PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: door het jaar 1 (B)
4e
zondag door het jaar: Deuteronomium 18,15-20; Marcus1,21-28
|
29
januari 2012, Henk Jongerius OP |
|
Soms
lees je woorden en verhalen uit de Bijbel die je op
een bijna beklemmende manier de realiteit van de dag voor ogen stellen.
Ik heb dat gevoel vandaag weer, zeker wanneer ik denk aan de manier
waarop bisschoppen met regels en voorschriften menen te moeten omgaan.
Ik denk dan een het verbod om nog langer te functioneren van een
pastoraal werker omdat hij het evangelie had gelezen en gepreekt had
tijdens een eucharistieviering, terwijl dat alleen aan priesters is
voorbehouden!
Maar gelukkig zijn wij vandaag in Kafarnaum, wat betekent
‘huis van de vertroosting’ en horen wij daar hoe
wij met die actualiteit moeten omgaan.
Mozes horen wij de belofte ontvangen dat het ’t volk nooit
zal ontbreken aan profeten. Dat zijn mensen die ons de oude woorden van
de Schrift vóór spellen, dus nog eens helder voor
ogen stellen op deze dag en in deze omstandigheden. Vandaar dat in
Israël gezegd wordt dat het word ‘alle dagen
nieuw’ is, dat het zijn zeggingskracht in telkens nieuwe
situaties zal laten ondervinden.
Dat is nu precies wat er gebeurt in de synagoge waar Jezus het woord
neemt. Kennelijk weet Hij de woorden zo dicht bij de mensen te brengen
dat zij ze als nieuw en verrassend ervaren en geladen met een gezag dat
zij niet aantreffen bij de Schriftgeleerden van hun dagen.
Door zijn woorden gaat het visioen van de wereld zoals die van meet af
aan bedoeld is weer leven, wordt weer aantrekkelijk en een uitdaging
voor mensen om te leven naar de woorden die overgeleverd zijn. Van al
die oude woorden horen wij Jezus zeggen dat zij kort samengevat worden
in de woorden uit het boek Leviticus ‘Je zult je Heer, je
God, beminnen met geheel je hart en al je krachten en je naaste die is
als jij’. De Joodse denker Heschel zegt dat
uiteindelijk alle
|
voorschriften
en
geboden tot doel hebben om ons mensen van liefde te maken die
fijngevoelig zijn voor gerechtigheid. Dit is een prachtig en bevrijdend
perspectief! Geen wonder dat de toehoorders van Jezus er enthousiast
over waren, maar niet allen!
Er is ook een ander soort mens aanwezig, horen wij. Hij doorziet wat de
consequenties zijn van Jezus’ woorden en zegt ‘wat
heb je met ons te maken!’ Een boze geest heeft hem bevangen,
staat er, maar het zijn vaak die kwade machten die ons duidelijk maken
waar het werkelijk om gaat: om geboden en letterknechtschap of om de
ware vrijheid van Gods kinderen. En met dat laatste is geen
willekeurige vrijzinnigheid bedoeld, maar een leven in vertrouwen op de
profe-tische woorden van de Schrift die ons de goede weg wijzen. Het
gaat niet om de sabbat, - om Jezus zelf te citeren, - maar om de mens
die heer is van de sabbat. De nadruk leggen op recht – ook
kerkelijk recht – verwordt tot onrecht als het concrete
mensen met hun vragen niet meer ziet staan. Wat bedoeld is als gezag op
grond van de woorden van het evangelie verwordt dan tot het uitoefenen
van macht en de onderwerping van mensen daaraan. Daarom moet die kwade
geest tot op vandaag weggejaagd worden: ga heen!
Er zal altijd die spanning zijn tussen het handelen volgens de regels
en het geluk van mensen dat op het spel staat. Laten wij ons houden aan
de woorden van de profeet, het mensenkind uit Nazareth en in zijn
navolging leven, elke dag opnieuw. Wij zullen dan ervaren dat wij tot
waarachtige vrijheid geroepen worden, niet tot slaafse gehoor-zaamheid,
maar tot mensen voor wie liefhebben het laatste en belangrijkste woord
is. Laten wij elkaars gezicht opdelven en tot nieuwe mensen worden, in
Gods naam!
|
5e
zondag door het jaar: Job 7,1-4+6-7; Marcus 1,29-39
|
5
februari 2012, Ernst Marijissen OP |
|
Het
eerste wat Jezus onderneemt nadat hij de eerste
leerlingen heeft geroepen is een bezoek aan de synagoge van
Kafarnaüm. Het is sabbat. Zijn gehoor is enthousiast over zijn
preek en laat dat duidelijk blijken. Maar temidden van de gemeente is
ook een mens, die door een onreine geest is bezeten. Hij weet alles van
Jezus af. Klaarblijkelijk is hij een goed theoloog of schriftkenner.
