PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2010-2011 (A)
20e
zondag door het jaar: Jesaja 56,1-7; Matteus 15,21-28
|
14
augustus 2011, André Lascaris OP |
|
Ieder
mens heeft één, meestal een
paar, voorbeelden, die hem, haar, ondersteunen in het leven. Figuren
die je inspireren, je op de kruispunten van je leven helpen de juiste
beslissing te nemen. Vaak zijn het je moeder en je vader die je
inspireren: hen volg je na. Of een onderwijzer of lerares, of iemand
over wie je gelezen en gehoord hebt, inspireert je. Nelson Mandela is
voor vele mensen een model van moed, voor anderen is dat Ghandi of Anne
Frank of…
Het merkwaardige is dat deze mensen geloofwaardiger bij ons overkomen,
als ze niet volmaakt zijn. Ze zijn geen hemelse figuren die
onbereikbaar zijn, en die je niet kunt navolgen, zo perfect als ze
zijn. We horen ook van hun fouten en duistere kanten, en dat helpt om
hen na te volgen wanneer we hun inspiratie nodig hebben.
Jezus is ook een voorbeeldfiguur. We noemen ons zelfs leerlingen van
Jezus, christenen. Voor velen is hij zo perfect dat hij geen
voorbeeldfunctie voor hen heeft. Je vereert Jezus, maar je volgt hem
niet na. Hoogstens volg je mensen na die zich door hem hebben laten
inspireren, heiligen bijvoorbeeld.. Maar zo blijkt uit het evangelie
van vandaag, Jezus was perfect in zijn verhouding tot God en tot
mensen, maar ook hij was een mens die moest leren. Hij was kennelijk
opgegroeid zoals de meeste Joden toen met de idee dat God hen boven
alle andere volkeren had uitgekozen om zijn volk te zijn. De anderen
waren maar ‘hondjes; . Hij leert van een vrouw, hij leert van
een Kananese, dat uitverkoren zijn betekent een zegen te zijn voor
andere volken en mensen, een licht te zijn, een wegwijzer en gids te
zijn.
En zo zullen zijn leerlingen na zijn dood de heidenen opnemen in hun
gemeenschap. Ze zullen van de heidenen leren dat het mogelijk is tot
het volk van Abraham en Sara te horen zonder te moeten voldoen aan al
die wetten die Joden probeen te onderhouden.
Jezus is niet alleen onze leraar, hij is ook medeleerling en juist als
deze medeleerling is hij onze leraar. Hij leert ons leerling te zijn
door zelf leerling te worden.
Het is een Kananese vrouw, zegt Matteüs. Dat woord
‘Kananees’ werd door niemand in die tijd nog
gebruikt, maar de evangelist doet dat wel. Het is alsof wij onszelf
Bataven zouden noemen, de Duitsers Germanen, de Fransen
Galliërs, de Schotten Picten enz. Matteüs wil ons
herinneren aan het feit dat van oudsher de Kananesen de grote vijanden
van de joden waren geweest - met hun verschrikkelijke kinderoffers. Het
boek Joshua vertelt dat Joshua – in het Grieks
‘Jezus’ - het volk van Israël binnenvoerde
in het land van de Kananesen en het veroverde met veel geweld.
Opnieuw waagt zich een Jezus, een Joshua, in het land van de Kananesen,
die
|
vreselijke
vijanden. En Jezus wordt wederom hun heer en meester,
maar nu op een geheel andere manier dan bij een Joshua. Hij laat zich
veroveren, hij laat zich overtuigen, hij luistert, hij wordt een
leerling van de Kananese vrouw. En hij wordt degene die het kwaad
verdrijft, haar dochter geneest, en hij wordt een voorbeeldfiguur voor
deze vrouw. Door haar leerling te worden, wordt hij haar leraar, haar
bevrijder.
Wij hoeven niet ver te reizen om onze Kananesen of Kanaanieten te
ontmoeten. Ook in onze kleine stadjes en dorpen kunnen we bijvoorbeeld
moslims ontmoeten, en vooral mensen die het christelijk geloof hebben
opgegeven, en vaak vijandig staan tegenover christenen. Zij verwijten
hen alles en nog wat. Veel is daarvan terecht - want christenen zijn
maar mensen met hun kleine en soms grote fouten. Vele verwijten komen
voort uit onwetendheid of omdat mensen een zondebok zoeken.
In de ontmoeting met ‘onze’ Kananesen mogen wij
erop vertrouwen dat wij iets belangrijks en bevrijdends te zeggen
hebben. Namelijk dat God liefde is; zodat ieder mens erop mag
vertrouwen dat er van hem, haar, gehouden wordt. Dit maakt het mogelijk
te leven zonder je met anderen te vergelijken, met anderen te
concurreren. Je hoeft je niet groter of kleiner te maken dan je
bent’. Je hoeft geen zware lasten op te nemen. Zijn juk is
vriendelijk. Wat we zeggen, kan mensen genezen, hen oprichten, aan hen
toekomst geven.
Maar we zeggen dat alles niet alsof we een zwaard in ons hand hebben,
niet met vliegende vaandels, onder tromgeroffel en schetterende
trompetten, niet met paarden en wagens of met tanks. Als wij willen
vertellen dat God liefde is,dan moeten wij die liefde zichtbaar maken.
Zij zal vaak de vorm hebben van bereid zijn te luisteren. We moeten de
leerling worden van onze gesprekspartners, van moslims en
’seculieren’. We moeten hun pijn horen die zij
geleden hebben en oog hebben voor de wonden die zij opgelopen hebben
door het optreden van kerken en van individuele christenen, misschien
ook van ons. We proberen dan aandacht te hebben voor hun ervaringen,
hun overtuigingen, hun geloof, hun hoop en hun liefde. We leren begrip
te hebben voor hun beeld van God, voor hun spirituele reis in het
leven..
