PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Paastijd 2010 (A)
Paaswake
2011: Matteus 28,1-10
|
24
april 2011, Ernst Marijnissen OP |
|
Waarom
zitten er juist of maar twee vrouwen bij het
graf? En wat doen zij daar? Waarom twee? Ik zal het u vertellen. Maria
Magdalena en de andere Maria zijn daar aanwezig als twee getuigen. Het
moeten er twee zijn, want dat hangt samen met de rechtspleging in
Israël. In het boek Deuteronomium wordt het volgende geleerd:
een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring
van ten minste twee getuigen. Zowel de partij, die aanklaagt, als de
partij, die aangeklaagd wordt, moeten twee getuigen meebrengen. Het
gaat namelijk om de emeth. Emeth betekent zoveel als trouw,
betrouwbaarheid. We kunnen ons dat ook wel voorstellen. Van de
betrouwbaarheid van een getuigenis kan namelijk je leven afhangen. Hoe
waar dat is blijkt uit het proces tegen Jezus zelf, die het slachtoffer
werd van twee valse getuigenverklaringen. Het gaat dus over leven en
dood. De getuigen en hun verklaringen moeten dus betrouwbaar zijn.
Wat zou het leven waard zijn als vertrouwen, trouw en betrouwbaarheid
niet bestonden! Als het leven zich tegen ons keert, als wij in zwaar
weer terecht komen, als we valselijk van iets worden beticht of
onrechtvaardig behandeld, als anderen zich niet houden aan hun
beloften, als de toekomst duister is of zelfs uitzichtloos wordt: waar
blijven wij als we niet kunnen terugvallen op mensen, die te vertrouwen
zijn, op toezeggingen, die worden nagekomen, op hulp, die wordt geboden
als het er echt op aankomt?
Toen Jezus door het land trok, mensen in verhalen en parabals
onderricht gaf en zieken genas, wekte hij hoop in de harten van velen.
Ook in die van ons. Nog steeds! Hoop dat een rechtvaardige samenleving
mogelijk is. Vertrouwen op een gemeenschap waar niet het recht van de
sterken, maar barmhartigheid en menslievendheid voor de zwakken en
kwetsbaren, een eerlijk bestaan binnen handbereik brengen. En zeker ook
dat trouw en vertrouwen het lijden, dat in onze wereld nu eenmaal niet
te vermijden is, ondanks alle ellende de bron kan zijn van nieuw leven,
waar liefde en beminnelijkheid regeren. Dat beeld heeft Jezus
opgeroepen. Daarvoor heeft Hij zijn leven op het spel gezet.
En toen is hij gestorven. Ze hebben hem weggestopt in een donker gat
met een zware en verzegelde steen ervoor. Dood is dood. Maar heeft hij
niet gezegd dat hij zou leven? Heeft hij niet aangegeven dat hij
weliswaar moest lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zou
opstaan? Ja, dat heeft hij, en daarom zitten die twee vrouwen voor het
graf. Het Griekse woord voor zien, dat Matteüs hier gebruikt,
betekent zorgvuldig beschouwen en overwegen. Zij zitten daar dus niet
een beetje voor zich uit te staren, bedroefd of wellicht teleurgesteld,
omdat deze goede Jezus toch gestorven is. Nee, ze aanschouwen. Zij zien
met hart en ziel. Zij zien niet van grote afstand of afstandelijk.
Neen, alles wijst op een ingespannen zien, een sterke inzet om te
doorgronden wat dit graf verkondigt, ons te zeggen heeft. En
…. waarom, natuurlijk. Wat willen ze zien? Ik denk wat
vrouwen eigen is: het leven, nieuw leven, onbedreigd leven. Zij doen me
denken aan die twee vroedvrouwen Sifra en Pua, die een beslissende rol
spelen in het eerste hoofdstuk van het boek Exodus. In de dagen dat
Israël werd onderdrukt in het angstland Egypte had de
heersende macht bevolen alle pas geboren kinderen van het mannelijk
geslacht in de doodsrivier te werpen. Zo zou het volk op langere
termijn uitsterven. Maar zij hielden de pasgeboren jongetjes verborgen
en maakten het mogelijk dat dit volk eens zou kunnen uittrekken uit de
slavernij van het dagelijks bestaan. Weg uit het graf, ontrukt aan de
klauwen van dood en vernietiging.
|
Evenals
Sifra en Pua
zijn deze vrouwen bij het graf, deze twee getuigen, betrouwbaar. Ik zie
hen ook als de vertegenwoordigers van de armen, de zwakken, de
kwetsbaren, van allen, die zonder perspectief of uitzicht rond
ploeteren in deze wereld. De twee vrouwen beelden alle mensen uit, die
misschien nog even de hoop hebben gekoesterd, dat als medemensen en
samenleving hen hebben afgeschreven, er toch nog
één is, die naar hen omziet. Een mens, die van
zichzelf heeft mogen zeggen, dat hij beeld en gelijkenis van God is.
Die bewogen is geweest om die immense schare of menigte, die zijn als
een kudde zonder herder. Nu is juist die mens geveld door de machten en
krachten, die hen gevangen houden in een schijnbaar zinloos bestaan.
Dat kan toch niet waar zijn!
Daarom zitten zij daar te kijken en te hopen, te wachten op iemand, die
hun nog een teken van leven kan geven. Zij weten het: het betreft hier
dood of leven.
Zij zitten daar in de duisternis, die hen dagelijks omgeeft. Zij zitten
daar zoals wij in deze nacht. Want wij hebben ons toch hier verenigd om
samen en voor elkaar duidelijk te maken, dat wij ons niet willen
neerleggen bij een bestaan, dat als maar sneller op weg is naar het
opeten van deze aarde, alsof we er nog één in
reserve hebben. Voor velen is onze wereld al gestorven en ligt ze
begraven achter de loodzware steen van machtswillekeur, hebzucht en
verslaving aan techniek. Wie is nog bij machte die zware last weg te
wentelen? De uitzichtloosheid besluipt ons als een kwaadaardig virus.
Daarom zijn we hier, solidair met al die breekbare mensen, die de hoop
nog niet hebben opgegeven. Die vertrouwen, trouw en betrouwbaarheid
sterker wanen dan de zogemaande zekerheden van onze samenleving.
En dan gebeurt het! Dan gaat de wereld op zijn kop. Dan is daar die
aardbeving, die al onze vanzelfsprekendheden onderste boven gooit en
als kaf op de wind verwaaien doet. Het graf wordt een poort, een
doorgang naar profetisch en eeuwig leven. Met de vrouwen en de
naamlozen der tijden zien we door het graf heen een nieuwe horizon voor
allen, die echt bevrijd willen worden. Er is een nieuwe uittocht
mogelijk. De bewakers van het graf, van een wereld, die zichzelf opeet,
zijn verdwenen en daarmee allen, die wanen de bestaande wereld in stand
te kunnen houden. De steen van dit dode bestaan is weggerold. Ontzet
én opgetogen trekken we in gezelschap van de vrouwen door
het graf.
En nauwelijks zijn we op weg of Jezus, de Verrezene, komt ons al
tegemoet. We pakken zijn voeten vast, want diep in ons hart willen we
nooit meer afwijken van de weg, die hij zelf is gegaan. We worden door
hem bemoedigd en op weg gestuurd. We moeten tegen zijn broeders, dat
zijn allen, die tot de oude synagoge behoren, het oude Israël,
gaan zeggen, dat we naar Galilea moeten gaan. Galilea, de smeltkroes
van volkeren, culturen en religies, van rassen en talen, van goeden en
slechten, beeld van onze wereld. Nu wij door het graf heen kunnen zien,
niet langer gehinderd door de blinde steen van deze wereld, delen we
weer in het koningschap van God. We zien niet alleen een wereld, waarin
de mensen aan elkaar proberen te verdienen. Neen, dwars door alles heen
zien we het koningschap van God: een gemeenschap, waarin mensen elkaar
van dienst zijn! Er is leven, want God is ons in de verrijzenis van
Jezus genadig voorbijgegaan. Dat is de betekenis, of beter nog de
vertaling van: Pasen. De twee vrouwen maken duidelijk dat dit
getuigenis voor altijd betrouwbaar is. Ja waarlijk. De Heer Jezus is
uit de doden opgewekt. Hij leeft!
|
Pasen: Handelingen 10, 34a.37-43,
Johannes 20, 1-9
|
24
april 2011, Theo Koster OP |
|
Wat
mij
intrigeert is de zin waarmee Johannes dit evangelie afsluit: zij hadden
nog niet begrepen wat er geschreven stond, dat hij namelijk uit de
doden moest opstaan. Voor ons is die zin van groot belang. Het wil
zeggen dat geloven in de verrijzenis niet berust op het zien van een
leeg graf.