Maar desondanks roept hij uit: ” wat wil je van ons, Jezus
van Nazaret? Kom je ons te gronde richten? Ik weet wie je bent: de
heilige van God!”. Je houdt het eigenlijk niet voor mogelijk!
Hoe kan nu iemand in één adem Jezus de heilige
van God noemen én zeggen dat hij ons te gronde komt richten?
Dit moet wel een bijzonder boze geest zijn. Deze geest staat zich
zó voor op zijn rechtgelovigheid en recht van spreken, dat
ze doof is geworden voor het levende woord van God. Dat woord is geen
verleden tijd. Het is een levend woord en wordt zo een bedreiging voor
de zelfverzekerdheid van de gemeente en een rem op haar
zelfgenoegzaamheid. Zo’n onreine geest kan niet door de kerk
en ook niet door haar leiders zelf worden uitgebannen. Kerk en
kerkleiders kunnen zichzelf niet uitbannen, zich niet van deze onreine
geest bevrijden. Deze geest is namelijk onrein omdat zij het symbool is
van hun eigenbelang. Daarom moet juist déze kwade geest
worden uitgebannen door iemand, die boven kerk en kerkleiders staat.
Jezus is de eerstgeborene van een nieuwe schepping en gaat als het ware
aan kerk en kerkleiders vooraf. Dat is een opvallende daad van Jezus.
Zonder de geest van het oprechte horen kan Jezus zijn leerlingen niets
leren. Hij neemt hen mee naar een nieuwe wijze van kerk-zijn en laat
hen zien, dat een leerling eerst moet worden bevrijd van de arrogantie
van het zeker weten. Ook moet de zelfvoldaanheid worden ontmanteld,
waarmee wij ons van Jezus meester maken door leeruitspraken en rituele
voorschriften. De hoorders in de synagoge, de kerk, zijn verbaasd en
enthousiast: “een nieuwe leer”, zeggen ze,
“heel anders dan die van het boekje”. Reeds daar,
lang geleden in die synagoge, blijkt de schare, zoals de evangelisten
de gewone mensen vaak noemen, meer bij de tijd dan haar kerkelijke
leiders.
Pas als dit woord geklonken heeft en de geest zijn werk gedaan,
verlaten ze de synagoge en gaat Jezus met Johannes en Jakobus naar het
huis, waar Simon en Andreas wonen. De broers hebben Jezus uitgenodigd,
want de schoonmoeder van Simon Petrus is ernstig ziek. Nu moet ik
eerlijk toegeven, dat ik de tekst een beetje verdraaid heb. Het lijkt
zo logisch, dat ze Jezus hebben uitgenodigd, maar zo staat het er niet.
Marcus zegt letterlijk: “ze komen de synagoge uit en terstond
ging hij (Jezus) naar het huis met de zieke schoonmoeder. Waarom
terstond, waarom zonder uitnodiging en waarom die zieke schoonmoeder?
In de Schrift is een naam belangrijk. De naam vertelt wie je bent en
waarvoor je staat. Jezus betekent: redding is de Heer. Vanaf het eerste
begin van Jezus' optreden laat Marcus zien hoe die naam redding is de
Heer te werk gaat. Hij veegt eerst de synagoge, de kerk, schoon. Als je
mensen gaat redden moet je dwingelanden en hen, die te hard en te veel
praten, verwijderen. Zij belemmeren namelijk de goede communicatie en
verstandhouding tussen mensen. Jezus begint daarmee - let wel! - op de
sabbat, want die dag moet je heiligen. De sabbat heilig je, zuiver je,
als je mensen eerst de ruimte geeft om met elkaar te leven en voor
elkaar zorg te dragen. Niet door te roepen wat wel en niet geoorloofd
is.
Vervolgens gaat Jezus naar een gewoon mensenhuis. Hij doet dat
‘terstond’ na de dienst in de synagoge. In dat huis
van mensen ligt namelijk een zieke vrouw. Wat Jezus heeft gedaan in de
synagoge, namelijk de geloofsgemeenschap reinigen van een onreine en
boosaardige geest, is veel meer dan een louter liturgische handeling.