Alleen door zo leerling te zijn kunnen we leraar worden, en zonder het
te beseffen, voor anderen een voorbeeld worden van wie kracht uitgaat
die een mens kan genezen van wat hem/haar in zijn greep houdt, ziek
maakt en onmachtig. We zijn niet alleen leerlingen van Jezus. Om
leerling van Jezus te zijn moeten we ook leerling zijn van de wereld
waarin wij leven
Moge de geest van Jezus ons daartoe inspireren.
|
21e zondag door het jaar: Jesaja
22,1923; Matteus 16,13-20
|
21
augustus 2011, Henk Jongerius OP |
|
In
de kloosters van de Franciscanen kent men geen prior
zoals bij ons maar een gardiaan. Dat is de man die de sleutels heeft en
het zo aan zijn broeders mogelijk maakt om binnen te komen. Zo gaat van
de apostel Petrus de legen- de dat hij de deur van de hemel bewaakt en
erover moet waken of iemand wel of niet binnen mag komen. Dat alles
berust dan op de tekst uit het evangelie die wij vandaag gehoord
hebben. Op die manier heeft hij een beetje de macht van God overgenomen
en dat lijkt me nogal een twijfelachtige zaak. Trouwens, de woorden uit
het evangelie hebben geleid tot een plaats van Petrus die naar mijn
gevoel buiten alle proporties gaat. Zo zien wij op de Sint Pieter in
Rome met reuzenletters de tekst staan: ‘Gij zijt Petrus en op
deze rots zal ik mijn kerk bouwen’ en die kerk is uitgegroeid
tot een machtsinstituut dat zijn gelijke niet kent op heel de wereld.
Is dat ooit de bedoeling geweest? Wat betekenen die ‘sleutels
tot het koninkrijk’ der hemelen eigenlijk?
Wij hoorden in de lezing uit de profeet Jesaja over Sebna –
een soort minister van financiën en beheerder van het
koninklijk paleis – dat hij uit zijn ambt wordt gezet omdat
hij voor zichzelf een geweldig grafmonument laat bouwen. Hij gebruikt
zijn ambt om zichzelf op een troon te zetten en daarom wordt hij
vervangen door Eljakim die als koning weer een vader zal zijn voor de
bewoners van Jeruzalem. Die zal de sleutels van Davids huis ontvangen,
horen wij, en dat betekent dat hij moet waarmaken waar David voor
staat: die is het voorbeeld van de ware koning die als een herder over
zijn mensen waakt en hen leiden zal naar het goede land, naar een
gelukkig leven onder Gods ogen. Zijn ambt en leider- schap hebben niets
te maken met zelfverheerlijking maar met echte dienstbaarheid aan
mensen.
|
Wanneer
Petrus de
sleutels tot het koninkrijk ontvangt gebeurt dat op grond van zijn
belijdenis dat Jezus de Messias is, de ware zoon van David. Hij heeft
dat getuigenis niet van zichzelf, niet vlees en bloed hebben dat
geopenbaard maar het is hem van Godswege gegeven. Zelf is hij eenvoudig
de zoon van Jona en die naam doet denken aan de nukkige profeet die
eigenlijk helemaal niet Gods woord wilde verkondigen maar voor zijn
roeping op de vlucht gaat. En van Petrus weten wij ook dat hij zijn
Meester tot driemaal toe verloochend heeft.
De sleutels tot het koninkrijk worden in handen van mensen gelegd die
tekortschieten en twijfelaars zijn maar toch geroepen worden om de
gemeenschap van Jezus’ volgelingen leiding te geven. Zij
zullen geen macht uitoefenen, geen praalmonumenten voor zichzelf
bouwen, zich niet gedragen en spreken alsof zij God zelf zijn en
heersen over mensen. De enige macht die een kerk zal kenmerken is de
kwetsbare kracht van de liefde, want zij moet verwijzen naar die ene
mens die de ware koning en herder voor mensen is en die van zichzelf
gezegd heeft ‘Ik ben de deur, wie door mij binnengaat zal het
leven vinden’. Zij die de sleutels tot het koninkrijk in
handen hebben gekregen zullen anderen mogen wijzen op hem die de goede
weg wijst en ons het juk van de liefde te dragen geeft.
Aan een gemeenschap van twijfelende en zondige mensen rondom zijn
Messias heeft God zijn onvoorwaardelijke trouw toegezegd, niet aan een
kerk die slechts bekommerd is om haar eigen gezicht en gezag en niet
omziet naar de werkelijke nood van de mensen. Iemand die voor 50
miljoen beveiligd moet worden om een bezoek te brengen aan
jongerendagen in Madrid lijkt niet veel op de herderlijke koning die op
een ezel Jeruzalem binnenrijdt! Toch bezat hij de sleutels van Davids
huis! Wie zou ze nu in handen hebben?
|
22e zondag door het jaar: Jeremia
20,7-9: Matteus 16, 21-27
|
28
augustus 2011, Ernst Marijnissen |
|
Omwille
van hen die lijden
Als mensen een langere tijd met elkaar optrekken ontstaan er na verloop
van tijd bepaalde verbanden. Je leert elkaar kennen, er groeit een
zekere vertrouwelijkheid en dat leidt er weer toe dat aandacht en zorg
voor elkaars wel en wee toenemen en zich verdiepen. Zo zal het
ongetwijfeld ook Jezus, zijn leerlingen en de vrouwen, die met hen
meetrokken, zijn vergaan. De vorige week hoorden we in de
evangelielezing hoe Jezus hun vroeg: wie zeggen júllie dat
ik ben? Zo’n vraag veronderstelt al dat je langere tijd met
elkaar bent omgegaan. De leerlingen, die door Jezus geroepen zijn en
hem vervolgens achterna gingen, hebben natuurlijk aan hem moeten
wennen. Zijn onderricht was anders en meer bij de tijd dan dat van
schriftgeleerden, farizeeërs en priesters. Waarschijnlijk
stonden ze ook verbaasd over Jezus’ openheid, zijn directheid
in de omgang met kerkleiders en zijn onverschrokkenheid in het debat
met kerkgeleerden. Er ging een nieuwe wereld voor hen open. De
eerbiedwaardige Schriften waren ineens opengeslagen en een nieuw
verstaan bood onvermoede vergezichten. Dat moet een indrukwekkende
ervaring zijn geweest voor mensen, die door een vreemde mogendheid
werden onderdrukt en kerkelijk gesproken leefden als een kudde zonder
herder. Deze ervaring was zo diepgaand dat het antwoord van de
leerlingen bij monde van Petrus verrassend zuiver was: jij bent de
Messias, zoon van de levende God. Het ligt voor de hand te
veronderstellen dat Jezus deze vraag niet heeft gesteld aan het begin
van zijn optreden. Zo’n antwoord vereist begrip voor
Jezus’ onderricht en een geest van vriendschap. In de Joodse
gedachtewereld is de Messias een onverdachte persoon en een bron van
verwachting. Ik ben ervan overtuigd dat de vraag ‘wie zeggen
jullie dat ik ben’ vertrouwen en vriendschap vereist.