Maria Magdalena ziet het lege graf en denkt, dat ze de Heer uit het
graf hebben genomen. Simon Petrus kijkt beter, het zal inmiddels licht
zijn geworden. Hij ziet de zwachtels, en de zweetdoek, zorgvuldig
opgevouwen; grafrovers doen zo iets niet. Toch gaat ook bij Petrus geen
licht op. Dan gaat de geliefde leerling naar binnen. Hij zag en
geloofde.
De geliefde leerling keek met andere ogen dan Maria en Petrus. In het
Grieks wordt in dit geval een ander werkwoord voor
‘zien’
gebruikt, een zien dat dicht bij onze uitdrukking komt van: ik zie je
graag. Johannes ziet met de ogen van het hart en komt tot geloven. De
ogen van het hart hebben geen leeg graf nodig. De ogen van het hart
ontwikkel je door je hart te laten kloppen.
Van Jezus weten we dat hij dit gedaan heeft. Hij hield van mensen,
zette zich in voor mensen. Gedenkwaardig in de ogen van tollenaars en
zondaars, berucht in de ogen van de farizeeën en
schriftgeleerden
waren de vele maaltijden waarbij Jezus aanwezig was. Elk mens was voor
hem de moeite waard om mee aan tafel te gaan. Dit hoefde je niet eerst
te verdienen. Jezus zag achter de maskers, oordelen, vooroordelen de
mens in zijn ware gedaante, beeld en gelijkenis van God. Om dit te zien
moet je soms goed kijken. Zelfs de beste bril helpt je niet dit te
zien. Enkel met de ogen van je hart kun je de diepten peilen, die in
een mens verborgen gaan.
Niet alleen Jezus had die ogen ontwikkeld door zijn hart te laten
kloppen; ook Johannes had dit gedaan. Op belangrijke momenten in het
leven van Jezus is hij aanwezig; ook op één van
de
moeilijkste momenten: onder het kruis. Liefde heeft hem de ogen geopend
voor Jezus, en die liefde was met de dood van Jezus niet
|
opgehouden.
Het was niet de liefde die mensen tot levenspartners maakt.
Het was de liefde van de barmhartige Samaritaan; van de vader die
uitziet naar zijn jongste zoon die uitgevlogen was; de liefde die je
tot hoeder maakt van je zuster, je broeder.
Wat ziet Johannes? Dat je de levende niet bij de doden moet zoeken;
daar is hij niet. Je zult hem zien en ervaren daar waar liefde heerst.
Tja, en dat is in onze wereld een probleem.
In onze wereld tellen belangen, het geld, macht. We grijpen in
Libië in. Omdat daar mensen genadeloos worden afgemaakt door
hun
eigen leiders?
We grijpen niet in Syrië in, waar mensen eveneens en op grote
schaal worden afgemaakt door hun leiders. Dat zou een evenwicht
verstoren, waar wij blijkbaar belang bij hebben.
Is God die door Johannes liefde wordt genoemd dan uit onze wereld
verdwenen? Nee, zoals ten tijde van Jezus God niet zichtbaar werd in
machtige daden, maar in de ene mens die zich over de ander ontfermt,
vanzelfsprekend omdat deze mens is zoals jij, zo laat God zich in onze
wereld zien, komt God aan het licht in het verborgene.
We hoorden in de eerste lezing Petrus getuigen over het leven van
Jezus, een leven dat door de dood heen verder gaat met eten en drinken.
In dat leven raken wijzelf steeds opnieuw betrokken, als wij met hem de
maaltijd delen, en met allen die hij daartoe uitnodigt: mensen met wie
het klikt, maar ook mensen, die we nooit zelf zouden hebben uitgezocht
om mee te eten, te drinken, mensen voor wie onze ogen kunnen open gaan,
al etende en drinkende.
Zo zijn wij het lichaam van Christus, een vitaal orgaan met een
kloppend hart dat zichtbaar maakt de Barmhartige, die in en onder ons
verborgen gaat, maar aanklopt, als we onze ogen sluiten voor wie naast
ons gaan, dichtbij en veraf.
|
Paasmaandag: Matteus 28,8-15
|
25
april 2011, Henk Jongerius OP |
|
Wij
ontmoeten in
het evangeliegedeelte van deze morgen twee soort mensen: op de eerste
plaats zijn daar de vrouwen. Zij verkeren in een dubbele
gemoedstoestand, want enerzijds is er grote vreugde omdat er een steen
van hun hart is genomen en er een riem van vertrouwen voor in de plaats
is gekomen. Diep in hun hart weten zij dat de God die door Jezus met
‘Abba’ aangeduid wordt, betrouwbaar is en het leven
van
Jezus voortgang vindt in de verborgenheid van de Eeuwige. Onder die
wolk durven zij te schuilen want zij vertoeven er in de schaduw van de
Almachtige.
Maar dit vertrouwen is ook altijd broos want het laat zich niet
bewijzen. Vandaar dat wij horen dat zij ook van ‘grote vrees
vervuld waren’, een vrees die te maken heeft met een
kwetsbare
positie: wie zal vertouwen schenken in hun boodschap?
In elk geval niet die tweede groep mensen waarvan het verhaal vertelt:
de bewakers. Zij worden door de godsdienstige leiders met een flink
geldbedrag overgehaald om het verhaal de wereld in te sturen dat de
leerlingen Jezus uit het graf gehaald hebben, een bedrieglijke leugen
die volgens de schrijver van het evangelie opgeld doet tot op de
huidige dag.
Er staan hier twee manieren van leven en denken tegenover elkaar die,
net als de vreugde en de vrees bij de vrouwen, ook diep in onszelf waar
te nemen zijn. Er is de aandrift in ons om de dingen en de situatie in
de hand te houden en er controle over te kunnen uitoefenen. Je moet
voor de toekomst zorgen en welke plannen kun je daarvoor uitwerken?
Diep in ons hart weten we echter dat werkelijk leven met elkaar niet
voorspelbaar is omdat er altijd wat tussen kan komen. Wie leeft
in
|
het
in de hand
houden en sturen van het leven loopt het gevaar dat hij
of zij niet meer in staat is om in het hier en nu te verwijlen, om te
genieten van wat er zich zo maar kan voordoen op een dag. Op
die
manier loop je de kans geraakt te worden door andere mensen, om
onverwacht en onvoorbereid je te laten raken door wat er hier en nu
gebeurt. Zo mis je misschien het grootste geschenk van het leven,
namelijk dat je het als een geschenk, een gave, kunt ervaren.
Zou dat niet het eigenlijke geheim van de vrouwen uit het evangelie
zijn? Dat zij ontvankelijk zijn voor het wonder van het leven zelf? Het
is die verwondering die door Jezus zelf de voorwaarde wordt genoemd om
het koninkrijk van God binnen te gaan. In dat koninkrijk heersen niet
de leugen en het bedrog, het manipuleren van anderen, het veilig
stellen van je eigen zekerheid, het jezelf waarmaken over de rug van
anderen heen. Dat alles is in feite een leven vanuit angst.
Maar het koninkrijk van God wordt getekend door liefde, vreugde, vrede,
geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid en weet
hebben van jezelf.
