PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: door het jaar 1 (B)


4e zondag door het jaar: Deuteronomium 18,15-20; Marcus1,21-28
29 januari 2012, Henk Jongerius OP

Soms lees je woorden en verhalen uit de Bijbel die je op een bijna beklemmende manier de realiteit van de dag voor ogen stellen. Ik heb dat gevoel vandaag weer, zeker wanneer ik denk aan de manier waarop bisschoppen met regels en voorschriften menen te moeten omgaan. Ik denk dan een het verbod om nog langer te functioneren van een pastoraal werker omdat hij het evangelie had gelezen en gepreekt had tijdens een eucharistieviering, terwijl dat alleen aan priesters is voorbehouden!
Maar gelukkig zijn wij vandaag in Kafarnaum, wat betekent ‘huis van de vertroosting’ en horen wij daar hoe wij met die actualiteit moeten omgaan.
Mozes horen wij de belofte ontvangen dat het ’t volk nooit zal ontbreken aan profeten. Dat zijn mensen die ons de oude woorden van de Schrift vóór spellen, dus nog eens helder voor ogen stellen op deze dag en in deze omstandigheden. Vandaar dat in Israël gezegd wordt dat het word ‘alle dagen nieuw’ is, dat het zijn zeggingskracht in telkens nieuwe situaties zal laten ondervinden.
Dat is nu precies wat er gebeurt in de synagoge waar Jezus het woord neemt. Kennelijk weet Hij de woorden zo dicht bij de mensen te brengen dat zij ze als nieuw en verrassend ervaren en geladen met een gezag dat zij niet aantreffen bij de Schriftgeleerden van hun dagen.
Door zijn woorden gaat het visioen van de wereld zoals die van meet af aan bedoeld is weer leven, wordt weer aantrekkelijk en een uitdaging voor mensen om te leven naar de woorden die overgeleverd zijn. Van al die oude woorden horen wij Jezus zeggen dat zij kort samengevat worden in de woorden uit het boek Leviticus ‘Je zult je Heer, je God, beminnen met geheel je hart en al je krachten en je naaste die is als jij’. De Joodse denker Heschel zegt dat  uiteindelijk alle

voorschriften en geboden tot doel hebben om ons mensen van liefde te maken die fijngevoelig zijn voor gerechtigheid. Dit is een prachtig en bevrijdend perspectief! Geen wonder dat de toehoorders van Jezus er enthousiast over waren, maar niet allen!
Er is ook een ander soort mens aanwezig, horen wij. Hij doorziet wat de consequenties zijn van Jezus’ woorden en zegt ‘wat heb je met ons te maken!’ Een boze geest heeft hem bevangen, staat er, maar het zijn vaak die kwade machten die ons duidelijk maken waar het werkelijk om gaat: om geboden en letterknechtschap of om de ware vrijheid van Gods kinderen. En met dat laatste is geen willekeurige vrijzinnigheid bedoeld, maar een leven in vertrouwen op de profe-tische woorden van de Schrift die ons de goede weg wijzen. Het gaat niet om de sabbat, - om Jezus zelf te citeren, - maar om de mens die heer is van de sabbat. De nadruk leggen op recht – ook kerkelijk recht – verwordt tot onrecht als het concrete mensen met hun vragen niet meer ziet staan. Wat bedoeld is als gezag op grond van de woorden van het evangelie verwordt dan tot het uitoefenen van macht en de onderwerping van mensen daaraan. Daarom moet die kwade geest tot op vandaag weggejaagd worden: ga heen!
Er zal altijd die spanning zijn tussen het handelen volgens de regels en het geluk van mensen dat op het spel staat. Laten wij ons houden aan de woorden van de profeet, het mensenkind uit Nazareth en in zijn navolging leven, elke dag opnieuw. Wij zullen dan ervaren dat wij tot waarachtige vrijheid geroepen worden, niet tot slaafse gehoor-zaamheid, maar tot mensen voor wie liefhebben het laatste en belangrijkste woord is. Laten wij elkaars gezicht opdelven en tot nieuwe mensen worden, in Gods naam!