Het is de aanduiding van wat in de wereld van mensen moet gedaan
worden. Daar moet het kwaad in al zijn verschrikkelijke
verschijningsvormen worden uitgebannen. Wat tijdens de eredienst
gebeurt vraagt om directe aanpak. Eredienst is niet vrijblijvend en al
helemaal niet bedoeld om een uurtje prettig samen te zijn. Eredienst
roept op tot actie en daarom gaat Jezus na het verlaten van de synagoge
terstond naar het ziekenhuis.
De zieke wordt nader aangeduid als de schoonmoeder van Petrus. Zij is
dus van een oudere generatie dan die waartoe Petrus en de andere
leerlingen behoren. Die oudere generatie wordt beschreven als een zieke
vrouw. Zij is het beeld van de oude synagoge, waarin een onreine geest
de geloofsgemeenschap
heeft verziekt. Het moet in onze dagen helaas niet
zo moeilijk zijn om die verzieking met
|
ervaringen
en concrete
voorbeelden een helder gezicht te geven. Daarom is het van groot belang
te zien wat Jezus doet. Evenals in de synagoge, die Jezus en
zijn
leerlingen zo juist verlaten hebben, neemt hij ongevraagd het
initiatief en geneest haar. Ongevraagd en terstond. Hij heeft geen
verlof nodig en er is geen reden om te talmen of het wel gedaan moet
worden. Want zijn naam luidt: redding is de Heer. Tegenwoordige tijd!
Hij richt haar op en geeft aan zijn leerlingen, de jongere generatie,
een teken van bemoediging, dat de oude kerk weer gezond kan worden als
zij de manier van horen, zien en doen van Jezus volgt. Marcus zegt het
zo: “Jezus nam haar bij de hand, richtte haar op en zij
bediende hen”. Korter en kernachtiger kun je de dienst van de
kerk aan de samenleving niet beschrijven.
Maar er is nog meer. De genezen vrouw is
‘schoonmoeder’. Waarom is zij dat in ons verhaal?
Ze is geen bloedverwante. De kerk mag niet ten onder gaan aan inteelt
en bloedgroepen. Ze mag geen gesloten gemeenschap zijn en daarom is er
steeds nieuw bloed nodig, nieuw leven, nieuwe inspiratie. Zo blijft de
toekomst open voor iets nieuws. Een toekomst, die niet door een
generatie wordt gemaakt of vastgesteld, die niet door haar wordt
bepaald maar die zij van Godswege ontvangen. De kerk
hééft de toekomst niet, ze ontvangt deze, steeds
weer.
Enige weken geleden werd op de Duitse televisie een eucharistieviering
uitgezonden. Deze vond plaats in een zorgcentrum in Wenen. De zaal,
waar waarschijnlijk op andere tijden koffie werd gedronken, naar mensen
gekeken en vooral over mensen gepraat, bingo gespeeld en feest gevierd,
was op een frisse manier aangekleed tot een stemmingsvolle
gebedsruimte. Allemaal oude mannen en vrouwen, waarvan velen invalide
waren. Ze zongen dat het een lieve lust had onder de bezielende leiding
van een klein gemengd bejaardenkoor. De wijbisschop van Wenen, ook geen
jonge man meer, ging voor, geassisteerd door een hoogbejaarde rector.
Hij leek een beetje op mij. Jongeren waren in geen velden of wegen te
bespeuren.
Ik heb het zo aangezien en ik vond het ontroerend. Ik moest denken aan
Abraham en Sara, die door God de woestijn werden ingestuurd. Zij waren
op dat moment kinderloos. Ze konden niet vermoeden dat het land,
waarnaar ze op weg waren, eens door een volk, hun nageslacht, bewoond
zou worden. Toen God hen beiden de woestijn in stuurde waren er geen
jongeren. Zij moesten op weg, twee oude mensen, en zij geloofden dat
God hun een toekomst zou geven.
Ik moest denken aan al die oudere mannen en vrouwen, die tijdens
zeventig jaar communistische dictatuur in Rusland het geloof hebben
bewaard en bleven bidden in hun kerken. En toen iemand tegen kardinaal
Alfrink de opmerking maakte, dat er geen jonge mensen in die kerken
kwamen, heeft hij geantwoord: “maar juist zij hebben het
geloof bewaard en vertrouwd op Gods toekomst”. Toen de
dictatuur was verdwenen liepen de keken vol. Vol met jonge mensen!
Ik zie die schoonmoeder wel zitten. Zij vertegenwoordigt een kerk, die
Jezus wil dienen. Een kerk met een nieuw gezicht en een fris elan.