In die gezindheid zullen wij boodschappers van goed nieuws zijn en
elkaar oprichten uit isolement, vrees, kleinmoedigheid tot een opgewekt
leven waarin wij elke nieuwe dag kunnen begroeten als een gave van Hem
wiens eerste woord is ‘er zij licht’ en die ons
iedere dag
wil verrassen met zijn liefdevolle aanwezigheid om zonder angst of
vrezen maar als verwonderde kinderen de weg van het leven te gaan. En
zo zullen wij zelf getuigen zijn van opstanding.
|
2de zondag van Pasen: Handelingen
2,42-47; Johannes 20,19-31
|
1
mei 2011, André Lascaris OP |
|
Het
verhaal van Johannes is niet alleen een verhaal van
bijna 2000 jaar geleden, het verhaalt tegelijk onze situatie. Ook wij
zijn samen in één ruimte, omgeven door muren. De
deuren zijn niet op slot, maar wel dicht; het is ochtend en geen avond.
Maar het belangrijkste is dat ook wij geloven en erop vertrouwen dat
Jezus in ons midden is, Jezus die verworpen werd door de mensen,
althans door de machtigen onder hen, en die door de dood heen gegaan is
om een bron van leven te worden voor allen. Al zien we hem niet
lichamelijk, we zien hem zoals Jezus hoopt dat wij hem zien: met de
ogen van het geloof. Want die ogen kijken verder en scherper, zien meer
dan met onze lichamelijke ogen te zien is. Zij zeggen ons dat Jezus
aanwezig is.
Hij verwacht van ons niet dat we ons om hem heen klitten. De deuren
moeten straks open gaan en wij moeten naar buiten, eventueel tot de
uiteinden van de wereld. Hij wil ons uitzenden zoals God hem gezonden
heeft om elkaar, anderen en onszelf een woord van bevrijding mee te
geven en de schepping te herscheppen. Jezus blaast over de leerlingen,
zoals in een van de scheppingsverhalen God de mens adem inblaast en
levend maakt. Hij wenst hun vrede toe, het doel van het menselijk
leven: te bestaan in vrede met God, mensen en zichzelf. En hij geeft
hen de macht te vergeven.
Dat lijkt een beetje armoedig, wat vlak, zonden vergeven. Maar de
eerste lezing laat zien wat het resultaat is van de zondevergeving. De
leerlingen bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze
verkochten hun bezittingen, have en goed, en deelden alles onder
elkaar, allen naar ieders behoeften.
Wie de geest ontvangt, probeert op een andere manier te leven. Je
streeft dan naar een andere economie – niet een gebaseerd op
het marktprincipe, op het maken van winst, maar gebaseerd op onderling
delen. Het gaat om een ander sociaal leven waarin iedereen bij iedereen
welkom is. het gaat om een politiek waarin de zorg voor elkaar centraal
staat.
Dat is ook het meest natuurlijke: dat wij mensen, delen.
Maar in feite hebben we
een maatschappij die op winst maken gericht is ook al wordt gezegd dat
het in het management om dienstbaarheid gaat. In de politiek is
|
het
onduidelijk waar het om gaat. Moet je altijd bij de eersten zijn om
gelukkig te worden?
Maar uiteindelijk leven we in een wereld die ontstaan is op grond van
menselijk gedrag. Vanaf het begin hebben mensen begeerd wat anderen ook
al begeerden. Van oudsher staan mensen elkaar naar het leven. Ze
verzamelden in plaats van te delen, gaven elkaar niet de goede zorg,
krenkten elkaar. Al die pijnlijke krenkingen hebben bij ons wonden
geslagen en vandaar uit zijn we dit gaan verhalen op degenen die ons
dit hadden aangedaan, of, omdat zij sterker waren dan wij, hebben we
het gedaan op kosten van hen die we meenden aan te kunnen, namelijk zij
die zwakker waren dan wij.
Jezus geeft ons de kracht om te vergeven en vergeven te worden. Om
nieuwe toekomst voor anderen en voor onszelf te scheppen. Niet alleen
aan ons die hier vieren, denk ik, ook aan talloze anderen die misschien
nooit van God en Jezus gehoord hebben, maar toch ook van zijn
geestkracht ontvangen.
Dat is Pasen. Onze wereld, kerk, wijzelf veranderen niet in
één klap; wij moeten dezelfde gang maken als
Jezus zij het ieder op zijn/haar eigen wijze. Maar als wij onze handen
uitstrekken naar Jezus, niet om hem in bezit te nemen en voor onszelf
te claimen, niet om toch op een of andere manier wetenschappelijke
zekerheid te krijgen, maar als een bron van inspiratie en leven, een
bron van herstel van menselijke relaties, dan is de kans groot dat ook
wij Jezus herkennen als degene in wie God woont, als degene die de bron
is van leven en waarheid, als degene die door mensen is verworpen, maar
door God gered is.
Deze zondag wordt wel ‘beloken Pasen’ genoemd: de
laatste dag van Pasen, de laatste keer dat de doopleerlingen in het wit
gekleed gingen. Maar Pasen is nooit afgesloten. Elke zondag dat we
tussen deze muren bijeenkomen is het opnieuw Pasen. Dan staat Jezus
weer in ons midden, gemarteld, vermoord, maar daarboven uitgestegen.
‘Vrede’ wenst hij ons toe,
‘sjaloom’ - dat wij bevrijd worden van het kwade
dat anderen ons, en wij anderen aandeden. Mogen wij dan geloven dat hij
de Messias is zodat wij door te geloven, te vertrouwen, leven zullen
bezitten.
|
3de
zondag van Pasen: Handelingen 2,14.22-33; Lucas 24,13-35
|
8
mei 2011, Ineke van Cuijk OP |
|
Twee
mensen op weg – ontgoocheld, verdrietig,
niet meer wetend waar zij het moeten of kunnen zoeken. Zij waren zo vol
van die Jezus, die hen zou bevrijden van het juk van de Romeinen
– in en met Hem waren zij vol goede moed en vol vertrouwen.
Dankzij Jezus zagen zij perspectief, durfden zij het leven aan, wisten
zij zich gekend. Hun leven had zin. En nu – nu zitten zij in
zak en as. Zij kunnen het nauwelijks bevatten en weten maar
één ding te doen. Zij lopen maar weg –
want hier in Jeruzalem is het niet meer te vinden. Zij gaan maar terug
– naar huis of welke plek dan ook waar zij in ieder geval
liever willen zijn dan in Jeruzalem. En zoals dat gaat – in
dagen van ontzetting en verdriet – ‘spraken zij met
elkaar over alles wat was voorgevallen’. Zij waren er nog
helemaal vol van – zo vol dat zelfs hun ogen de vreemdeling,
die hen gezelschap kwam houden, niet herkenden. En de vreemdeling
vraagt belangstellend waar zij zo vol van zijn. –
‘Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem dat Gij niet
weet wat daar dezer dagen gebeurd is?’ en deze vreemdeling
hoeft alleen maar te vragen ‘wat dan?’ En dan
stroomt als het ware de emmer over. Alle verdriet, alle ontgoocheling,
alles wat er met die Jezus de Nazarener is gebeurd – zij
vertellen het in geuren en kleuren. En nu is zelfs zijn lichaam
verdwenen, sommigen zeggen dat Hij leeft, maar het graf is leeg.
Het verhaal dat Lucas ons hier schildert is, denk ik, zo herkenbaar.
Bij groot verdriet loop je verloren en als dan iemand vol meeleven
vraagt ‘wat dan’…. Dan stroomt de mond
over waar het hart zo vol van is. Dat geeft lucht en als die tijd en
ruimte er voldoende is geweest dan kan er ook weer ruimte komen voor
nieuwe perspectieven. Want het verhaal gaat verder. Het verhaal van
Kleopas en zijn metgezel wordt in het grote verhaal van de Schriften
geplaatst. De reisgezel kan die gebeurtenissen rondom Jezus plaatsen in
de grote geschiedenis van Profeten en Schriften – het verhaal
van God – met – mensen, ‘want zegt de
reisgezel, ‘moest de Messias dat alles niet lijden om zijn
glorie binnen te gaan?’ En aan de hand van de verhalen, te
beginnen bij Mozes verklaarde de vreemdeling uit al de profeten wat in
al de Schriften op de Messias betrekking had. Zij hadden een ander
beeld van Jezus: Het ging niet om een triomferende Koning maar om de
lijdende dienstknecht. Het ging niet om een redder die te vuur en te
zwaard te werk ging maar met liefde. Jezus was iemand die geweld afwees
en daarom moest sterven. De Jezus die zij voor ogen hadden, had niet
bestaan. Het ging deze Messias niet om een politieke, maar om
‘Gods’ maatschappij waarin ieder tot zijn en haar
recht mag komen. Waar een ieder kan groeien en bloeien tot wie hij/zij
ten diepste bedoeld is.