Petrus is dus een goede vriend van Jezus. Ze zijn zeer op elkaar
gesteld. Is het dan zo vreemd dat Petrus Jezus probeert tegen te houden
als de laatste zegt, dat hij in Jerusalem zal lijden en gedood worden?
Maar dán lijkt de reactie van Jezus wel bijzonder hard. Hij
zegt -letterlijk vertaald-: Vooruit! Achter mij! Satan! Mensenkinderen,
wat een terechtwijzing! Heeft Petrus dat verdiend na
zo’n prachtige belijdenis? Hij heeft met Jezus toch alleen
maar het goede voor. Dat is, natuurlijk, volkomen terecht. Maar dan is
er slechts één conclusie mogelijk. Hier moet iets
anders aan de hand zijn dan zo maar een gesprek of een meningsverschil
tussen vrienden.
In de botsing tussen Petrus en Jezus tekent zich de confrontatie af
tussen twee werelden. Petrus is niet zo maar een privé
persoon. En Jezus is niet zo maar Jezus. Petrus is de kerk, de kerk van
toen en de kerk van vandaag. Daarom heeft Jezus gezegd: mensen, die
geloven, dat ik de Christus ben, de zoon van de levende God: zij zijn
degenen op wie ik mijn kerk bouw. Die mensen zijn mijn vrienden en
vriendinnen als ze in hun denken en doen mijn volgelingen willen zijn.
Het gaat hier dus om een gesprek tussen de Messias en zijn kerk. De
botsing tussen Jezus en Petrus is dus Tora, onderricht en wegwijzer
voor alle tijden, dus ook voor ons. Jezus is de Messias, want dat wordt
ons na dit gesprek verhaald in het volgende hoofdstuk. Daar wordt Jezus
op de Tabor verheerlijkt tussen Mozes en Elia. Hij is de Messias, die
Wet en Profeten (Mozes en Elia) tot vervulling brengt. Het gesprek van
Petrus en Jezus staat dus precies tussen de belijdenis van Petrus en de
verheerlijking van Jezus. Petrus wordt verheven tot de kerk.
Jezus wordt verheven tot de Messias.
|
Jezus
is de Messias
omdat hij Wet en Profeten doet en tot vervulling brengt. Maar dan
moeten we weten wat dat betekent. Alles wat geschreven en geleerd wordt
door de Schriften heeft als middelpunt en kern de Naam van God: Ik zal
er zijn voor jullie. Wie zijn die 'jullie'? Dat zijn de zonen en
dochters van Israël in de woestijn. Het is een volk, dat net
is weggevoerd uit de slavernij. Dat volk bestaat uit mensen,
die zijn misbruikt door de harde dienst in Egypte onder de dictatuur
van de farao. Dit oeroude verhaal over de uittocht en bevrijding van
Israël openbaart ons de grote keuze van de Eeuwige. Waar was
Deze te vinden in de dagen van de exodus, de grote uittocht? Niet in de
paleizen van farao en diens groten. Niet in de huizen van de opzichters
en slavendrijvers. Niet onder de ontwerpers van de piramiden en de
bouwers van de grote handelsteden. Hij was te vinden bij allen, die
onderdrukt en vernederd werden. "Voor jullie zal Ik er zijn" is daarvan
de samenvatting. Om het nog eens op een andere manier te zeggen: Ik,
jullie God, kies voor jullie, zonen en dochters van Israël,
als jullie kiezen voor de mensen, die sneuvelen in de strijd om het
dagelijks brood, die honger lijden omdat mensen liever miljarden aan
oorlogstuig fabriceren, die worden gemarteld, omdat weinigen willen
heersen over velen. Daarom kiest de Eeuwige voor Jezus van Nazaret,
want hij kwam voor doven, blinden, kreupelen, lammen en melaatsen. Hij
is gekomen voor de machtelozen. Hij heeft zijn en onze God goed
verstaan: Ik zal er zijn voor jullie. Jezus kwam omwille van hen, die
lijden. Daarom is hij de Christus, de Messias geworden.
Petrus, de kerk en dus wij, zegt tot Jezus: jij bent de
Messias. Met zo'n belijdenis kies je voor hem. Maar als je
kiest voor hem, kies je voor allen, die lijden. Anders houden we niet
van de Messias. Ik geef direct toe, dat het trouw blij¬ven aan
deze keuze een zeer zware opgave is. We zullen dikwijls proberen zo'n
keuze naar onze hand te zetten. Weet u nog wat we zongen deze morgen
bij het begin van onze viering? “Die om mij smeekt, die ik
heb afgeweerd zolang ik kon”. Het staat met zwarte letters op
onze liturgie! Zo’n levenshouding kan ertoe leiden, dat we
onze profetische opdracht -van Godswege kiezen voor hen, die lijden
– toch uit het oog verliezen. We doden of vervolgen desnoods
onze profeten, zoals Jeremia klaagt (20,7-11). Zoals het Jeremia
verging is het ook aan Jezus overkomen, die moest lijden en sterven in
Jerusalem, dat zich de stad van God noemt. Zo doet ook de kerk en juist
dat vertelt ons de botsing tussen Jezus, de Messias, en Petrus, de
kerk. Petrus belemmert Jezus om te laten zien en te begrijpen wie hij
werkelijk is. Zo kan juist de kerk Jezus tot een struikelblok of een
valkuil worden. We keren de bedoelingen van God om en zetten
de visie van God op haar kop. Wij gooien wat God wil door elkaar. In
het Grieks is dat een woord, waarvan diabolos is afgeleid. Wat Petrus
doet is diabolisch, duivels, door elkaar gooiend. We maken er
een potje van en de kerk wordt misvormd tot een soort roerei. Dus roept
Jezus ons terug naar onze plaats: vooruit! Ga de goede weg! Ga achter
mij, anders loop je de Messias voor de voeten en moeten de armen
eronder lijden. Wat je zegt of doet is duivels. Vooruit!
