dat ik doorga met wat ik doe? Draag ik nog bij aan het geluk en welzijn van anderen, van geloofsgenoten?
Wie zich te oud, te moe, te zwak voelt om op weg te gaan, drempels te nemen, kan in ieder geval zijn of haar steun geven aan de onderlinge liefde, en aldus meewer-ken aan een klimaat, waarin anderen de moed vinden op weg te gaan, nieuwe we-gen te gaan, nieuwe visies te ontwikkelen in de hoop en met de bede, dat zij vrucht zullen dragen, blijvende vrucht tot zegen van velen.
Wie de situatie van de Nederlandse Kerk en de Dominicaanse Provincie overziet weet hoezeer het nodig is nieuwe wegen te gaan, toekomst te scheppen. Die weet ook hoezeer de onderlinge liefde daartoe een kracht kan zijn. Die weet hoe belang-rijk het is, dat we met elkaar de overtuiging delen, dat wij mogen gaan onder de hoede van Jezus' liefde en van de Vader ontvangen, alles wat wij in Jezus' Naam Hem vragen: leven, toekomst, vrede en recht. Daarom: houd elkaar vast in liefde en vriendschap, wees eensgezind, draag zorg voor hen, die nieuwe antwoorden zoeken op nieuwe vragen. Bid om de Geest, dat wij elkaar daartoe mogen inspire-ren en bemoedigen en vertrouw op de liefde van Jezus Christus die geen drempels kent, waar het gaat om de verkondiging van de Blijde Boodschap voor allen. Amen.

Paul Minke o.p.


  Hemelvaart

Het boek Handelingen, waarvan we het begin hoorden, vertelt, dat de jonge christelijke gemeenten een betrouwbare voortzetting zijn van de geschiedenis
die met Jezus en zijn verkondiging van Gods koninkrijk begonnen is. Een belangrijk motief in het boek is, dat het christendom een rechtstreekse voortzetting is van Gods werk met Israël. Dat niet alleen Joden, maar ook niet-Joden kunnen deelnemen, is nieuw en wordt in Handelingen beschreven als het werk van de Geest.
Ondanks de vele verhalen die Jezus vertelde over het koninkrijk Gods, staan zijn leerlingen hiervoor nog niet open. Zij leven met hun gedachten nog in het verleden, zo blijkt uit hun vraag: gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen? Net als zij hebben ook wij de neiging om terug te kijken, en de toekomst te zien in het verlengde van het verleden, dat wat ons bekend is. Er is moed voor nodig onbevangen naar voren te kijken, de toekomst op je af te laten komen, en deze niet direct te vervormen vanuit ons verleden. Ouders moeten leren hun kinderen los te laten. Kinderen moeten leren met eigen ogen de toekomst tegemoet te zien, en niet met de ogen van hun ouders, of van hun omgeving. De dominicaanse gemeenschap zit momenteel ook in zo'n leerproces. Nieuwe kandidaten voor de orde zoals die was melden zich momenteel niet. Wil dit zeggen, dat er geen interesse meer is voor de idealen van Dominicus? Of kan het ook zijn, dat wij onszelf in de weg zitten, kijken vanuit de vertrouwde kaders en daarmee nieuwe mogelijkheden niet zien?
Er is moed voor nodig onbevangen te zijn, voor ons, voor de leerlingen toen. Die moed hebben zij nog niet. Wanneer de heilige Geest over jullie komt zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen, tot aan de uiteinden van de aarde, hoorden we Jezus tegen hen zeggen. En dan verdwijnt Jezus naar God, Hemelvaart.
De leerlingen en dus ook wij moeten zonder zijn directe aanwezigheid verder, zegt hemelvaart ons op de eerste plaats. Dit lijkt dramatisch, en is zeker zo gevoeld, maar is in feite een geschenk. De mogelijkheid om rondom Jezus te blijven hangen en je aan hem vast te klampen is weg. Dit was en is dus tegelijk dé kans om elders te getuigen van jouw ervaringen met Jezus. Zoals het heil niet in Jerusalem mocht blijven hangen, omdat het voor ieder mens bestemd is, zo mag dit heil ook niet in onze kerk blijven hangen.
Hemelvaart zegt hen en dus ook ons op de tweede plaats, dat Jezus niet snel zal terugkomen. Eerst moeten de leerlingen van Jezus met kracht van de Geest hun opdracht vervullen. Op deze opdracht kom ik zo meteen terug.