En langzaam maar zeker ontdekken Kleopas en zijn reisgezel dat het om
iets anders gaat. Wij hebben het niet
gezien……..wij wilden – we konden het
niet
|
zien…..
En zo beschrijft Lucas in dit reisverhaal
geloven als een groeiproces. En hier gebeurt al wat
– want later zullen de reisgenoten zeggen: ‘Brandde
ons hart niet…..?’
En langzaam maar zeker bereiken zij hun plaats van bestemming en weten
ze de vreemdeling te verleiden mee naar binnen te gaan.
‘Blijf bij ons want het wordt al avond en de dag loopt ten
einde’. Behalve de ‘oosterse
gastvrijheid’ (je laat mensen ’s avonds in het
donker niet buiten staan) is er ook iets gebeurd tussen de wandelaars.
Deze vreemdeling heeft hun zoveel te bieden…. En als ze dan,
na een vermoeiende reis, aan tafel gaan, pakt de vreemdeling het brood
van de tafel, spreekt de zegen uit, breekt het brood en geeft het aan
hen. En dán gaan hun de ogen open en herkennen zij hun
reisgenoot: het is Jezus!
In dit Emmausverhaal komen alle elementen samen die belangrijk zijn in
elke geloofsgemeenschap – Diaconie - omzien naar elkaar
– de reisgenoot vraagt hoe het met hen is –
Catechese geloofsoverdracht – het verhaal plaatsen in het
licht van Traditie en Schrift Liturgie - het brood breken en samen
vieren wat je met elkaar beleefd hebt. Als er aandacht voor je is
– als je kunt leren met en aan elkaar – dan kun je
vieren! Dan kun je ook geloven! En langs die aandachtsvelden kun je
groeien en bloeien.
Lucas wil in zijn Evangelie laten zien dat het hele leven en optreden
van Jezus vervulling van de Schrift is. Dat zien we ook terug in het
verhaal van Handelingen. Het lijden van Jezus heeft een plaats in het
heilsplan van God en is niet buiten God om gegaan. Deze Jezus heeft God
doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen. Net als in het
Emmausverhaal ‘moest de Messias……deze
weg gaan. God is in Jezus aan het licht gekomen en God heeft Hem uit de
dood doen opstaan! En die Jezus leeft nog steeds – ook onder
ons. Hij leeft onder ons daar waar we zijn daden in praktijk
brengen–waar we omzien naar elkaar. Hij leeft onder ons daar
waar wij leren en luisteren naar Zijn verhaal. Hij leeft onder ons waar
wij het brood met elkaar delen. Soms zijn wij als Kleopas, zoekend,
verdrietig en ontgoocheld, soms zijn wij de vreemdeling die met anderen
mogen optrekken en soms zijn wij gastheer/gastvrouw om samen het brood
te delen en te eten. En in al die momenten kunnen ons de ogen open
gaan.
Zelfs David heeft al gezegd: ‘wegen ten leven hebt Gij mij
doen kennen. Als ik ga op de wegen van de Heer zal ik niet wankelen
– Zijn hand houdt mij vast. Wij zongen het al in psalm 16.
Jezus leeft, niet als ons bezit, maar als onze Weg. Een weg ten leven
– van Jeruzalem naar Emmaus maar ook weer terug naar
Jeruzalem. Om daar te getuigen in die heilige Stad – het
Nieuwe Jeruzalem waar Gods Koninkrijk gestalte krijgt. Wij ook!! Want
wij zijn samen met Hem die met ons mee gaat.
|
| 4e
zondag van Pasen: Handelingen 2,14.36-41; Johannes 10,1-10
|
15
mei 2011, Paul Minke OP |
|
U
herinnert zich vast wel het verhaal over de
blindgeborene. Ruim een maand geleden hebben we het gehoord en
overwogen. Dit verhaal staat onmiddellijk voor het verhaal van "Ik ben
de deur" De blinde man, door Jezus tegen alle regels in, genezen op
sabbat, werd verhoord door de farizeeën en uiteindelijk
buitenge-worpen omdat hij niet bereid was evenals zij Jezus te
veroordelen. Buitenge-worpen, de deur werd achter hem dichtgegooid, bij
wijze van spreken de woestijn ingestuurd, van God los. Voor die
handelwijze heeft Jezus geen goed woord voor over en bekritiseert de
farizeeën onbarmhartig en genadeloos. Jezus gebruikt het beeld
van de schaapskooi. Een cirkelvormige omheining, opgebouwd met
opgestapelde stenen, met slechts een smalle opening, met een deur erin,
waarvoor de deurwachter 's nachts ligt te waken en te slapen. Alleen
voor de herder doet de deurwachter open. Dieven en rovers, daarmee
verwijzend naar de farizeeën, Schriftgeleerden, Hogepriesters
en tempelwachters, komen zomaar niet binnen tenzij over de omheining.
Die verwijzing kunnen de aangesprokenen moeilijk ontgaan want Johannes
gebruikt voor het woord schaapskooi het woord voorhof, waarmee het
voorhof van de tempel bedoeld wordt. Jezus stelt zich vierkant op
tegenover de godsdienstige leiders, die zich niet gedragen als herders
ten dienste van de kudde maar als heersers, die zich meester gemaakt
hebben van de kudde.
Jezus gaat verder want zo staat er: een andere keer zei Jezus: Ik ben
de deur van de schapen, daarmee aangevend dat wie langs
die weg binnenkomt of uitgaat, niets te vrezen heeft. Ik ben de deur.
Zo benoemt
Jezus zichzelf, zo is hij en niet anders. Hij staat open voor de ware
herders en hun kudden, voor de behoeders van de schapen, en niet voor
de huurlingen. Hij staat open voor de herder, die geborgenheid en
veiligheid
biedt aan allen, die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd en voor wie hij
borg
staat. Hij staat open voor de herder, die zijn schapen bij name kent
hen naar buiten roept naar groene weiden en waakt over hun leven. Hij
staat open voor de herder, die niemand buitensluit en verstoot en niet
in de woestijn achterlaat ten prooi voor allerlei kwaadwillenden. Hij
staat open voor de schapen die de stem van de herder herkennen, die zij
niet vrezen, in wie zij vertrouwen stellen, die zij volgen. Jezus is,
in het beeld van de deur, doorgang naar bevrijding en leven. Het is
ons, herders en kudde, gegeven door Jezus in en uit te gaan. De andere
wegen, die van de dief en de rover, zijn wegen ten dode.
In de wereld van de Bijbel waren de leiders van het volk herders en
wordt met de kudde het Godsvolk bedoeld, Gods uitverkoren volk. Van
herders wordt verwacht, dat zij niet uit zijn op macht en aanzien maar
dat zij zich geheel in dienst stellen van het volk, voor ons de kerk,
de gemeenschap, die een weg gewezen wil zien te midden van alle
gevaren, die zij tegenkomt in het leven van alle dag, in
de
|
woestijn
van de wereld, een weg, die heilzaam is, betrouwbaar, en leiden
zal naar leven en geluk. Maar de oude geschiedenis van het Godsvolk
vanaf haast in den beginne tot op vandaag laat zien, dat de
godsdienstige leiders gevoelig waren en zijn voor de verleiding tot
machtsdrang, voor de bekoring tot 'heersen over'. Zij konden niet
weerstaan aan de bekoring om het creatieve woord van God, om de Geest,
die harten in vuur en vlam zetten, om al wat mensen beweegt, aan banden
te leggen in regels: zo zul je leven, zo zul je geloven. Vervolgens,
wellicht uit een welbewust plichtsbewustzijn, dat wel, zijn deze
leiders geneigd allereerst te zien of deze regels nageleefd worden. Dat
is, bij wijze van spreken, de kerk dienen buiten Jezus om. Hij die de
deur is. Maar zo heeft Jezus de verhouding: herders –
Godsvolk, nooit gewild. De kerk kan ons niet precies voorschrijven hoe
wij moeten leven, gaan en staan, maar zij mag wel roepen, uitdagen,
bemoedigen, inspireren tot het goede. De verhouding van herders
– Godsvolk moet er een zijn van vertrouwen, van een geborgen
zijn bij elkaar, van een veilig weten bij elkaar. De kerk heeft ons
binnen te voeren in de ruimte, die het kwaad buiten houdt, in de ruimte
waarbinnen God te vinden is en zijn woord tot klinken komt. Herder zijn
in de Geest van het evangelie, op de wijze waarin Jezus ons voorgaat
is: voorgaan, genezen, verzorgen, troosten, verbinden, zoeken,
luisteren, thuisbrengen; Het is verlossen van vervreemding, van
eenzaamheid en verlatenheid, het is bevrijden van uitbuiting en
onrecht, het opnemen voor de zwakken.