Achter mij! Satan!
Met Jeremia kunnen we uitroepen: 'soms denk ik: ik wil er niets meer
van weten; ik spreek niet meer in zijn Naam'. Het is ook heel wat om de
weg van Jezus te gaan. Maar God, die hart en nieren doorgrondt, weet
hoe we daarmee worstelen. Daarom is ons naast de Godsnaam (Ik zal er
zijn voor jullie) nog een ander schriftwoord gegeven: hoor
Israël! Luister, luister en blijf luisteren! En hoe koppiger
we zijn des te harder en scherper klinken de woorden van de profeten.
Petrus heeft het ondervonden: achter mij, satan! Aan die profetische
uithaal zullen ook wij niet ontkomen. Laten we de moed niet opgeven,
ons verzet staken en met de profeet verzuchten: Jij, God bent mij te
sterk. Tegen Jou kan ik niet op!
|
23e
zondag door het jaar: Ezechiël 33,7-9; Matteus 18,15-20
|
4
september, Theo Koster OP |
|
Als
ik u vraag: wie bent u, vertelt u mij uw
naam, en allerlei gegevens: waar u vandaan komt, wat u doet, of u
getrouwd bent, naar welke school je gaat, wat je wilt worden.
Interessante informatie, maar geen antwoord op mijn vraag. Over wat ik
ben, wat ik heb meegemaakt, wat mij overkwam, hoe ik hierop reageerde
kan ik moeiteloos een, twee, drie uur praten, maar vraagt u me wie ik
ben dan kom ik niet veel verder dan mijn naam.
Wie ben ik? Laat ik die vraag tot mij doordringen, dan merk ik dat het
stil wordt, een stilte waarin ik dichter bij mezelf kom. Probeer het
maar, en neem het waar: naarmate je dichter bij jezelf komt, het
wát je bent minder belangrijk wordt, komt er ruimte voor wie
ik ben, word ik wie ik ben…. Naarmate ik meer mijzelf ben
merk ik dat ik open ga, en dat ik verbonden ben.
Dit verbonden zijn is geen afhankelijkheid. Natuurlijk zijn mensen van
elkaar afhankelijk, maar naarmate ik dichter bij mezelf kom doet die
afhankelijkheid er niet toe, bespeur ik in mijzelf een grote vrijheid,
waarin ik verbonden ben, een vrijheid die ik deel met anderen.
Dit verbonden zijn is dus ook geen vriendschap al komt het daar
dichterbij. Vriendschap overkomt mij, ik kies ervoor, wij geven er vorm
aan en ontwikkelen het, maar het verbonden zijn is er al; ik ontdek het
naarmate ik mij verdiep, dichter bij mezelf kom. Dit verbonden zijn is
fascinerend en vervult me met huiver: jij bent er omdat ik er
ben…. ik ben er omdat jij er bent…. wij roepen
elkaar wakker.
Dit wakker worden, jezelf zijn, verbonden zijn heeft iets kinderlijks,
zoals kinderen elkaar betrekken in hun spel, zelfs al kennen zij elkaar
niet, spreken zij elkaars taal niet. Zoals jullie met elkaar verbonden
waren dit weekend in Onder de Pannen. Zoals wij hier met elkaar
verbonden zijn.
Hier doet het er niet toe wat je bent. Hier wordt je aangesproken op
wie je bent. De anderen hier zijn jouw vrienden niet; jij hebt hen niet
uitgekozen, en zij jou niet. Hier zijn we met elkaar verbonden zoals
zussen en broers met elkaar verbonden zijn.
De lezingen die we hoorden spreken ons aan of wie we zijn, op dit
verbonden zijn. Er is ook sprake van de Levende, door Jezus aangeduid
met mijn Vader in de hemel. Deze ontmoet je als je nog dieper afdaalt
in jezelf. Je komt hem tegen in die vele anderen met wie je verbonden
bent. Ik, mensen, God zijn intens met elkaar verbonden.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk wat Jezus bedoelt met: wanneer
uw broeder gezondigd heeft. Zonde is alles wat dit verbonden zijn op
het spel zet.
Zonde is een obstakel, verbreekt of verhindert de verbinding van
mensen.
|
Zonde
is als ik boven
mensen ga staan, alsof ik de enige ben die er toe
doet; zonde is met andere woorden het oog verliezen voor wie ik ben.
Zonde is geminacht of zelfs genegeerd te worden; gebruikt te worden,
zoals je een artikel gebruikt. Zonde is met andere woorden het oog
verliezen voor de anderen om je heen. Omdat zonde een obstakel is
spreekt Jezus terecht niet over straffen. Straf maakt de muur die
tussen mensen kan staan alleen maar hoger. Muren slecht je door elkaar
aan te spreken, een beroep te doen op het wie iemand is. Vandaar een
gesprek onder vier ogen, en als dit niet helpt: een verbreding naar
twee of drie, en als dat ook niet helpt de kerk. Het zal duidelijk zijn
dat met de kerk niet het instituut, niet Rome bedoeld wordt, maar deze
gemeenschap hier, waar je broeder/zuster wordt. Als je daarvoor geen
oor, geen oog hebt sta je buiten spel, buiten de gemeenschap.
Dan is de verbinding verbroken, dan ben je niemand.
Ook Jezus legt een direct verband tussen ons onderling verbonden zijn
en het verbonden zijn met wie ik zojuist het grote Wie noemde. Wie van
de mensen los is, van zichzelf los, is ook los van God. Jezus geeft
hiermee antwoord op de vraag die mij nu en dan gesteld wordt: moet je
kerkelijk, moet je gelovig zijn om in de hemel te komen? Nee is daarop
mijn antwoord. Waar het om gaat is niet wat je bent maar wie je bent:
een mens die zich menselijk gedraagt opent ogen voor wie ik het grote
Wie noemde. Een mens die oog heeft voor wie zij of hij is, is
verbonden, ook met de hemel.