“De koorts was geweken”, zegt Marcus in zijn
verhaal. Aan de leerlingen geeft Jezus dus een duidelijk signaal, alsof
hij zeggen wil: jullie zijn nu met weinigen. Een kleine kudde. Jullie
tijd zal komen. Nu zijn het woord en de daad aan de ouderen, die de
kerk willen vernieuwen en in hun samenkomsten, vieringen, gesprekken en
studie elkaar vasthouden als eens Abraham en Sara hand in hand zijn
gegaan. Gods naam luidt: Ik zál er zijn. In de geschiedenis
en in de toekomst zal deze naam vorm krijgen in een andere: redding is
de Heer. Hier en nu, zelfs als die plaats tijdelijk op een woestijn
lijkt. Een eenzame plaats, waar wij, evenals Jezus en zijn leerlingen,
verblijven om er te bidden. Ongevraagd zal Jezus op het juiste moment
ook ons zeggen: “Laten we ergens anders heen gaan zodat ik
ook daar kan verkondigen”. De wereld rondom wacht op ons
opdat haar boze geesten worden uitgebannen.
Daarom blijven we vol goede moed. Wij volgen geen leer, geen boek, geen
reglement, geen systeem, geen katechis¬mus of welk document dan
ook, maar de persoon, die met de naam Jezus wordt aangewezen: redding
is de Heer! Je staat paf en misschien ben je verbijsterd als je dat in
een mens beleeft. En samen met de toehoorders in de synagoge van
Kafarnaüm, op die sabbat lang geleden, zullen we ons verheugen
en verwonderd zijn.
|
6e zondag door het jaar: Leviticus
13,1-2+45-46; Marcus 1,40-45
|
12
februari 2012, Antoon Boks OP |
|
Vanuit
onze kapel gaan twee mensen van onze communiteit
na afloop van de Eucharistieviering het Lichaam van Christus naar
zieken brengen. Een kapelganger doet dit soms voor drie mensen. In
andere kerken is het een hele ceremonie. Vrijwilligers komen naar voren
en krijgen ieder een schaaltje om die naar familie of vrienden te
brengen, terwijl anderen naar verzorgingstehuizen of zelfs een lokale
gevangenis gaan.
Wij geven wel altijd heel bewust aan dat we tijdens onze viering ook
denken aan de mensen die via de radio meevieren. Dat geldt ook voor de
zegen, want zij horen ook bij ons.
Die thuisblijvers horen er echt bij. Als mensen ziek zijn of niet
fysiek bij ons kunnen zijn, dan mogen ze zich door ons niet
buitengesloten voelen. In hun eenzaamheid zouden zij zich vergeten
kunnen voelen, niet alleen door de gemeenschap, maar zelfs door God,
daarom zeggen we steeds weer, dat we ons hen herinneren en missen.
Jezus is steeds weer aanwezig voor ons allen. Daarom vertellen we onze
broeders en zusters (en dat kunnen ze ook zelf horen), dat wij steeds
weer voor hen bidden, want zij delen met ons het Woord van God bij onze
viering.
In tegenstelling tot wat ik zo juist beschreef, kan de lezing van
Leviticus ruw klinken, een wrede praktijk uit een primitieve tijd. Het
moest op melaatsheid van toepassing zijn, maar wegens hun gebrek aan
medische kennis, werd om het even welke huidkwaal of uitslag ook
melaatsheid genoemd. De mensen uit die lang vervlogen tijden vreesden
melaats te worden want zij hadden geen medicijnen om het te behandelen.
Daarom moest volgens Leviticus iemand met melaatsheid buiten het kamp
zijn woonplaats zoeken.
De Israëlieten geloofden dat ze kinderen waren van God die
heilig is. Daarom willen zij ook zelf heilig zijn. Voor hen betekende
heiligheid dat ze geestelijk en lichamelijk zonder smet waren. Daarom
sloten zij van hun gemeenschap iedereen uit die zij besmet achtten. Die
uitsluiting had ontzettende gevolgen in de oude tijden. Zonder familie
of gemeenschap kon je niet leven. Uitgestoten worden uit een
gemeenschap was een doodsvonnis.
Deze verbanning van de melaatsen uit de samenleving betekende ook dat
ze niet samen met de gemeenschap God konden aanbidden. Op die manier
waren ze niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk bezoedeld. Zij
waren levende doden. Zij voelden zich buitengesloten door de mensen en
daarom waarschijnlijk ook door God.