Deze zondag wordt ook roepingenzondag genoemd. Een dag, waarop wij
uitgenodigd worden ons te bezinnen op het herdersambt, een dag, waarop
wij gevraagd worden te bidden om roepingen in de kerk, om priesters en
kloosterlingen, om herders binnen de geloofsgemeenschap, en om
geloofs- gemeenschappen, waarin men elkaar ziet als broeders en
zusters.
Als er ooit een vraag is naar nieuwe herders, is het wel onze tijd. Als
er ooit vraag is naar krachtige geloofsgemeenschappen, is het wel nu.
Daartoe bezinnen is goed, daartoe bidden uitstekend, maar er is meer
nodig. Wanneer Petrus op de Pinkstermorgen de menigte
geïnspireerd heeft toegesproken en de mensen diep getroffen
worden door zijn woorden zeiden ze tegen de apostelen: Wat moeten we
doen, mannen broeders. Het antwoord daarop was: Bekeert u. Bekeert u, u
die tot herders bent aangesteld, leidt de kerk in dienstbaarheid. ga
voor de kudde uit in geloof en vertrouwen op God, en zie af van alle
macht. Bekeert u, broeders en zusters, ga in en uit door de deur, door
Jezus Christus, draagt elkaar in liefde en zorg, weest begaan en
bewogen om en met anderen. Zo zal het aanzien van de kerk veranderen en
mogen wij hopen en verwachten, dat mannen en vrouwen hun roeping binnen
de geloofsgemeenschap ontdekken, en dat zij ook zullen ervaren, hoeveel
vreugde en voldoening geloof en dienstbaarheid geven. En wij allen
zullen dan mogen ervaren wat het is: leven bezitten en wel in
overvloed. Amen.
|
5e zondag van Pasen: Handelingen
6,1-7; Johannes 14,1-12
|
22
mei 2011, Antoon Boks OP |
|
De
lezing uit Handelingen van vandaag beschrijft een
scène uit de vroegste dagen van de kerk. De gemeenschap
groeide zo snel dat het tijd werd om de opkomende spanningen onder de
leden aan te pakken. Vandaag horen we over een klacht van de Grieks
sprekende Christenen dat hun weduwen niet werden verzorgd door de
Aramees sprekende Christenen. Uit eigen ervaring, maar daarin ben ik
niet de enige hier in de kapel weet ik dat taal en culturele
verschillen leiden tot spanningen, zelfs tot discriminatie, ook in
kerkelijke gemeenschappen.
De spanning tussen de twee groepen had de mogelijkheid om de vroege
kerk en dus ook de leiders van de gemeenschap uit elkaar te drijven.
Stefanus en zijn metgezellen zijn gekozen "om te zorgen voor eten, dat
wil zeggen, om de hongerige leden te voeden. De apostelen zullen zich
richten "op het gebed en de bediening van het woord." Aangezien deze
tekst in de Handelingen van de Apostelen staat, die volgens sommigen
beter de Handelingen van de Heilige Geest genoemd kunnen worden, zijn
de criteria voor de keuze van Stefanus, dat hij vervuld is van de Geest
en wijsheid. De eerste van de Geest vervulde leerlingen staan klaar om
elkaar te bewegen. Maar toch waren er ongeregeldheden...
Zijn er vergelijkbare verschillen merkbaar in onze gemeenschappen
vandaag? In de meer universele kerk? Hebben kleinere groepen het gevoel
dat ze geen stem hebben? Worden nieuwkomers verwelkomd? Is er een
machtsstrijd tussen de mensen die hier al veertig jaar bij elkaar komen
en die pas vijf jaar hier zijn? Zijn we verdeeld? Nee, zegt natuurlijk
iedereen in het openbaar. En vroeger al helemaal niet... Wij willen
toch allemaal de biddende, gastvrije, meelevende en
beslissende/daadkrachtige acties van onze voorouders gebruiken als
modellen van hoe wij als de kerk van Jezus Christus moeten leven. Het
moet voor de vroege kerk toch een aangename verrassing zijn geweest om
zoveel groei en enthousiasme te zien, of toch niet?
De tweede lezing van vandaag is een passage uit de laatste toespraak
van Jezus op de avond voordat hij stierf. Bij die gelegenheid hoorden
de leerlingen het nieuws van zijn naderende einde. Hoe moeten ze
verder... Hoe konden ze iets doen zonder hem? Die avond en de volgende
dag werden hun dromen aan flarden gescheurd en volgde er een diepe
teleurstelling. Pas later bleek dat de kerk werd geboren uit de dood
maar vooral uit de verrijzenis van Jezus. Nieuw leven werd een
werkelijkheid voor de gebroken en verstrooide leerlingen, niet omdat ze
het zelf deden, maar omdat de adem van de Geest van de verrezen Jezus
over hen zou neerdalen. Toen zouden ze de grotere dingen doen die Jezus
beloofde bij zijn laatste maaltijd met hen.
Ik heb nogal wat gereisd. Daarom bereidde ik me altijd voor: ik wilde
klaar zijn voor de onverwachte, dat maar een enkele keer gebeurde.
Daarom kan ik vandaag heel goed meevoelen met Thomas. Jezus bereidde de
mensen rond de tafel voor op zijn aanstaande lijden en
dood. Hij zal hen verlaten, maar Hij belooft terug te komen en
hen mee te
|
nemen.
Hij vertelt aan hen: "Waar ik heen ga – de
weg daarheen is jullie bekend. Thomas is een praktische reiziger. Als
hij ergens heen wil, moet hij weten waar hij naartoe gaat en hoe er te
komen. ezus 'antwoord gaat niet over de wegenkaarten, vaste
bestemmingen en chronologische tijd. In plaats daarvan gebruikt Hij
woorden die we al vaker hebben gehoord in het evangelie volgens
Johannes. Jezus spreekt weer een andere "Ik ben"-verklaring over
zichzelf uit. Nu zegt hij: "Ik ben de weg..." en nodigt met die woorden
zijn leerlingen uit naar Hem te komen en hun leven in zijn handen te
leggen. Dat deden zij en dat doen we door samen met Hem en op zijn
manier te leven en eerst te luisteren naar zijn woorden. Dat is de
manier om te komen tot het leven dat Hij belooft aan iedereen die zich
bij Hem aansluit. Jezus maakt duidelijk dat Hij de weg naar God is en
als we Hem volgen dan zullen we de waarheid hebben, want Hij is Gods
openbaring aan ons. We zullen dan kunnen leven want Hij trekt ons uit
de dood van de zonde tot nieuw leven.
Bijna iedereen hier aanwezig is wel zo vertrouwd met de Schrift dat we
weten dat Christenen worden aangeduid als de mensen van de
“de weg”.
In het eerste Testament betekende de weg de wet, die de waarheid en het
leven zou opleveren. God beloofde in Jesaja (40:3) om een weg door de
woestijn te maken zodat de ballingen naar huis konden terug keren.