5e zondag door het jaar: Job 7,1-4+6-7; Marcus 1,29-39
5 februari 2012, Ernst Marijissen OP

Het eerste wat Jezus onderneemt nadat hij de eerste leerlingen heeft geroepen is een bezoek aan de synagoge van Kafarnaüm. Het is sabbat. Zijn gehoor is enthousiast over zijn preek en laat dat duidelijk blijken. Maar temidden van de gemeente is ook een mens, die door een onreine geest is bezeten. Hij weet alles van Jezus af. Klaarblijkelijk is hij een goed theoloog of schriftkenner. Maar desondanks roept hij uit: ” wat wil je van ons, Jezus van Nazaret? Kom je ons te gronde richten? Ik weet wie je bent: de heilige van God!”. Je houdt het eigenlijk niet voor mogelijk! Hoe kan nu iemand in één adem Jezus de heilige van God noemen én zeggen dat hij ons te gronde komt richten? Dit moet wel een bijzonder boze geest zijn. Deze geest staat zich zó voor op zijn rechtgelovigheid en recht van spreken, dat ze doof is geworden voor het levende woord van God. Dat woord is geen verleden tijd. Het is een levend woord en wordt zo een bedreiging voor de zelfverzekerdheid van de gemeente en een rem op haar zelfgenoegzaamheid. Zo’n onreine geest kan niet door de kerk en ook niet door haar leiders zelf worden uitgebannen. Kerk en kerkleiders kunnen zichzelf niet uitbannen, zich niet van deze onreine geest bevrijden. Deze geest is namelijk onrein omdat zij het symbool is van hun eigenbelang. Daarom moet juist déze kwade geest worden uitgebannen door iemand, die boven kerk en kerkleiders staat. Jezus is de eerstgeborene van een nieuwe schepping en gaat als het ware aan kerk en kerkleiders vooraf. Dat is een opvallende daad van Jezus. Zonder de geest van het oprechte horen kan Jezus zijn leerlingen niets leren. Hij neemt hen mee naar een nieuwe wijze van kerk-zijn en laat hen zien, dat een leerling eerst moet worden bevrijd van de arrogantie van het zeker weten. Ook moet de zelfvoldaanheid worden ontmanteld, waarmee wij ons van Jezus meester maken door leeruitspraken en rituele voorschriften. De hoorders in de synagoge, de kerk, zijn verbaasd en enthousiast: “een nieuwe leer”, zeggen ze, “heel anders dan die van het boekje”. Reeds daar, lang geleden in die synagoge, blijkt de schare, zoals de evangelisten de gewone mensen vaak noemen, meer bij de tijd dan haar kerkelijke leiders.
Pas als dit woord geklonken heeft en de geest zijn werk gedaan, verlaten ze de synagoge en gaat Jezus met Johannes en Jakobus naar het huis, waar Simon en Andreas wonen. De broers hebben Jezus uitgenodigd, want de schoonmoeder van Simon Petrus is ernstig ziek. Nu moet ik eerlijk toegeven, dat ik de tekst een beetje verdraaid heb. Het lijkt zo logisch, dat ze Jezus hebben uitgenodigd, maar zo staat het er niet. Marcus zegt letterlijk: “ze komen de synagoge uit en terstond ging hij (Jezus) naar het huis met de zieke schoonmoeder. Waarom terstond, waarom zonder uitnodiging en waarom die zieke schoonmoeder?
In de Schrift is een naam belangrijk. De naam vertelt wie je bent en waarvoor je staat. Jezus betekent: redding is de Heer. Vanaf het eerste begin van Jezus' optreden laat Marcus zien hoe die naam redding is de Heer te werk gaat. Hij veegt eerst de synagoge, de kerk, schoon. Als je mensen gaat redden moet je dwingelanden en hen, die te hard en te veel praten, verwijderen. Zij belemmeren namelijk de goede communicatie en verstandhouding tussen mensen. Jezus begint daarmee - let wel! - op de sabbat, want die dag moet je heiligen. De sabbat heilig je, zuiver je, als je mensen eerst de ruimte geeft om met elkaar te leven en voor elkaar zorg te dragen. Niet door te roepen wat wel en niet geoorloofd is.
Vervolgens gaat Jezus naar een gewoon mensenhuis. Hij doet dat ‘terstond’ na de dienst in de synagoge. In dat huis van mensen ligt namelijk een zieke vrouw. Wat Jezus heeft gedaan in de synagoge, namelijk de geloofsgemeenschap reinigen van een onreine en boosaardige geest, is veel meer dan een louter liturgische handeling. Het is de aanduiding van wat in de wereld van mensen moet gedaan worden. Daar moet het kwaad in al zijn verschrikkelijke verschijningsvormen worden uitgebannen. Wat tijdens de eredienst gebeurt vraagt om directe aanpak. Eredienst is niet vrijblijvend en al helemaal niet bedoeld om een uurtje prettig samen te zijn. Eredienst roept op tot actie en daarom gaat Jezus na het verlaten van de synagoge terstond naar het ziekenhuis.
De zieke wordt nader aangeduid als de schoonmoeder van Petrus. Zij is dus van een oudere generatie dan die waartoe Petrus en de andere leerlingen behoren. Die oudere generatie wordt beschreven als een zieke vrouw. Zij is het beeld van de oude synagoge, waarin een onreine geest de geloofsgemeenschap heeft verziekt. Het moet in onze dagen helaas niet zo moeilijk zijn om die verzieking met 