Dat is ook de manier waarop sommige van onze ernstig zieke of
gehandi- capte medemensen zich kunnen
voelen. Daarom vind ik het zo fijn,
dat wij deze
|
mensen steeds
weer in onze liturgie betrekken. De
sacramentele aanwezigheid van Jezus maakt ons één
gemeenschap. Maar die
aanwezigheid kunnen we ook tastbaarder maken door deze mensen te
bezoeken. Wij kennen die tastbare aanwezigheid ook in evangelieverhalen
als die van vandaag.
In plaats van achteruit te lopen, weg van de melaatse die hem
benaderde, voelde Jezus medelijden met hem en raakte hem aan. Hij
overbrugde de afstand tussen schoon en besmet, tussen respectabele
insiders en de buitenstaanders, die we niet hoeven te respecteren. Toen
Hij dat deed, handelde Hij met het gezag van God. Wie is deze God die
Jezus openbaart? Deze God is niet alleen de God van de “gave
mensen”, maar zeer zeker ook van de arme en de
buitenstaander; de God die zieken en buitengesloten mensen bereikt om
ook hen er bij te laten horen en te laten zien, dat ze deel uitmaken
van hun familie en van de gemeenschap.
Na het evangelieverhaal van vandaag gehoord te hebben kunnen wij ons
afvragen: hoe reageren wij op zieke mensen? Hoe bakenen wij de
maatschappij af? Wie noemen wij normaal of abnormaal? En hoe behandelen
wij hen? Ik hoor in het huidige politieke -niet zo subtiele - debat
soms belachelijke uitspraken over bepaalde groepen mensen. Men spreekt
op de gekste manieren over hen. Wij kunnen dan het medische probleem
van melaatsheid opgelost hebben, maar er is nog steeds sociale en
geestelijke melaatsheid om ons heen. En onze moderne melaatsen worden
net zo goed buitengesloten als degenen over wie wij vandaag in de
Bijbel hoorden.
Markus vertelt ons dat Jezus door medelijden voor de melaatse werd
bewogen. Jezus toonde hartstochtelijk dat Hij tegen menselijk lijden en
de oorzaken daarvan was. Het verhaal nodigt ons uit om niet op een
afstand te blijven staan, maar spoort ons aan om net als Jezus de
handen uit te steken en hulp te bieden aan mensen die lijden.
Vanaf de schepping zijn alle mensen al kinderen van God maar door ons
doopsel werden we dat op een speciale manier. Wij zijn en blijven
gereinigd van onze geestelijke melaatsheid: de zonde. Zonde breekt de
gemeenschap af. Daarom mogen we Jezus benaderen en Hem vragen onze
zonde te vergeven zodat we vernieuwd terug kunnen naar onze gemeenschap.
Net zoals de genezen melaatse worden wij steeds weer opnieuw geroepen
om te vertellen van onze ontmoeting met Christus. Wij kunnen aan zieke
en andere zorg nodig hebbende mensen vertellen dat zij en wij kinderen
zijn van dezelfde Vader en over een paar weken kunnen we in ons
vastenproject proberen om al zijn het maar een paar mensen in Ecuador
te helpen.
|
7e zondag door het jaar: Jesaja,
43,18-25; Marcus 2,2-12
|
19
februari 2012, André Lascaris OP |
|
Velen
van ons hebben die ervaring gehad. Je weet: ik
moet naar een specialist, enje meldt je bij de assistente."Tja,
mijnheer, mevrouw, over vier weken is er een plekje vrij, of over twee
maanden, dan ... neen, eerder niet, er is een menigte
vóór u die al heeft ingeschreven". Of je staat op
een vliegveld. Dan moet je je ticket omruilen of iets dergelijks. En
voor de balie staat een lange rij. Die mensen zijn niet van plan jou
voor te laten gaan. Ze staan misschien wel onder dezelfde druk als jij.
Je kunt het gevoel hebben dat je in een hopeloze situatie verkeert.
Daar gaatje vliegtuig. Of erger, je moet heel lang in onzekerheid
verkeren, terwijl je gezondheid op het spel staat.
In zo'n hopeloze situatie bevinden zich de vier mannen en de lamme. De
weg naar redding is afgesneden door de menigte. Er is geen doorkomen
aan, de toegang tot Jezus is geblokkeerd en we kunnen wel raden dat
noch beleefde verzoeken, noch ellebogenwerk iets uithalen. Ze volgen
een eigen weg; geen horizontale, maar een verticale. Zoals Jezus zelf
'uit de hemel is neergedaald uit de hoogte, zo daalt de verlamde neer
uit de hoogte. Hun geloof, hun vertrouwen is groot. Geloven hier is
geen opzeggen van een formule, maar een doen. Ze overwinnen een
geweldig obstakel: de vijandige menigte.