Psalm 1:6 zegt, dat 'De Heer waakt over de weg van de rechtvaardige,
maar de weg der bozen leidt tot ondergang". We kunnen kiezen uit twee
wegen: die van de rechtvaardige en van de bozen. Jezus zegt bij zijn
afscheid tegen zijn leerlingen dat zij Hem moeten volgen op de weg naar
God. Hij zegt dat Hij de weg is die zij moeten volgen om het leven te
bereiken en Hij belooft dat wanneer Hij terugkomt Hij bij hen zal
blijven en dus ook met ons. Wanneer wij geloven in Hem hebben we nieuw
leven. Want wie in Jezus gelooft zal de werken doen die Hij deed en
zelfs grotere dan die, want Hij ging naar Zijn en onze Vader.
Soms zou je kunnen denken dat Jezus efficiëntere en
invloedrijkere aanhangers voor de grotere werken zou hebben kunnen
kiezen. Want op sommige momenten, lijken wij moderne christenen zo
beperkt, bang, zondig, lastig en kortzichtig. Daarom is het goed, dat
we gelezen hebben dat zelfs in de zogenaamde ideale vroege kerk al
spanningen en al te menselijke zwakheden zichtbaar werden. Maar door
samen te werken als een gemeenschap, geleid door de Heilige Geest,
waren zij in staat om een oplossing te vinden in de kwesties die zich
voordeden en het lijkt ook nog alsof het moeiteloos en zonder strijd
ging.
Wij worden ook aangemoedigd om onze fantasie te gebruiken als
gemeenschap, die door Jezus is gemaakt uit levende stenen. Heiligheid
betekent groeien met Jezus. Als dat beter kan, dan doen we dat samen,
want er blijven vele mensen die in onze gemeenschap samen werken, zodat
wij samen als levende stenen groeien tot het huis van God, zoals op
onze gevel staat.
|
6e zondag van Pasen: Hand.
8,5-8.14-17;Johannes 14,15-21
|
Ernst
Marijnissen OP |
|
In
de eerste lezing wordt ons verteld over het optreden
van de apostelen. De Handelingen leveren ons vele getuigenverklaringen
over de manier, waarop de eerste generatie na Jezus’
verrijzenis te werk is gegaan. Wat mij opvalt is de grote overeenkomst
met de manier, waarop Jezus dat deed. De apostelen zetten mensen weer
op hun voeten, genezen blinden en doven, blijven trouw aan hun
opdracht, ook als deze gevangenschap en vervolging oproept. Zij spreken
moedig voor kerkelijke en burgerlijke overheden en vertonen een grote
pastorale bekommernis met mensen, die in nood verkeren. Het valt me op,
maar het verwondert me niet echt. Waarom eigenlijk niet?
Vlak voor de evangelielezing van deze dag staat een beroemd woord
geschreven. Op de vraag van Filippus: ‘Heer, toon ons de
Vader’, heeft Jezus geantwoord: “wie mij ziet, ziet
de Vader!”. Zulke woorden kun je alleen bij Johannes
verwachten. Ze zijn namelijk van een wonderlijke diepgang. Van dezelfde
Johannes wordt ons uit één van zijn brieven een
ander beroemd woord overgeleverd, dat zegt: ‘niemand heeft
ooit God gezien’. Ik trek daaruit de volgende conclusie. Wil
je zinnig over God spreken, zie dan naar Jezus, hoe hij spreekt en
werkt, zich gedraagt en verdraagt. Zie naar zijn algehele overgave en
deelname aan het lot en het leven van de geschoffeerde en gekwelde
mens. In ons bestaan, zusters en broeders, zijn we gebonden aan plaats
en tijd en ruimte. Spreken en denken over God betekent dus altijd, dat
het zich binnen de grenzen van het menselijk mogelijke afspeelt. Daarom
is God dan ook mens geworden. Daarom schept God de mens naar zijn beeld
en gelijkenis, of liever gezegd: worden we uitgenodigd in deze wereld
voor elkaar zijn beeld en gelijkenis te worden. Dat maakt Jezus aan
Filippus duidelijk. Daarom zijn deze woorden van zo’n grote
betekenis, omdat ze ons toegang geven tot de belofte van Jezus, dat hij
de heilige geest, de helper zal zenden. Wat wil hij daarmee zeggen?
We moeten het ons niet te gemakkelijk maken. Dat zouden we doen, als we
ons de heilige geest voorstellen als een vogel, die van bovenaf komt
aangevlogen of heen en weer vliegt tussen de mensen. Natuurlijk
gebruikt de bijbel het beeld van de duif, die Johannes de doper uit de
hemel op Jezus ziet neerdalen bij diens doop in de Jordaan. Maar dat is
een symbool, rijk geladen weliswaar, maar een symbool. En daarbij
moeten we het laten. Je kunt de heilige geest niet filmen. Als je dat
probeert zie je niets, zelfs geen vogel. Toch zegt Jezus, dat hij na
zijn opstaan uit de doden ons de heilige geest zal zenden. Maar dat
zenden is niet te verstaan als een postpakket of een e-mail. Evenmin
als we God kunnen waarnemen zonder naar Jezus te zien, kunnen we de
heilige geest waarnemen zonder naar Jezus te zien. Wie scherp naar
Jezus kijkt, zijn spreken en doen op zich laat inwerken en concreet
maakt in het eigen spreken en doen, zal zijn geest op een eigen wijze
gewaar worden. De inspirerende kracht en het voortstuwend elan van
Jezus drijven ons voort. Dat vertalen we door te zeggen dat hij ons
begeesterd, ons met andere woorden zijn geest zendt.
|
Mogen
we het nu hierbij
laten? Ik denk van niet. Als Jezus zegt: “wie mij ziet, ziet
de Vader”, dan heeft hij het niet alleen over zichzelf. Hij
wijst ons de weg, hij wil ons iets duidelijk maken. Hij wil zeggen, dat
elk mens, u en ik persoonlijk, zo moeten leven, dat u en ik beeld en
gelijkenis zijn van God. Het moet zo zijn, dat wie u en mij ziet, de
Vader ziet. Stellen we ons eens voor dat het zó zou zijn in
deze wereld!
“Kan dat wel?” zullen we nu vragen. Wij zijn toch
niet zoals Jezus is! Zusters en broeders: daar gaan we weer. We vinden
het prachtig als deze dingen worden gezegd, maar ze uitvoeren is nog
wat anders. We voelen haarscherp aan dat we dan in menig opzicht ons
leven moeten bijstellen of zelfs radicaal veranderen. We richten de
blik weer binnenwaarts en verliezen onze naasten uit het oog. We zoeken
een alibi en verschuilen ons achter de uitzonderlijke eigenschappen van
Jezus. Maar als we dat doen, verdwijnt hij uit onze ogen. Dan hebben we
niet gehoord wat hij tegen ons zegt: “als jullie mij iets
vragen in mijn naam, zal ik het doen; als jullie mij liefhebben zullen
jullie mijn geboden bewaren”. We moeten in zijn naam vragen,
dat wij zullen spreken en doen als hij. Misschien, ja het is zelfs
zeker, moeten we veel prijsgeven, maar we krijgen er onnoembaar veel
voor terug. We krijgen er de heilige geest voor terug!
“Wie mij ziet, ziet de Vader”. Je kunt het aanzien
van de ander en het werken van de heilige geest vergelijken met het
vuur van de liefde. We zeggen: dat is liefde op het eerste gezicht!
Twee mensen ontmoeten elkaar voor het eerst en aanstonds vliegt er een
vonk over. Beiden staan in vuur en vlam. Zo gaat het ook met de geest,
als op ons van toepassing is: wie mij ziet, ziet de Vader. Maar het kan
ook zijn als een oplopende spanning tussen twee mensen. Dat vraagt
tijd, maar het moment komt waarop de liefde zich ontlaadt, heftig en
warmbloedig. Zo gaat het ook met de geest, als op ons van toepassing
is: wie mij ziet, ziet de Vader. Als we werkelijk op Jezus vertrouwen,
zullen we doen als hij heeft gedaan. We zullen met nieuwe ogen
verlangend en open naar elkaar zien. En aanstonds zullen we de
betekenis van zijn woorden ervaren: “ik zal jullie een andere
helper zenden”. Tijdens zijn aardse leven was de kracht van
de heilige geest in hem en beïnvloedde en inspireerde zijn
leerlingen en de vele mensen, die hij ontmoet heeft. Maar nu Jezus is
weggegaan zullen wij, de leerlingen van nu, zijn werk voortzetten.