ervaringen en concrete voorbeelden een helder gezicht te geven. Daarom is het van groot belang te zien wat Jezus doet. Evenals in de synagoge, die Jezus en zijn leerlingen zo juist verlaten hebben, neemt hij ongevraagd het initiatief en geneest haar. Ongevraagd en terstond. Hij heeft geen verlof nodig en er is geen reden om te talmen of het wel gedaan moet worden. Want zijn naam luidt: redding is de Heer. Tegenwoordige tijd! Hij richt haar op en geeft aan zijn leerlingen, de jongere generatie, een teken van bemoediging, dat de oude kerk weer gezond kan worden als zij de manier van horen, zien en doen van Jezus volgt. Marcus zegt het zo: “Jezus nam haar bij de hand, richtte haar op en zij bediende hen”. Korter en kernachtiger kun je de dienst van de kerk aan de samenleving niet beschrijven.
Maar er is nog meer. De genezen vrouw is ‘schoonmoeder’. Waarom is zij dat in ons verhaal? Ze is geen bloedverwante. De kerk mag niet ten onder gaan aan inteelt en bloedgroepen. Ze mag geen gesloten gemeenschap zijn en daarom is er steeds nieuw bloed nodig, nieuw leven, nieuwe inspiratie. Zo blijft de toekomst open voor iets nieuws. Een toekomst, die niet door een generatie wordt gemaakt of vastgesteld, die niet door haar wordt bepaald maar die zij van Godswege ontvangen. De kerk hééft de toekomst niet, ze ontvangt deze, steeds weer.
Enige weken geleden werd op de Duitse televisie een eucharistieviering uitgezonden. Deze vond plaats in een zorgcentrum in Wenen. De zaal, waar waarschijnlijk op andere tijden koffie werd gedronken, naar mensen gekeken en vooral over mensen gepraat, bingo gespeeld en feest gevierd, was op een frisse manier aangekleed tot een stemmingsvolle gebedsruimte. Allemaal oude mannen en vrouwen, waarvan velen invalide waren. Ze zongen dat het een lieve lust had onder de bezielende leiding van een klein gemengd bejaardenkoor. De wijbisschop van Wenen, ook geen jonge man meer, ging voor, geassisteerd door een hoogbejaarde rector. Hij leek een beetje op mij. Jongeren waren in geen velden of wegen te bespeuren.
Ik heb het zo aangezien en ik vond het ontroerend. Ik moest denken aan Abraham en Sara, die door God de woestijn werden ingestuurd. Zij waren op dat moment kinderloos. Ze konden niet vermoeden dat het land, waarnaar ze op weg waren, eens door een volk, hun nageslacht, bewoond zou worden. Toen God hen beiden de woestijn in stuurde waren er geen jongeren. Zij moesten op weg, twee oude mensen, en zij geloofden dat God hun een toekomst zou geven.
Ik moest denken aan al die oudere mannen en vrouwen, die tijdens zeventig jaar communistische dictatuur in Rusland het geloof hebben bewaard en bleven bidden in hun kerken. En toen iemand tegen kardinaal Alfrink de opmerking maakte, dat er geen jonge mensen in die kerken kwamen, heeft hij geantwoord: “maar juist zij hebben het geloof bewaard en vertrouwd op Gods toekomst”. Toen de dictatuur was verdwenen liepen de keken vol. Vol met jonge mensen!
Ik zie die schoonmoeder wel zitten. Zij vertegenwoordigt een kerk, die Jezus wil dienen. Een kerk met een nieuw gezicht en een fris elan. “De koorts was geweken”, zegt Marcus in zijn verhaal. Aan de leerlingen geeft Jezus dus een duidelijk signaal, alsof hij zeggen wil: jullie zijn nu met weinigen. Een kleine kudde. Jullie tijd zal komen. Nu zijn het woord en de daad aan de ouderen, die de kerk willen vernieuwen en in hun samenkomsten, vieringen, gesprekken en studie elkaar vasthouden als eens Abraham en Sara hand in hand zijn gegaan. Gods naam luidt: Ik zál er zijn. In de geschiedenis en in de toekomst zal deze naam vorm krijgen in een andere: redding is de Heer. Hier en nu, zelfs als die plaats tijdelijk op een woestijn lijkt. Een eenzame plaats, waar wij, evenals Jezus en zijn leerlingen, verblijven om er te bidden. Ongevraagd zal Jezus op het juiste moment ook ons zeggen: “Laten we ergens anders heen gaan zodat ik ook daar kan verkondigen”. De wereld rondom wacht op ons opdat haar boze geesten worden uitgebannen.
Daarom blijven we vol goede moed. Wij volgen geen leer, geen boek, geen reglement, geen systeem, geen katechis¬mus of welk document dan ook, maar de persoon, die met de naam Jezus wordt aangewezen: redding is de Heer! Je staat paf en misschien ben je verbijsterd als je dat in een mens beleeft. En samen met de toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm, op die sabbat lang geleden, zullen we ons verheugen en verwonderd zijn.