Helder is dat wie zich gelovige noemt hierop ook aangesproken zal
worden. We hoorden dit in de eerste lezing. Ezechiël is een
profeet, is door de Levende aangesteld als wachter. Als de Levende
zegt: boosdoener, jij moet sterven, klinkt dit als een straf maar is
dit geen straf, eerder een conclusie. Sterven is in de Schrift zoiets
als er niet meer zijn, niemand zijn. Waarschuw de boosdoener hiervoor.
Doe je dat niet, dan zal je merken, dat dit van invloed is op jouw
relatie als profeet met de Levende. Als ik een ander laat vallen merk
ik dat dit mij niet onberoerd laat, dat dit mij zélf
beschadigd.
Wat Ezechiël hier zegt over zichzelf als profeet, breidt Jezus
uit naar zijn leerlingen, naar ieder die in hem gelooft, naar ons hier.
Menigeen hier heeft mogen ervaren wat het met je doet, als kapelgangers
oog voor je hebben, je aanspreken als je dit nodig hebt. Wie dit hier
ontdekt zal dit in andere milieus niet vergeten, ook daar mensen wakker
maken en verbinden.
Wie ben ik dat ik dit doen mag als gelovige, doen moet? We zijn terug
bij het begin: wie ben ik? Neem deze vraag mee en sta er iedere dag bij
stil; de rest komt vervolgens vanzelf.
|
24e
zondag door het jaar: Jezus Sirach 27,30-28,7; Matteüs 18,21-35
|
11
september 2011, Henk Jongerius OP |
|
In
de taal van de Bijbel hebben getallen altijd een bijzondere betekenis.
In het scheppingsverhaal horen wij dat de aarde in zeven dagen
geschapen is, want zeven staat voor de dagen van de week. De week is
als het ware de meeteenheid van ons leven, het tekent de menselijke
maat. Op de zevende dag, de sabbat, moet de mens gedenken waartoe de
aarde geschapen is en hoe wij mensen bedoeld zijn om die te maken tot
een plaats waar het goed wonen is, waar wij geroepen zijn om voor
elkaar zo goed te zijn als God het is voor ons. Hij geeft ons de adem
en de ruimte om elkaar als zusters en broeders te behoeden opdat de
aarde een plaats wordt die ‘tof’ is goed, die
beantwoordt aan de bedoeling van God.
Vandaag horen wij dat wij elkaar zeventig maal zevenmaal moeten
vergeven! Ook hier horen wij weer dat getal ‘zeven’
terug. Wij mogen daaruit opmaken dat vergeven iets is dat behoort bij
de maat van de mens, zoals het ritme van de zeven dagen. Ons leven zal
getekend moeten zijn door vergeving. Wat wil dat zeggen?
Mensen die elkaar over en weer vergeven zijn mensen die beseffen dat
wij maar al te vaak niet beantwoorden aan het beeld dat God van de mens
heeft, of om het met andere woorden te zeggen, dat wij de roeping van
de mens om voor elkaar een broeder en zuster te zijn vergeten en in de
fout vallen van Kaïn die jaloers was op zijn broer Abel en hem
het licht in de ogen niet gunde. Die afgunst is de oorsprong van alle
kwaad en geweld in onze wereld, tot op vandaag!
Wat zou onze wereld er anders uit zien als wij weer zouden gaan
beseffen dat wij allemaal zwakke en kwetsbare mensen zijn die elkaar
broodnodig hebben om gelukkig te kunnen leven.
Om die cirkel van kwaad en vergelding te doorbreken horen wij Jezus tot
Petrus zeggen dat het tienvoud van zeven keer moet vergeven!
|
Wat
kan dat betekenen?
Het getal 10 in de Bijbel verwijst naar God. In hetzelfde
scheppings-lied horen wij tot tienmaal zeggen dat God zag dat het goed
is. Hij heeft de wereld bedoeld om ‘goed’ te zijn,
in orde, dat de aarde, mensen dieren en dingen hun rechtmatige plaats
hebben en op elkaar afgestemd zouden zijn. Daartoe geeft Hij aan Mozes
de ‘tien woorden’ die het goede leven willen
waarborgen. Deze geboden zijn het goddelijk richtsnoer voor een goed en
gelukkig leven!
Als wij elkaar het tienvoud van zeven maal moeten vergeven dan horen
wij in die opdracht dat vergeven van Godswege de levenswet is. Wie van
vergeven weet beseft dat wij het allemaal nodig hebben om een nieuwe
kans te krijgen in ons leven, want wie vergeving ontvangt, wordt niet
langer gestigmatiseerd om wat hij of zij verkeerd deed, maar wordt aan
zichzelf teruggegeven, mag weer opnieuw proberen om een waarachtig mens
te worden.
Als wij elkaar vergeven zullen wij zo goed zijn als God die zijn zon
laat schijnen over goeden en kwaden. Hij scheldt mensen hun schuld
kwijt, zoals wij hoorden in het evangelie van vandaag opdat ook wij zo
zouden handelen tegenover elkaar. Zo bidden wij het ook in het gebed
des Heren. Ja, nog sterker, in de mate dat wij elkaar vergeven en
nieuwe kansen geven zullen wij gaan beseffen wie God is, zullen wij
handelen in het licht van God en zo opnieuw ervaren hoe het leven
‘goed’ bedoeld is. Dan mag je dankbaar zijn als je
elkaar 50 jaar lang het leven mogelijk hebt gemaakt in goede en kwade
dagen! Zo zijn wij allemaal mensen die worden geroepen om voor elkaar
zo goed als God te zijn, elke dag opnieuw. Dan wordt het leven
‘tof’, goed, van God gegeven en worden wij tot 70
maal zevenmaal opnieuw geboren!
|
25e
zondag door het jaar: Jesaja 55, 6-9; Matteus 20: 1-16
|
18
september 2011, Antoon Boks OP |
|
Als
frater in Zwolle hoorde ik een preek over de teksten
van vandaag, waarvan ik me het volgende nog kan herinneren: Dit verhaal
wordt zeker niet gebruikt om vakbondsmensen te leren hoe ze een CAO
moeten sluiten met werkgevers.