Zoals van de leerlingen in de Handelingen van de apostelen wordt
verhaald van hun spreken en doen als Jezus, zo moet dat nu van ons
gezegd kunnen worden. Nu zal de geest van ons of van de ander uitgaan,
en anderen of ons beïnvloeden en inspireren. Nu zal het vonken
en vlammen tussen ons, zoals het in Jezus’ tijd gevonkt en
gevlamd heeft tussen hem en de leerlingen. Toen werkte de helper door
en in hem, nu is er een andere helper: ik, wij, de anderen. Anders
gezegd: in de ander zal ik jullie de helper zenden. Zo wordt
nóg een schriftwoord vervuld: “het is niet goed
dat de mens alleen is”. De helper, de trooster is daar!
Ín de ander. Dóór de ander.
“Wie mij ziet, ziet de Vader!”.
|
Hemelvaart:
Handelingen 1,1-11
|
2
juni 2011, Theo Koster OP |
|
Het
boek
Handelingen, waarvan we het begin hoorden, vertelt, dat de jonge
christelijke gemeenten voortzetten de geschiedenis die met Jezus en
zijn verkondiging van Gods koninkrijk begonnen is. Een belangrijk
motief in het boek is, dat het christendom een rechtstreekse
voortzetting is van Gods werk met Israël. De Hemelvaart doet
denken aan hoe de profeet Elia werd opgenomen bij God. De wolk
herinnert ons aan de uittocht, aan Gods aanwezigheid bij het volk en
zijn betrokkenheid op dit volk. Nieuw is, dat dat niet alleen Joden,
maar ook niet-Joden kunnen deelnemen; het wordt in Handelingen
beschreven als het werk van de Geest.
De leerlingen zitten nog helemaal met hun gedachten in het verleden.
Gaat gij in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen,
vragen zij Jezus. Het is in onze tijd vertaald het terugverlangen naar
mijn kinderjaren, toen de kerken vol waren, kloosterlingen en priesters
alom aanwezig. Maar het oude koninkrijk Israël komt niet
terug; in
Jezus is een universeel koninkrijk van God doorgebroken, in Jezus geeft
God zijn heil aan de gehele wereld. Het rijke roomse leven, waarin
paus, bisschoppen, priesters en kloosterlingen centraal stonden is
voorbij. Met Johannes XXIII is een kerk begonnen, waarin het volk van
God, de gelovigen, Jezus verkondigen in de wereld.
De leerlingen hebben het hier maar moeilijk mee. Zij blijven staren
naar de hemel waarin Jezus verdwenen is, realiseren zich niet, dat zij
kracht zullen ontvangen om van deze Jezus te getuigen in Jeruzalem, in
geheel Judea en Samaria en tot het einde der aarde. Ook wij hebben het
soms moeilijk met het verdwijnen van de kerken en de kloosters. We
weten het wel, maar het slaapt soms in ons, dat wij de kerk zijn, die
in deze wereld het goede nieuws moeten laten klinken, dat het
koninkrijk van God in een kwetsbare mens is doorgebroken, God zichtbaar
wordt waar mensen zich in hun kwetsbaarheid laten zien.
Hoe waar dit is werd mij vorige week duidelijk. Een groep homoseksuele
en biseksuele studenten had in de Studentenkerk een avond georganiseerd
rond het thema: seksuele diversiteit en het geloof, kan dat? Met
seksuele diversiteit wordt bedoeld, dat sommige mensen niet passen in
het overheersende patroon, waarin vrouwen geacht worden seksueel zich
te verhouden met mannen en andersom. Gezien de moeite die vooral de
rooms katholieke kerk heeft met homoseksualiteit had men mij gevraagd
de avond te begeleiden. We moesten in twee groepen praten, want het
aantal studenten dat hierop af kwam was groot, 24. Tot discussies,
waarin het gaat wie er gelijk heeft, kwam het niet, terwijl er toch
grote onderlinge verschillen waren. Men bevroeg elkaar respectvol,
zodat er een
|
intimiteit
ontstond waarin ieder zich kon laten zien. Ik hoefde niet meer dan
volledig mee te doen. Ik zat er met het gezag van mijn leeftijd en mijn
positie, maar van mij werd het heil niet verwacht.
Op een gegeven moment vroeg ik: zou er voor homoseksuelen iets
wezenlijks veranderen in de rooms katholieke kerk, als de paus uit de
kast zou komen, m.a.w. zou vertellen dat hij homoseksueel is? Daarover
hoefde men niet lang na te denken. Het antwoord was volmondig: nee.
Natuurlijk zou het even wat makkelijker zijn om het thema
homoseksualiteit in de kerk aan te snijden. Een echte verandering in
positieve zin hangt af van gelovige homo’s, die hun
geaardheid
noch hun geloven verstoppen, en in de kerk homo en in de wereld
gelovige durven zijn.
Er is moed nodig, kracht van de geest om in navolging van Jezus overal,
in de kerken en in de wereld, te vertellen, dat elk mens een cadeautje
is van God, dat elk mens dus uitgepakt moet worden, en niet ingepakt,
dat elk mens kan laten zien wie hij/zij ten diepste is: kind van God.
Wat ons te doen staat is geen kerkelijk instituut overeind houden, noch
in onze schulp te kruipen, maar vrijmoedig te getuigen van Jezus
Christus. Een vrijmoedig getuigenis begint bij jezelf, bij het onder
ogen zien van de eigen mogelijkheden en grenzen, van de eigen lichte en
donkere kanten. Wie zich niet opsluit in schaamte of angst, zich niet
gevangen laat zetten in wat anderen van je denken en verwachten is
vrij, zoals die groep studenten in de Studentenkerk. Vrij geworden vind
je, ontdek je de moed, de Geest om anderen aan te spreken, om te
getuigen van de man uit Nazareth, die ons leven in al zijn
kwetsbaarheid deelde, en ons toegankelijk maakte voor God en diens
Geest.
Voor de groep studenten was het een openbaring om met elkaar over
geloven te kunnen praten; het samenkomen in een kerk had hieraan zeker
bijgedragen. Voor mij was het een openbaring te zien, dat ze mij, laat
staan de paus nodig hebben om het koninkrijk op het spoor te komen. Het
is al aanwezig, maar voor velen blijkt de kerk het zicht erop te
versperren.
Voor ons, hier aanwezig als kerk, is kerk geen obstakel, maar een hulp.
Hier vinden we de intimiteit en de kracht volk van God te zijn, in de
wereld te getuigen van een mens, die vol was van God, Jezus van
Nazareth, een jodenman. Onze kracht is niet de discussie, het al of
niet gelijk hebben. Onze kracht is niet onze positie of leeftijd. Onze
kracht is de vrijheid van de kinderen Gods. Koester die vrijheid en je
zult ervaren dat zij aanstekelijk werkt.
|
7e
zondag van Pasen: Handelingen 1, 12-14; Johannes 17,1-11a
|
5
juni 2011, André Lascaris OP |
|
Jezus
bidt. Hij bidt voor ons. Hij vraagt voor ons
eeuwig leven. Dat eeuwig leven is niet allereerst het leven met God na
de dood; het is bestemd voor alle levenden, voor ons. Het is het echte
leven. En dat echte leven is volgens Jezus dat wij God kennen en degene
die hem vertegenwoordigt, Jezus Christus. Jezus heeft de naam van God
geopenbaard, dwz ons gezegd wie God is.
Dat kennen van God is niet alleen iets van het verstand, van het weten,
kennen heeft hier de betekenis van een levende verbondenheid. God
kennen is in relatie met God staan.
Nu heb ik wel het gevoel dat er iets mis is gegaan. Dat wij dit niet
goed hebben begrepen, en wij niet alleen, maar er is in de geschiedenis
iets mis gegaan. Zo was ik afgelopen maandag in de Hermitage in
Amsterdam naar een tentoonstelling van Russische iconen.