Dan zegt Jezus: "kind, je zonden worden je vergeven". De verlamde heeft
een groot obstakel overwonnen. Maar kennelijk is dit niet het enige
obstakel. Hij heeft kennelijk gezondigd en dus andere mensen schade
toegebracht. Hij heeft hen geblokkeerd, is voor hen een obstakel
geworden, en zo is hij ook voor zichzelf een obstakel geworden. Hij
heeft door schade te brengen aan anderen, ook zichzelf geblokkeerd, de
vrije toegang tot anderen en tot zichzelf. Zijn verlamdheid is het
beeld van een mens die zichzelf zo heeft vast gezet dat hij nergens
meer naar toe kan: zijn relaties met anderen zijn verbroken, en die
anderen zijn misschien zelf ook verlamd geraakt. De vier mannen hebben
hem geholpen om de blokkade van de menige te overwinnen. Jezus neemt de
andere blokkades weg: hij opent de mogelijkheid via hem met anderen in
contact te komen. Dat betekent een nieuwe begin, een nieuwe wereld,
zoals de profeet Jesaja zegt. Hij legt de man geen boete op die hij
eerst moet vervullen, hij veroordeelt hem niet, hij hoeft geen offer te
brengen in de tempel. Ook dat sluit aan bij de tekst van Jesaja. Deze
stelt vast
|
dat
de offers God niet verheerlijken. Ze zijn ook niet
beslissend. God wist de zonden van mensen uit zonder offers te eisen,
meeloffers en wierook.
De schriftgeleerden
zijn geschokt. Ze hebben een heel systeem vanuit de bijbel ontwikkeld
waardoor zonden vergeven kunnen worden en blokkades kunnen worden
weggenomen, zoals dat later ook in de Kerk zal plaatsvinden. De schade
moet financieel hersteld worden. Er moet compensatie voor het ondergane
leed betaald worden en er moet een offer gebracht worden. Jezus stelt
al die voorwaarden niet. Hij vraagt zelfs niet naar berouw, Hij heeft
oog voor deze mens in nood, die zwak is als een kind en maakt hem vrij.
"Neem je bed op en ga naar huis." Het verleden wordt niet veranderd,
dat sjouw je altijd met je mee. Maar dat verleden is nu draagbaar
geworden. Het is niet meer een geweldig gewicht dat de verlamde
neerdrukt en verhindert dat hij in beweging komt, maar hij is vrij om
zijn slachtoffers te benaderen, om zich te bezinnen op dat verleden en
de consequenties op zich te nemen.
We staan vlak voor de veertigdagen tijd, de tijd van voorbereiding op
Pasen. We kunnen ons herkennen in de verlamde man, of in zijn dragers
of in Jezus of ook in de schriftgeleerden. We kunnen mensen zijn die
best bereid zijn om hen die in onze ogen gefaald hebben of die ziek
zijn te accepteren, maar ze moeten dan wel voldoen aan onze
voorwaarden. Wij kunnen als de dragers zijn die anderen die totaal
vastgelopen zijn in hun leven en alleen staan, nabijheid bieden, ze
bevrijden uit hun isolement, en een weg voor hen banen. Wij kunnen zelf
verlamde mensen zijn die zich geblokkeerd voelen en die blokkades niet
alleen kunnen doorbreken. We kunnen zelfs als Jezus zijn: de zwakheid
van de ander zien en de blokkade doorbreken zonder eisen te stellen. We
kunnen ook de slachtoffers zijn die hier niet genoemd worden, maar die
nu mogen verwachten dat de dader alles zal doen op zijn beurt blokkades
weg te nemen genezing, heelheid aan te bieden. En we kunnen ons
aansluiten bij die menigte die aanvankelijk elke toegang blokkeert tot
Jezus, tot genezing en tot nieuw leven, maar die nu ze de verlamde man
in beweging zien komen God verheerlijkt, van een vijandige groep mensen
een kerk, een gemeente wordt, omdat ze zien waartoe geloven kan
inspireren en dat geloven mensen vrij kan maken. We kunnen ons op deze
zondagochtend in elk geval bij hen aansluiten en eucharistie vieren,
dankbaarheid vieren.
|
|