De reactie van de leerlingen op de hemelvaart is dat zij naar de hemel blijven staren. Deze neiging is ook ons bekend. Wij kijken niet naar de hemel, maar naar boven, naar wat de paus, de bisschoppen of anderen zeggen en doen, valt mij regelmatig op. Ben je een goed katholiek als je precies handelt naar de richtlijnen van Rome? Jazeker, en het voordeel is, dat je binnen de r.k. kerk voor niemand bang hoeft te zijn. Ben je dan ook een goed leerling van Jezus? Als je deze richtlijnen als wetten hanteert en je daarna gedraagt, is de kans groot, dat je afdwaalt en veraf komt te staan van het koninkrijk Gods. Natuurlijk is het belangrijk wat paus, bisschoppen of andere leiders zeggen en doen, maar zij hebben het heil niet in handen; dit heil is aan iedere leerling van Jezus toevertrouwd. Je kunt je dus niet achter paus en bisschoppen verschuilen. Dat doe je door hen klakkeloos na te praten; dat doe je ook door eenzijdig hen te verwijten, dat van Gods koninkrijk in en buiten de kerk zo weinig te merken is.
Wat staan jullie naar de hemel te kijken, krijgen de leerlingen te horen. Soortgelijke geluiden hoor ik in mijn werk met studenten en jongeren. Bij hen moet ik niet aankomen met wat paus en bisschoppen zeggen en doen. Ik ben voor hen interessant, om wat ik hen te zeggen en te bieden heb. Zelf ben ik verantwoordelijk voor wat ik zeg en doe. Dit geldt voor ieder van ons. Jezus is niet meer lijfelijk onder ons, en wij kunnen hem niet imiteren. Onze opdracht is het van hem te getuigen, met andere woorden: hem na te volgen. Je hebt geen enkel houvast, kunt je achter niemand verschuilen, en bent geheel en al aangewezen op jouw eigen persoonlijkheid, jouw aanwezig zijn. Jouw leven met alles wat je vertrouwd is staat voortdurend op het spel, als je naar voren gericht bent, op toekomst. Op toekomst zijn christenen gericht, want Gods koninkrijk ligt niet achter ons maar voor ons. Hoe deze toekomst er concreet uitziet weet geen mens, en dat maakt leven spannend.
In de vele situaties waarin je terecht komt ervaar je jezelf als kwetsbaar, net zoals de ander die je ontmoet, of deze nu bekend is of vreemd, kwetsbaar is. Voortdurend staat ons leven op het spel, en dat voelt zwaar, want ten diepste weten we, dat we ons zelf niet kan redden. Terugvallen op Jezus, ons verleden, onze kerk kunnen we niet. Aangewezen op jezelf kan het zijn, dat juist dan een ander die je ontmoet in jou iets van Jezus en zijn kerk ervaart; of andersom: jij in die ander Jezus tegenkomt. De Geest geeft ons de kracht om pretentieloos en toekomstgericht te leven.
Dat zovelen bang zijn binnen de kerk om gewoon zichzelf te zijn en zich te laten zien, angstig voor paus, bisschoppen, medegelovigen geeft mij een rot gevoel. Dit rot gevoel heb ik hier gelukkig niet. Ons samenzijn hier bemoedigt mij, en naar ik hoop ook jullie, houdt ons open voor de werking van Gods Geest. Kom o Geest, vervul ons met jouw kracht…
Theo Koster o.p.


