vierde zondag door het jaar
Deuteronomium 18,15-20; Marcus1,21-28
Soms lees je woorden en verhalen uit de Bijbel die je op een
bijna beklemmende manier de realiteit van de dag voor ogen stellen. Ik
heb dat gevoel vandaag weer, zeker wanneer ik denk aan de manier waarop
bisschoppen met regels en voorschriften menen te moeten omgaan. Ik denk
dan een het verbod om nog langer te functioneren van een pastoraal
werker omdat hij het evangelie had gelezen en gepreekt had tijdens een
eucharistieviering, terwijl dat alleen aan priesters is voorbehouden!
Maar gelukkig zijn wij vandaag in Kafarnaum, wat betekent ‘huis
van de vertroosting’ en horen wij daar hoe wij met die
actualiteit moeten omgaan.
Mozes horen wij de belofte ontvangen dat het ’t volk nooit zal
ontbreken aan profeten. Dat zijn mensen die ons de oude woorden van de
Schrift vóór spellen, dus nog eens helder voor ogen
stellen op deze dag en in deze omstandigheden. Vandaar dat in
Israël gezegd wordt dat het word ‘alle dagen nieuw’
is, dat het zijn zeggingskracht in telkens nieuwe situaties zal laten
ondervinden.
Dat is nu precies wat er gebeurt in de synagoge waar Jezus het woord
neemt. Kennelijk weet Hij de woorden zo dicht bij de mensen te brengen
dat zij ze als nieuw en verrassend ervaren en geladen met een gezag dat
zij niet aantreffen bij de Schriftgeleerden van hun dagen.
Door zijn woorden gaat het visioen van de wereld zoals die van meet af
aan bedoeld is weer leven, wordt weer aantrekkelijk en een uitdaging
voor mensen om te leven naar de woorden die overgeleverd zijn. Van al
die oude woorden horen wij Jezus zeggen dat zij kort samengevat worden
in de woorden uit het boek Leviticus ‘Je zult je Heer, je God,
beminnen met geheel je hart en al je krachten en je naaste die is als
jij’. De Joodse denker Heschel zegt dat uiteindelijk
alle voorschriften en geboden tot
doel hebben om ons mensen van liefde te maken die fijngevoelig zijn
voor gerechtigheid. Dit is een prachtig en bevrijdend perspectief! Geen
wonder dat de toehoorders van Jezus er enthousiast over waren, maar
niet allen!
Er is ook een ander soort mens aanwezig, horen wij. Hij doorziet wat de
consequenties zijn van Jezus’ woorden en zegt ‘wat heb je
met ons te maken!’ Een boze geest heeft hem bevangen, staat er,
maar het zijn vaak die kwade machten die ons duidelijk maken waar het
werkelijk om gaat: om geboden en letterknechtschap of om de ware
vrijheid van Gods kinderen. En met dat laatste is geen willekeurige
vrijzinnigheid bedoeld, maar een leven in vertrouwen op de profe-tische
woorden van de Schrift die ons de goede weg wijzen. Het gaat niet om de
sabbat, - om Jezus zelf te citeren, - maar om de mens die heer is van
de sabbat. De nadruk leggen op recht – ook kerkelijk recht
– verwordt tot onrecht als het concrete mensen met hun vragen
niet meer ziet staan. Wat bedoeld is als gezag op grond van de woorden
van het evangelie verwordt dan tot het uitoefenen van macht en de
onderwerping van mensen daaraan. Daarom moet die kwade geest tot op
vandaag weggejaagd worden: ga heen!
Er zal altijd die spanning zijn tussen het handelen volgens de regels
en het geluk van mensen dat op het spel staat. Laten wij ons houden aan
de woorden van de profeet, het mensenkind uit Nazareth en in zijn
navolging leven, elke dag opnieuw. Wij zullen dan ervaren dat wij tot
waarachtige vrijheid geroepen worden, niet tot slaafse gehoor-zaamheid,
maar tot mensen voor wie liefhebben het laatste en belangrijkste woord
is. Laten wij elkaars gezicht opdelven en tot nieuwe mensen worden, in
Gods naam!
29 januari 2012, Henk Jongerius OP
zie voor vroegere preken elders