6e zondag door het jaar: Leviticus 13,1-2+45-46; Marcus 1,40-45
12 februari 2012, Antoon Boks OP

Vanuit onze kapel gaan twee mensen van onze communiteit na afloop van de Eucharistieviering het Lichaam van Christus naar zieken brengen. Een kapelganger doet dit soms voor drie mensen. In andere kerken is het een hele ceremonie. Vrijwilligers komen naar voren en krijgen ieder een schaaltje om die naar familie of vrienden te brengen, terwijl anderen naar verzorgingstehuizen of zelfs een lokale gevangenis gaan.
Wij geven wel altijd heel bewust aan dat we tijdens onze viering ook denken aan de mensen die via de radio meevieren. Dat geldt ook voor de zegen, want zij horen ook bij ons.
Die thuisblijvers horen er echt bij. Als mensen ziek zijn of niet fysiek bij ons kunnen zijn, dan mogen ze zich door ons niet buitengesloten voelen. In hun eenzaamheid zouden zij zich vergeten kunnen voelen, niet alleen door de gemeenschap, maar zelfs door God, daarom zeggen we steeds weer, dat we ons hen herinneren en missen. Jezus is steeds weer aanwezig voor ons allen. Daarom vertellen we onze broeders en zusters (en dat kunnen ze ook zelf horen), dat wij steeds weer voor hen bidden, want zij delen met ons het Woord van God bij onze viering.
In tegenstelling tot wat ik zo juist beschreef, kan de lezing van Leviticus ruw klinken, een wrede praktijk uit een primitieve tijd. Het moest op melaatsheid van toepassing zijn, maar wegens hun gebrek aan medische kennis, werd om het even welke huidkwaal of uitslag ook melaatsheid genoemd. De mensen uit die lang vervlogen tijden vreesden melaats te worden want zij hadden geen medicijnen om het te behandelen. Daarom moest volgens Leviticus iemand met melaatsheid buiten het kamp zijn woonplaats zoeken.
De Israëlieten geloofden dat ze kinderen waren van God die heilig is. Daarom willen zij ook zelf heilig zijn. Voor hen betekende heiligheid dat ze geestelijk en lichamelijk zonder smet waren. Daarom sloten zij van hun gemeenschap iedereen uit die zij besmet achtten. Die uitsluiting had ontzettende gevolgen in de oude tijden. Zonder familie of gemeenschap kon je niet leven. Uitgestoten worden uit een gemeenschap was een doodsvonnis. Deze verbanning van de melaatsen uit de samenleving betekende ook dat ze niet samen met de gemeenschap God konden aanbidden. Op die manier waren ze niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk bezoedeld. Zij waren levende doden. Zij voelden zich buitengesloten door de mensen en daarom waarschijnlijk ook door God.
Dat is ook de manier waarop sommige van onze ernstig zieke of gehandi- capte medemensen zich kunnen voelen. Daarom vind ik het zo fijn, dat wij deze 