7e zondag van Pasen

eerste lezing: Handelingen 1,15-26
tweede lezing: Johannes 17,11b-19

'God is liefde.' Ik beschouw deze woorden als de bekroning van heel de bijbel. Als de kroon op de discussie die de bijbel is, een gesprek dat wij voortzetten. Het zat er als 't ware van het begin al in. Zo schetst de profeet Hosea 8e eeuw v. Chr. de verhouding van God en het joodse volk als die van bruidegom en bruid. Van God wordt gezegd dat God barmhartig is tot in het duizendste geslacht, opkomt voor de zwakken, voor Abel ('nietsje'), voor weduwen en wezen. Maar daarnaast dat God jaloers is, wraak neemt tot in het derde en vierde geslacht. God beveelt mensen individuen te doden en groepen uit te roeien. Allerlei voorstellingen van God komen langs. De oorlogsgod wordt een God die opkomt voor het recht van iedere mens. En uiteindelijk schrijft Johannes hier: 'God is liefde'.
En daarmee moet alles wat over God gezegd is, opnieuw en anders gelezen worden. God is liefde betekent niet dat God naast almachtig, oneindig, alwetend, ook nog eens liefde is. Liefde is niet zo maar een eigenschap van God. Dit woord duidt aan wie God in eigen wezen is. Het is geen regel uit de catechismus, geen voorschrift, maar een ervaring, opgedaan in het verhaal van het joodse volk en van Jezus. Al die oude woorden: 'almachtig, alwetend, oneindig,' moeten we op een andere manier lezen. Want wie liefde is, wil niet eens almachtig zijn, gunt mensen en dingen, natuur en geschiedenis, vrijheid, ook al gebeuren er rampzalige dingen, en worden er slechte beslissingen genomen. Als je liefde bent, dan wil je niet alles weten en leg je jezelf beperkingen op.
We beseffen nauwelijks wat het betekent: 'God is liefde'. Als je kijkt naar de geschiedenis van het christendom, dan merk je dat deze woorden maar een kleine rol hebben gespeeld in het geloof. God bleef, - en voor velen blijft - een God van rechten en plichten, een God die bovenal eisen stelt. We hebben nog maar weinig ervaring met denken vanuit de overweldigende gedachte dat God liefde is.Van een oorlogsgod dreigt God nu soms een vriendelijk mannetje of vrouwtje op de straathoek te worden. En dat is een miskenning van de kracht die in de liefde schuil gaat. Als we enigermate willen weten wat 'God is liefde' betekent, dan moeten we naar Jezus kijken.

In het evangelie bidt Jezus voor ons tot God. - Dat de diepe verbondenheid, eenheid, van Jezus met God ook de onze mag worden. Dat is niet een kleffe eenheid. Ook niet een soort mystieke, oosterse eenheid. - van een druppel die opgaat in de oceaan. Ook niet die van een 'wij' tegenover 'die anderen'. Noch die van een valse loyaliteit: - die van de meeloper: laten we het vooral met elkaar eens zijn en volgen we de leider, want die weet 'het'. Het gaat hier om de eenheid van de een tegenover de ander. Geen samensmelting, maar, integendeel, een opkomen voor de ander, een behoeden van de ander, de ander de ander laten zijn, de ander tot zijn/haar recht laten komen, eventueel zijn leven geven voor de ander. Dat is niet zo romantisch, het is vaak hard werken, maar uiteindelijk geeft dit diepe vreugde en voldoening.
- Jezus bidt dat we in de 'kosmos', de 'wereld' (of liever: 'orde') blijven - daarmee bedoelt hij het dagelijkse leven met zijn sleur en zijn voortijlen. Maar dat we niet de waarden nastreven die vaak hoog in deze menselijke orde aangeschreven staan, maar in feite leugens zijn.
- Jezus bidt dat God ons heiligt; - je zou beter kunnen vertalen; dat God ons wijdt. 'Wijden' is iets of iemand een bestemming, een taak geven. Wij krijgen van God de taak de waarheid te laten regeren in deze wereld in plaats van de leugen. Het wordt onze taak te vertellen dat God liefde is.
Dat daarom macht niet het laatste woord heeft, ook niet het alles weten, ook niet het voortdurend, oneindig, over grenzen heengaan, noch de leugen. Maar de God van de liefde is het begin en einde van alles. De liefde staat in het centrum van het menselijk bestaan, is doel en zin van het leven.
Wij zijn dus allen gewijd, belast met een taak, die ons niet neerdrukt, maar optilt: dat liefde alles is wat je nodig hebt, dat liefde geven onze taak is, dat God liefde is.
We weten nauwelijks wat we op ons nemen. We weten nauwelijks wat we zeggen, wanneer we zeggen dat God liefde is. Daarom bidden we op deze zondag vóór Pinksteren dat de Geest, de Adem van God ons zal vervullen en we op de adem van God zelf zullen ademen. Bidden en zingen we naar Pinksteren toe.