We leven in moeilijke economische tijden. We hebben wel niet zoveel
werk- lozen als andere landen, maar toch… Kunnen we wel een
beetje meevoelen met de werkers die de hele dag gewerkt hadden in de
gloeiende zon?
Want het is wel iets heel aparts dat de werkers van de hele dag
hetzelfde krijgen als de laatkomers. Ze krijgen geen evenredig loon,
maar de heer geeft aan de laatkomers wat ze nodig hebben om zichzelf en
hun gezin te onder- houden. De werkers van het eerste uur vinden dat de
eigenaar een contract met hen brak en daarom zijn ze verontwaardigd.
Met die eersten had hij een contract, maar bij het vorderen van de dag
bleef hij nog meer arbeiders huren, maar sprak niet meer over de hoogte
van het salaris. Hij vertelt de eerste groep, ingehuurd bij dageraad,
dat hij het normale dagloon zal betalen. Bij de volgende groep zegt hij
alleen: "Ik geef je wat rechtvaardig is." Daarna, voor de volgende
groepen wordt ook geen beloning vermeldt, ze krijgen alleen de
instructie: "Ga naar mijn wijngaard." Als we goed luisteren naar wat er
gezegd is, dan hadden we al kunnen vermoeden dat er iets anders op
komst is.
De eigenaar van plan was alle werknemers een volledige dag te betalen.
Allen waren arm en kwetsbaar, elk van hen zou een dagloon goed kunnen
gebruiken om hun gezin te voeden. Elke dag gingen ze als dagloners op
zoek naar werk, verlangend ingehuurd te worden en in de hoop te krijgen
wat nodig is om de hongerige monden thuis te vullen.
Ik heb niet zoveel zin om in te gaan op vragen als: Waarom stonden zij
nog steeds te wachten op werk tegen het einde van de dag? Er wordt niet
verteld dat ze lui waren en alleen op het eind van de dag op zoek waren
naar een beetje werk. Misschien waren ze nog steeds zonder werk, omdat
de sterkste en jongste eerst gehuurd werden. De resterende waren
misschien wel de ouderen, gehandicapten, kinderen of ook vrouwen.
Op de meeste van onze werkplekken worden er periodiek evaluaties gedaan
en de productiviteit van werknemers wordt regelmatig beoordeeld.
Verhogingen moeten gebaseerd zijn op verdienste. Laten we eerlijk zijn:
wat is een eerlijk loon voor eerlijk werk?
U begrijpt intussen wel, dat ik hier ben gekomen om te preken en niet
om over economie te praten. Dat was ook niet de bedoeling van de
gelijkenis van Jezus. Het gaat niet over hoe iedereen met werkgevers of
werknemers om moet gaan.
In plaats daarvan beschrijft Jezus hoe God handelt ten opzichte van
ons, hoe het toegaat in het koninkrijk, waar de invloed van God gevoeld
wordt en Gods kracht aan het werk is. In dat koninkrijk is het leidende
principe-- te oordelen naar de gelijkenis van vandaag-- vrijgevigheid
en het wordt gegeven met een element van verrassing. Hoe konden die
laatste werknemers zelfs maar gehoopt hebben om uit betaald te worden
voor een volledige dag?
Ik weet niet hoe het met u gesteld is, maar ik leef zeker niet volgens
alle geboden van de Heer. Ik probeer mijn best te doen. Er zijn dagen
dat ik succes heb met mijn werk. Maar er zijn andere, minder
bevredigende dagen en op die dagen hoop ik, dat de Heer een oogje dicht
knijpt. We hebben allemaal wel van die momenten in ons
leven die we
maar zo gauw mogelijk zouden willen vergeten. We hadden
|
andere
en
betere keuzes moeten maken. Hoe zou dat alles geëvalueerd
worden aan het einde van ons leven?
Ik hoop dat we nooit over God denken zoals dat weergegeven wordt in het
beeld van Vrouwe Justitie. Maar ik wed dat er nog steeds mensen zijn,
die God zien als de rechtvaardige rechter,
die op de weegschaal onze goede daden afweegt tegen slechte. Ik hoop
dat ik niet zal vallen onder de menselijke gerechtigheid, maar onder
die van God.
Jezus beschrijft vandaag een heel andere afrekening. In de gelijkenis
laat Hij zien hoe het is tussen God en ons. In de details van het
verhaal is de vrijgevigheid de standaard die Hij gebruikt voor mensen.
Is dat wel normaal? Het is volgens onze redenering niet logisch. Het is
niet gebaseerd op hoe we zouden handelen. God zij dank! Bij God zijn
alle regels en wetten voor het uitdelen van punten of goedkeurende
klopjes op de rug niets waard. Om een of andere vreemde reden, die wij
niet kunnen bevatten, ontvangen degenen die daar het meest behoefte aan
hebben meer dan ze verwachten of hebben verdiend. Wat zou ons er dan
van kunnen weerhouden om God te benaderen die ons alsmaar genade te
bieden heeft?
Heel wat mensen begrepen en begrijpen de gelijkenis van Jezus niet.
Komt dat misschien omdat we een minder goedgeefs hart of een andere
standaard van eerlijkheid hebben? Maar er waren in die gelijkenis ook
mensen die aan de ontvangende kant van die vrijgevigheid stonden. Ze
wisten wat ze nodig hadden en ze wisten dat ze een geschenk gekregen
hadden, want ze hadden in hun handen het loon voor een hele dag werken.
Wie zou niet blij zijn, wie zou zich niet gezegend voelen?
Wij zijn de ontvangers van die vrijgevigheid van God. Jezus geeft ons
in de eerste plaats een concreet beeld van wat genade is.