‘Glans en glorie’ heet de tentoonstelling, of
liever zou ik haar noemen: 'Pracht en praal’. De iconen
worden ‘vensters van de hemel’ genoemd,
‘vensters op de hemel’. Door de iconen heen met hun
vele goud, purper, blauw en groen, komt de hemel als het ware bij ons
binnen. Het is een tentoonstelling van pracht en praal. Het beeld van
God is hier pracht en praal. We worden uitgenodigd een relatie aan te
gaan met deze God van pracht en praal.
Voor anderen heeft de stad Rome die betekenis gehad. Rome is een
prachtige stad. Maar bijna alles verwijst naar de pracht en praal van
de katholieke kerk en naar de macht van de pausen die overal op
gebouwen hun wapenschild hebben nagelaten: kijk toch eens, dit heb ik
gebouwd.
Het beeld van God als pracht en praal komt ook in de Bijbel voor. God
omringd door engelen, serafijnen en cherubijnen, God als een wolkkolom
en als een brandend vuur, God als een koning zittend op een troon,
omringd door een ontelbare menigte die God toezingt.
Maar dit beeld van God bestond al veel eerder dan Jezus en komt
waarschijnlijk in iedere godsdienst voor. Wanneer Jezus ons God wil
doen kennen en eeuwig leven belooft, heeft hij daarnaast een ander
beeld van God voor ogen. Zijn gebed en afscheidsrede volgen op de
voetwassing, Ja, zegt Jezus, ik ben jullie meester en heer, maar ik was
jullie de voeten en dat moeten jullie ook elkaar doen. Hier geen beeld
van God van pracht en praal, maar een beeld van een God die
dient
|
en
die uit is op het welzijn van allen. En de afscheidsrede en
gebed
van Jezus eindigen met de kruisdood, waarin God in Jezus ons laat zien
dat wij zo nodig het leven moeten verliezen om het echte leven, het
eeuwige leven te winnen.
Eeuwig, echt leven is hier het afwijzen van een wereld waarin de een
boven de ander staat. Een bevrijd zijn van jalousie en afgunst, een
leven waarin geweld wordt afgewezen en naar vrede wordt gezocht. Zo
laat de eerste lezing horen hoe de broeders van Jezus die eerst tegen
hem gekant waren zich nu met zijn moeder aansluiten bij zijn
leerlingen. Een echt leven waarin getracht wordt ieder mens recht doen,
te laten opbloeien. Een verbonden zijn met een God die uit is op het
heel zijn en het geluk van mensen in een eindige wereld en in een
geschiedenis van onophoudelijke pogingen de grootste te zijn.
Jezus bidt voor ons opdat wij dit echte, eeuwige leven mogen ontvangen.
In relatie staan met deze God, vader van Jezus, onze vader
bevrijdt ons van de drift boven anderen te willen staan.
De woorden en daden van deze God heeft Jezus ons doorgegeven. Wij
vertegenwoordigen Jezus op deze aarde. Wij zijn degenen die zijn licht
moeten verder dragen. Wij zijn degenen die het eeuwig leven in zich
dragen
Is dat niet te veel gevraagd van mensen zonder pracht en praal, zonder
bijzondere talenten? Neen, juist dat we mensen zijn zonder praal en
pracht, maakt ons geschikt om eeuwig, echt te leven en anderen de ogen
te openen voor dit spoor van God dat wij zelf zijn.
We zijn door eenzijdige verhalen over de pracht en praal van God
geknecht en klein gehouden. Maar, zoals het schriftlied ons laat
zingen, God heeft ons niet geduwd of gesleurd, maar ons over de drempel
gewenkt. God is niet in de eerste plaats in pracht en praal te vinden,
of dit nu oosterse iconen zijn of westerse gebouwen.
En wanneer Nederlandse missionarissen in bijvoorbeeld Brazilië
actief zijn, gebeurt dat niet met de Bijbel in de ene en het geweer in
de andere hand, maar proberen zij stapje voor stapje mensen die klein
werden gehouden op te richten en te doen ervaren wat echt leven is. Wij
bidden vandaag voor hen in deze week van de Nederlandse missionaris en
we mogen hen ondersteunen met onze collecte.
|
Pinksteren, Handelingen 2,1-11.
Johannes 20,19-23
|
Henk
Jongerius OP, 12 juni |
|
De
lezing uit de
Handelingen over het uitstorten van de Geest riep bij mij onmiddellijk
de herinnering wakker aan zondag 1 mei toen ik met Capella Phos Hilaron
mij voorbereidde op de viering in de kerk van de Friezen in Rome. Wij
konden vanaf de trap het Sint Pietersplein gedeeltelijk overzien, zagen
de hoogwaardigheidsbekleders niet maar werden geraakt door de duizenden
mensen die gekomen waren voor de zaligverklaring van Johannes Paulus
II. Het was een ongelofelijke menigte uit alle landen en talen en ik
werd helemaal geroerd toen al die mensen begonnen te zingen in
verschillende talen…..
Het was alsof het hemels visioen van Johannes uit het boek van de
Openbaring werkelijkheid werd: een overgrote menigte die niemand tellen
kon en die een nieuw lied zongen voor het Lam en voor de Ene die op de
troon was gezeten.
In dat hemels lied werd er dank gebracht aan die ene mens die zich
weerloos en zelveloos aan mensen gegeven heeft en ons perspectief heeft
gegeven op een nieuwe wereld die komen zal!
Zijn gezindheid voor mensen en de levensweg die hij ons voor is gegaan,
brengt hij onder woorden in het evangeliegedeelte dat wij hoorden en
waarin hij verschijnt aan zijn leerlingen en zijn levensadem uitblaast
over zijn leerlingen. Wij horen hem zeggen ‘vrede zij
u’ en
‘wiens zonden gij zult vergeven, hun zijn ze
vergeven’.
De gemeenschap der heiligen, zoals de volgelingen van Jezus door Paulus
omschreven wordt, bestaat uit mensen die zich geroepen weten om elkaar
en de wereld tot vrede te zijn. Die vrede wordt werkelijkheid waar
mensen alle tegenstellingen overwinnen en een nieuw lied met elkaar
gaan zingen. Dat zal een lied van vergeving en verzoening zijn, een
lied dat uiteindelijk zingt van datgene
|
wat
mensen ten diepste met elkaar verbinden kan!
Op de 50ste dag, de dag van het oogstfeest in Israël, mogen
wij
weten dat de vruchten van Jezus’ leven ons ten deel vallen.
Het
zijn de vruchten van de Geest, van een nieuw leven dat mensen met
elkaar gaan leiden. Dat leven wordt prachtig getekend door de dichter
Willem Barnard als hij zingt over die gaven van de Geest: het zijn de
liefde en de vreugde, de vrede allermeest, geduld om te verdragen en
goedertierenheid, geloof om veel te vragen, te vragen honderd uit.
Geloof om veel te geven, te geven honderd in, wij zullen leren leven
van de verwondering: dit leven, deze aarde, de adem in en uit, het is
van Gods genade en zijn lankmoedigheid.
Dit lijkt een hemels en misschien onbereikbaar visioen, maar soms wordt
het werkelijkheid voor onze ogen, zomaar op een zondag in mei. Het is
geen visioen van pracht en praal, van hoge kerkleiders op hun valse
tronen, verheven boven mensen, maar van de grote verwondering dat er
een nieuw onbedwingbare kracht zich in mensen baan breekt die ons
meevoert en alles nieuw zal maken. God zich laat ervaren waar vrede en
verzoening mensen verbindt en elkaar tot genezing zijn. Dat zijn de
wondere daden die in Jeruzalem te horen waren in alle talen. Er is maar
één lied waarin alle mensen elkaar zullen
verstaan en ons
de naam van God influistert en dat is de taal van de liefde. Tot die
nieuwe taal en dat nieuwe lied worden wij allen geroepen en de vruchten
ervan zullen hoop en vrede zijn. Moge die Adem Gods als een nieuwe wind
over onze kerk en wereld gaan en ons tot een gemeenschap maken waarvan
gezegd kan worden: ‘zie, hoe zij elkaar liefhebben’.
Zo wil God wonen in ons midden, zo is de hemel onder ons!
|
|