André Lascaris o.p.


  Pinksteren

eerste lezing: Handelingen 2,1-11
tweede lezing: Johannes 20,19-23

In tijden van crisis en vervreemding zien wij vaak met heimwee om naar het verleden. Verwarring en niet begrijpen maken het verleden mooier dan het in werkelijkheid is geweest. Terwijl de herinnering aan toen langzamerhand vervaagt, schilderen ons verlangen en onze fantasie geleidelijk aan een nieuw schilderij van voorbije tijden, dat gedeeltelijk in overeenstemming is met wat er eens was, doch grotendeels de werkelijkheid vertekent.
Tegelijkertijd is zo'n situatie een broedplaats voor nieuwe meningen. Misschien moet en kan het eigenlijk anders, zeggen we dan. Het nadenken begint, en er groeit een nieuwe bezinning op de vraag: waar zijn we mee bezig, en waarover gaat het ook al weer?
In de babylonische ballingschap heeft Israël lang geleden een soortgelijke ervaring opgedaan. Probeer het je eens voor te stellen: ze waren uit hun eigen land verdreven, de tempel was vernietigd, de laatste koning gevangen en vermoord. Ze leefden temidden van een onbekend volk en raakten vervreemd en ontworteld. Naast het heimwee naar vroeger groeit de vraag: wat is de betekenis van het menselijk bestaan? Waarom is alles begonnen? Wat is de zin van geloven en toch in ballingschap moeten verkeren? Dan ontstaat het eerste scheppingsverhaal. Een majesteitelijke hymne: God, de Aanwezige, wil orde, levensruimte en blijde rust aan de mensen schenken. Gods grote Geest zweeft boven de chaos, de verwildering, want zo komt die ingewikkelde samenleving dikwijls bij ons over. Al zwevend en waaiend zoekt zij naar een rustplaats onder die ontelbare rusteloze mensen: zoals de duif van Noach, die twee keer terugkeerde, omdat zijn pootjes geen goede grond aantroffen om te rusten. Pas bij de derde poging vindt hij een plek om neer te dalen. Zó zoekt de Geest van de Aanwezige een rustplaats bij de mens. En dan gebeurt ook werkelijk iets nieuws. De wateren wijken van de aarde. De Geest ordent wat bestaat, geeft plaats en ruimte. Is de chaos verbannen, dan schept de Aanwezige de mens, die als beeld en gelijkenis van deze Aanwezigheid moet vertellen en getuigen. De mens moet trouw zijn aan de aarde en er goede grond van maken om vrij en onbekommerd te leven. Als beeld van God zullen mannen en vrouwen zorgzaam met elkaar omgaan en elkaar plaats, tijd en ruimte gunnen. Dat zijn de wezenstrekken, de grote lijnen van de samenleving en het bestaan van de mens. Dan kan Gods Geest bij ons wonen. Het land, de aarde, wordt het land niet alleen van mensen maar ook van de Aanwezige. De Geest, de Heilige, is neergedaald en vindt woonplaats mét en ónder ons.
De kerk van onze dagen heeft het moeilijk. Onze katholieke kerk stond eens bekend om haar grote eenheid. In ons land waren de krachten gebundeld. Eén van geest en hart bestreden we onze tegenstanders. Kerken en kloosters waren hechte gebouwen. Er was eenheid van liturgie, we eerbiedigden priesters en