Als we het idee hebben dat God denkt en handelt net als wij, dan moet
de gelijkenis van vandaag die gedachte van ons wegnemen. Want de God
die Jezus hier openbaart begon niet te leven met de eerste verzen van
het Tweede Testament. Wat we vandaag lazen van Jesaja moet ons daarvan
overtuigen. De profeet maakt duidelijk dat God niet handelt of oordeelt
op de manier zoals wij dat doen.
We hebben soms de neiging ons vast te klampen aan wat anderen ons in
het verleden hebben misdaan en denken dan dat God ook wel zo zal
handelen. Maar Gods genade, zo vertelt Jesaja ons, is onbegrensd en
rekent niet op onze menselijke manier, want de profeet openbaart een
God die boven alle menselijke maatstaven uit gaat en die niet te vangen
is in onze redeneringen en verwachtingen.
Als wij, die vandaag deze gelijkenis horen, in de gaten krijgen wat er
ons aangeboden wordt in deze viering, dan zouden we ons moeten afvragen
of we niet tegenover anderen even gul zouden moeten zijn, zoals God het
voor ons is?
Van de andere kant denken we misschien wel eens dat we die goede God
niet verdienen. Als dat het geval is dan nodigen de lezingen van
vandaag ons uit om onze valse nederigheid op zij te zetten en blij te
zijn met die goedgeefse God.
Met lege handen kunnen we de gulle gaven van God in deze
eucharistieviering aanvaarden; het is een maaltijd die ons verenigt in
de liefde met God en elkaar, want het is de bron van alle leven en
heiligheid. We hebben het niet verdiend, maar het is een gave aan ieder
van ons. Amen.
|
26e
zondag door het jaar: Ezechiël 18,25-28; Matteus 21,28-32
|
25
september 2011, André Lascaris OP |
|
In
de dagen rond Prinsjesdag valt het mij op dat
politici zelden toegeven dat ze zich vergist hebben of door
omstandigheden hun standpunt moestem wijzigen. Ook als ze A gezegd
hebben en B doen, houden ze toch vol dat B eigenlijk A is in een ander
jasje. Ze zijn bang een draaitol genoemd te worden en, zo denken ze,
alle vertrouwen van de kiezers te verliezen. Ze worden liever
vastgeplakt op een bepaald standpunt en een bepaald gedrag dan de
indruk te geven veranderlijke, onbetrouwbare mensen te zijn.
.Het stukje dat we uit de profeet Ezechiël gelezen hebben
maakt deel uit van een groot dispuut, waarin God verweten wordt
onbetrouwbaar en niet rechtvaardig te zijn. God heeft ons immers zijn
geboden gegeven: niet doden, je ouders niet verwaarlozen, niet stelen,
geen overspel plegen of een vals getuigenis afleggen, niet begeren wat
anderen bezitten. Daarop wordt God vastgeplakt. Nu moet God die geboden
ook handhaven en zo nodig straffend opreden.
Tegen de algemene opvatting in van die tijd in, zegt Ezechiël
dat een zoon (dochter) niet hoeft te boeten voor het onrecht dat zijn
vader bedreven heeft, noch de vader moet boeten voor de zoon
– iedereen is persoonlijk verantwoordelijk. En als een
rechtvaardige op een gegeven moment anderen onrecht doen, dan wordt hij
een onrechtvaardige en moet hij de gevolgen van zijn daad dragen. En
omgekeerd – en dat is wat de mensen echt steekt –
wanneer een schurk, een corrupte misdadiger, verandert en zijn kwaad
opgeeft, een rechtvaardige wordt, dan ontvangt hij nieuw leven. Wat hij
misschien het grootste deel van zijn leven heeft gedaan, - onrecht -
telt niet meer. Het is van geen belang wat hij in het verleden gedaan
heeft. Wat hij of zij nu is, dat telt.
Is God wel rechtvaardig, is God wel betrouwbaar? Iemand kan heel zijn
leven anderen kwaad doen en zich op het einde van zijn leven, misschien
pas op zijn sterfbed bekeren, veranderen, is het aanvaardbaar dat
zo’n mens door God niet bestraft wordt? Jijzelf hebt
geprobeerd een goed mens te zijn en hebt pas op et einde van je even de
teugels laten vieren om nog gauw gemiste kansen in te halen al is dit
dan ten koste van anderen. En jij wordt negatief beoordeeld. We plakken
God graag vast. God moet onveranderlijk zijn. Ezechiël
benadrukt dat het hier en nu beslist wie je bent, dat ieder
verantwoordelijk is voor zijn daden en dat een mens kan veranderen.
Dit doet me denken aan
het verhaal van de profeet Jona die de stad
Ninive tot bekering oproept, en met succes, want de inwoners van de
stad bekeren zich tot een menswaardige gedrag. En Jona is teleurgesteld
over zijn succes en gaat aan
|
de
rand van de stad zitten te mokken en te
wachten op de vernietiging van die stad. Tevergeefs.
In het evangelie bij de tweede zoon, weet je meteen dat wanneer hij ja
zegt op de oproep te werken in de wijngaard, hij niet van plan is het
te doenHij zegt ja, maar heeft al besloten dat niet te doen. Hij
verandert niet. Je weet wat je aan hem hebt, namelijk niets. De eerste
zoon verandert van standpunt en van gedrag. Hij zegt ja, ik ga, maar
gaat aanvankelijk niet, dan maakt hij een ommekeer en gaat wel. Hij
gaat eigenlijk een heel proces door. Zo zijn ook de tollenaars, de
corrupte belastingambtenaren en de hoeren een heel proces doorgegaan
toen zij Johannes hoorden prediken. Ze hebben zich bekeerd en zijn de
weg van de gerechtigheid opgegaan. Zij durfden te veranderen. Maar de
mensen die Jezus toespreekt, hebben dat wel gezien, maar hebben zich
niet bekeerd. Zij bleven bij hun oude standpunt en bij hun oude gedrag.
Jezus gaat er vanuit dat een keer maken, je bekeren, veranderen van
gedrag positief is, tenminste als je gedrag zich ten goede keert.
God plakt jou niet vast op een bepaald gedrag, God staat open voor
verandering in ons. Wij moeten God niet vastplakken: God is iedere dag
nieuw. Ook wij kunnen iedere dag nieuw worden.