mensen steeds weer in onze liturgie betrekken. De sacramentele aanwezigheid van Jezus maakt ons één gemeenschap. Maar die aanwezigheid kunnen we ook tastbaarder maken door deze mensen te bezoeken. Wij kennen die tastbare aanwezigheid ook in evangelieverhalen als die van vandaag.
In plaats van achteruit te lopen, weg van de melaatse die hem benaderde, voelde Jezus medelijden met hem en raakte hem aan. Hij overbrugde de afstand tussen schoon en besmet, tussen respectabele insiders en de buitenstaanders, die we niet hoeven te respecteren. Toen Hij dat deed, handelde Hij met het gezag van God. Wie is deze God die Jezus openbaart? Deze God is niet alleen de God van de “gave mensen”, maar zeer zeker ook van de arme en de buitenstaander; de God die zieken en buitengesloten mensen bereikt om ook hen er bij te laten horen en te laten zien, dat ze deel uitmaken van hun familie en van de gemeenschap.
Na het evangelieverhaal van vandaag gehoord te hebben kunnen wij ons afvragen: hoe reageren wij op zieke mensen? Hoe bakenen wij de maatschappij af? Wie noemen wij normaal of abnormaal? En hoe behandelen wij hen? Ik hoor in het huidige politieke -niet zo subtiele - debat soms belachelijke uitspraken over bepaalde groepen mensen. Men spreekt op de gekste manieren over hen. Wij kunnen dan het medische probleem van melaatsheid opgelost hebben, maar er is nog steeds sociale en geestelijke melaatsheid om ons heen. En onze moderne melaatsen worden net zo goed buitengesloten als degenen over wie wij vandaag in de Bijbel hoorden.
Markus vertelt ons dat Jezus door medelijden voor de melaatse werd bewogen. Jezus toonde hartstochtelijk dat Hij tegen menselijk lijden en de oorzaken daarvan was. Het verhaal nodigt ons uit om niet op een afstand te blijven staan, maar spoort ons aan om net als Jezus de handen uit te steken en hulp te bieden aan mensen die lijden.
Vanaf de schepping zijn alle mensen al kinderen van God maar door ons doopsel werden we dat op een speciale manier. Wij zijn en blijven gereinigd van onze geestelijke melaatsheid: de zonde. Zonde breekt de gemeenschap af. Daarom mogen we Jezus benaderen en Hem vragen onze zonde te vergeven zodat we vernieuwd terug kunnen naar onze gemeenschap.
Net zoals de genezen melaatse worden wij steeds weer opnieuw geroepen om te vertellen van onze ontmoeting met Christus. Wij kunnen aan zieke en andere zorg nodig hebbende mensen vertellen dat zij en wij kinderen zijn van dezelfde Vader en over een paar weken kunnen we in ons vastenproject proberen om al zijn het maar een paar mensen in Ecuador te helpen.

7e zondag door het jaar: Jesaja, 43,18-25; Marcus 2,2-12
19 februari 2012, André Lascaris OP