kloosterlingen, we spraken met eerbied over de paus en de bisschoppen. Hun gezag stond boven kritiek en twijfel. Zoals Israël destijds in ballingschap, zo willen sommigen, die het oude gekend en intens beleefd hebben, daarnaar terug. Zij voelen zich in de huidige kerk vol spanningen als vreemden en idealiseren het verleden.
Maar óók ontstaat in dit klimaat een zoeken naar een vernieuwd verstaan van de kerk en het religieuze leven. Evenals Israël toen bevinden kerk en klooster zich nu in een soort ballingschap, en we vragen ons af: hoe gaan we verder? Waar is het eigenlijk allemaal om begonnen?
Dan horen we weer het verhaal van Pinksteren. Ik versta die prachtige tekst uit de Handelingen als een derde scheppingsverhaal, dat de twee scheppingsverhalen van het boek Genesis volledig maakt. De Geest van de Aanwezige zweeft boven de mensen, verzameld rond de verrezen Heer, Jezus Messias. Eensgezind, biddend en afwachtend bevinden zij zich In de bovenzaal, welke herinnert aan het Laatste Avondmaal. Brekend en delend vinden zij elkaar. Het wordt een plaats van geladen rust. Daar kan de Geest neerdalen. De mensen worden overspoeld, gedoopt, gedrenkt, gezalfd met de Geest.
Maar het neerdalen van de Geest roept ook een crisis op: vuur én wind. Enerzijds wordt de kerk de plaats, van waaruit de vrede van God, de sjaloom, zich uitbreidt over heel de aarde. De kerk wordt tot een oord gemaakt, waar de vervulling van het oude Israël door Jezus Messias voorgoed doorbreekt: de laatste en beslissende dagen gaan in (Joël, 2,28). Anderzijds is de kerk een beweging, in gang gezet door de Geest. Ze is er niet omwille van haarzelf, maar om vreugde te brengen aan alle mensen en volkeren. En dát roept tegenspraak op! De spotters zeggen: Ze zijn vol zoete wijn. Want de samenleving tekent verzet aan. De beweging, de weg, de kerk, wordt van de hand gewezen als idealistisch, onwerkelijk, niet haalbaar, komend van een vreemde planeet. Díe crisis roept de Geest zelf op: het is de kerk vanaf den beginne eigen een beweging te zijn, waar het spanningsveld tussen rust en onrust aan de orde van de dag is. Het betreft een delicaat evenwicht, want geen van beide mag de overhand hebben.

Ja werkelijk: een derde scheppingsverhaal! Zoals het eerste scheppingsverhaal vertelt hoe de uiteindelijke wereldorde moet zijn, maar nog nimmer was, en zoals het tweede scheppingsverhaal ons leert dat het niet goed is dat de mens alleen is, maar er nog nooit zoveel eenzame mensen zijn geweest als in onze tijd, zó vertelt het Pinksterverhaal hoe de kerk moet zijn, maar...nog steeds niet is geworden. Daarom spreken we vandaag ons rotsvaste vertrouwen uit, dat de Geest van de Aanwezige met de kerk zal voltooien wat Zij met haar begonnen is. Zij blaast ons schoon. Zij vervult ons met nieuwe vurigheid. Zij leert ons weer op weg te gaan. Kom o Geest! Wees hier aanwezig!

Ernst Marijnissen o.p.