Velen van ons hebben die ervaring gehad. Je weet: ik moet naar een specialist, enje meldt je bij de assistente."Tja, mijnheer, mevrouw, over vier weken is er een plekje vrij, of over twee maanden, dan ... neen, eerder niet, er is een menigte vóór u die al heeft ingeschreven". Of je staat op een vliegveld. Dan moet je je ticket omruilen of iets dergelijks. En voor de balie staat een lange rij. Die mensen zijn niet van plan jou voor te laten gaan. Ze staan misschien wel onder dezelfde druk als jij.
Je kunt het gevoel hebben dat je in een hopeloze situatie verkeert. Daar gaatje vliegtuig. Of erger, je moet heel lang in onzekerheid verkeren, terwijl je gezondheid op het spel staat.
In zo'n hopeloze situatie bevinden zich de vier mannen en de lamme. De weg naar redding is afgesneden door de menigte. Er is geen doorkomen aan, de toegang tot Jezus is geblokkeerd en we kunnen wel raden dat noch beleefde verzoeken, noch ellebogenwerk iets uithalen. Ze volgen een eigen weg; geen horizontale, maar een verticale. Zoals Jezus zelf 'uit de hemel is neergedaald uit de hoogte, zo daalt de verlamde neer uit de hoogte. Hun geloof, hun vertrouwen is groot. Geloven hier is geen opzeggen van een formule, maar een doen. Ze overwinnen een geweldig obstakel: de vijandige menigte.
Dan zegt Jezus: "kind, je zonden worden je vergeven". De verlamde heeft een groot obstakel overwonnen. Maar kennelijk is dit niet het enige obstakel. Hij heeft kennelijk gezondigd en dus andere mensen schade toegebracht. Hij heeft hen geblokkeerd, is voor hen een obstakel geworden, en zo is hij ook voor zichzelf een obstakel geworden. Hij heeft door schade te brengen aan anderen, ook zichzelf geblokkeerd, de vrije toegang tot anderen en tot zichzelf. Zijn verlamdheid is het beeld van een mens die zichzelf zo heeft vast gezet dat hij nergens meer naar toe kan: zijn relaties met anderen zijn verbroken, en die anderen zijn misschien zelf ook verlamd geraakt. De vier mannen hebben hem geholpen om de blokkade van de menige te overwinnen. Jezus neemt de andere blokkades weg: hij opent de mogelijkheid via hem met anderen in contact te komen. Dat betekent een nieuwe begin, een nieuwe wereld, zoals de profeet Jesaja zegt. Hij legt de man geen boete op die hij eerst moet vervullen, hij veroordeelt hem niet, hij hoeft geen offer te brengen in de tempel. Ook dat sluit aan bij de tekst van Jesaja. Deze stelt vast 

dat de offers God niet verheerlijken. Ze zijn ook niet beslissend. God wist de zonden van mensen uit zonder offers te eisen, meeloffers en wierook.
De schriftgeleerden zijn geschokt. Ze hebben een heel systeem vanuit de bijbel ontwikkeld waardoor zonden vergeven kunnen worden en blokkades kunnen worden weggenomen, zoals dat later ook in de Kerk zal plaatsvinden. De schade moet financieel hersteld worden. Er moet compensatie voor het ondergane leed betaald worden en er moet een offer gebracht worden. Jezus stelt al die voorwaarden niet. Hij vraagt zelfs niet naar berouw, Hij heeft oog voor deze mens in nood, die zwak is als een kind en maakt hem vrij.
"Neem je bed op en ga naar huis." Het verleden wordt niet veranderd, dat sjouw je altijd met je mee. Maar dat verleden is nu draagbaar geworden. Het is niet meer een geweldig gewicht dat de verlamde neerdrukt en verhindert dat hij in beweging komt, maar hij is vrij om zijn slachtoffers te benaderen, om zich te bezinnen op dat verleden en de consequenties op zich te nemen.
We staan vlak voor de veertigdagen tijd, de tijd van voorbereiding op Pasen. We kunnen ons herkennen in de verlamde man, of in zijn dragers of in Jezus of ook in de schriftgeleerden. We kunnen mensen zijn die best bereid zijn om hen die in onze ogen gefaald hebben of die ziek zijn te accepteren, maar ze moeten dan wel voldoen aan onze voorwaarden. Wij kunnen als de dragers zijn die anderen die totaal vastgelopen zijn in hun leven en alleen staan, nabijheid bieden, ze bevrijden uit hun isolement, en een weg voor hen banen. Wij kunnen zelf verlamde mensen zijn die zich geblokkeerd voelen en die blokkades niet alleen kunnen doorbreken. We kunnen zelfs als Jezus zijn: de zwakheid van de ander zien en de blokkade doorbreken zonder eisen te stellen. We kunnen ook de slachtoffers zijn die hier niet genoemd worden, maar die nu mogen verwachten dat de dader alles zal doen op zijn beurt blokkades weg te nemen genezing, heelheid aan te bieden. En we kunnen ons aansluiten bij die menigte die aanvankelijk elke toegang blokkeert tot Jezus, tot genezing en tot nieuw leven, maar die nu ze de verlamde man in beweging zien komen God verheerlijkt, van een vijandige groep mensen een kerk, een gemeente wordt, omdat ze zien waartoe geloven kan inspireren en dat geloven mensen vrij kan maken. We kunnen ons op deze zondagochtend in elk geval bij hen aansluiten en eucharistie vieren, dankbaarheid vieren.