Wij nemen het anderen vaak kwalijk als zij veranderen. We plakken hen
vast op hun gedrag. Veranderen is verwarrend. Je partner drinkt altijd
thee bij het ontbijt en nu plotseling neemt hij/zij karnemelk. Volkomen
onbelangrijk, en toch kan het je dwars zitten. Ernstig wordt het
wanneer je iemand kent die heel zijn leven rotzooi heeft gemaakt en dan
plotseling besluit een rechtvaardig mens te worden. Het hoort bij ons
beeld en onze verwachtingen dat die mens een schoft is, En plotseling
zit hij naast je in de kerk. Dat kan toch niet. Dat zit je niet lekker.
Er was ooit een Italiaanse kardinaal die als wapenspreuk had
‘Semper idem’: altijd dezelfde of altijd hetzelfde.
Dat is volgens mij niet erg bijbels. Volgens mij moeten we het anderen
en ook onszelf gunnen anders te zijn dan bij een vorige ontmoeting. Als
je een gesprek aangaat met iemand, moet je dat doen met een open geest.
Zonder iemand vast geprikt te hebben. Ons wordt gevraagd om een open
houding. Telkens weer ons te bekeren, een keer te maken, de weg van de
gerechtigheid in te slaan en te volgen. En open te staan voor de
wending die anderen maken. We worden uitgenodigd in de wijngaard van
God te werken, waarin zoals in elke wijngaard alles voortdurend
verandert.
|
27e
zondag door het jaar: Jesaja 5, 1-7; Matteus 21, 33-43
|
2
oktober 2011, Marijke Besteman OP |
|
We
horen vandaag over Gods wijngaard in drie
verschillende versies Bij de profeet Jesaja, in psalm 80 en in de
parabel van Matteus. In verschillende toonaarden wordt gesproken en
gezongen over Gods wijngaard. “Ik wil zingen voor mijn
vriend, zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard’.
Het klinkt als een liefdeslied. Die wijngaard geeft het beeld van het
geliefde volk Gods Israel. Vers 7, hier niet genoemd, geeft ook nog
aan: Israël is de wijngaard van de Heer van de hemelse
machten, de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. Hij
verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting,
maar vond rechtsverkrachting.
Voor dit Israël profeteert Jesaja is geen toekomst. De Eeuwige
koestert en bemint zijn volk. Daar spant hij zich voor in. Maar hij
wordt teleurgesteld in de trouw en de onbeantwoorde liefde. De profeet
legt het verhaal uit. De vriend die bezongen wordt is God zelf. God
moet toezien dat, zijn verbondsvolk Israël, zijn eerste
liefde, onrecht pleegt. Het volk gaat zijn eigen gang, zonder zich te
bekommeren om God en gebod. Keer op keer stuurt God zijn dienaars, de
profeten, om het volk te waarschuwen en te herinneren aan zijn
opdracht. Maar geen gehoor. Gods liefde krijgt geen weerklank
De thematiek van Jesaja, klinkt in psalm 80 als
een
klaaglied uit de mond van het volk. Een volk in ballingschap, bezet
door vreemde machten. In de klaagzang klinkt de roep, de schreeuw, naar
de Eeuwige: om het lot te keren. ‘Breng Gij ons de
keer!’
In het evangelie dat Jezus vandaag vertelt gaat het om dezelfde
thematiek. Matteus laat Jezus de hogepriesters en de oudsten
toespreken. Met hen kijkt hij terug op het leven en de dood van Jezus.
In de vorm van de parabel komt de geschiedenis van God met zijn volk in
beeld. Hij houdt ze een spiegel voor.In die spiegel: een geschiedenis
vol teleurstellingen en onvruchtbaarheid. De landheer is God, de
Eeuwige. Met veel zorg voor zijn wijngaard. Een heining er omheen, een
wijnpers en een wachttoren voor bescherming. Als hij vertrekt vertrouwt
hij zijn wijngaard toe aan de pachters. Zijn de pachters (de leiders,
de geestelijke leiders van het volk) betrouwbare leiders en geven zij
de vruchten van de wijngaard wel aan de Heer? Zijn zij niet erg bezig
met hun eigen positie en niet met de zaken van God? Deze wijze van
werken maakt hen blind en drijft hen steeds dieper af van hetgeen
bedoeld wordt met een wijngaard leiden zodat het goede vruchten
voortbrengt. God zond dienaren, profeten, naar zijn wijngaard om de
oogst binnen te halen. Maar de pachters/ leiders mishandelden hen en
doodden hen tot twee maal toe. Zelfs de zoon moet er aan geloven.
Knechten/Profeten en zoon zijn één en al
bedreiging voor de pachters/de geestelijke leiders De leiders, de
behoeders van de wet, doden juist degene die het dichtst bij God zelf
staan. Ze doden ook deze vruchten van het veld! Het lijkt wel dat de
behoeders van Gods wet en woord, God zelf weg willen hebben. Wie het
dichtst bij God staan, in die zin, dat zij zijn woorden kennen en alle
geboden onderhouden en de regels instellen, willen die God weg als hij
te dicht op hun huid komt, te dicht in hun eigen leven. Uitschakelen en
mond dood maken is de benadering.
|
Heeft
deze parabel ook
niet zijn geldigheid in deze tijd. God, blijft zich op
één of andere manier zich openbaren in de tijd.
In ‘tekenen van de tijd’. In hedendaagse profeten.
Geestelijke leiders, sprekers, en heiligen. Voorbeelden die ons zijn
voorgegaan. Leiders die zeggen ‘regels zijn regels’
en profeten en leiders die het lef hadden, om ondanks de regels
maatwerk te leveren. Humaan te zijn. Uit de Dominicaanse geschiedenis,
moeder Teresa, voorbeelden die met verkondiging door prediking,
aandacht en zorg, opkwamen voor onrecht en rechtvaardigheid. De tekenen
van het geknakte leven op te merken. Deze week een protest van illegale
asielzoekers in Den Haag. Een opmerking die gemaakt werd: ‘Er
bestaan geen onwettige mensen, er bestaan wel onmenselijke wetten.
Dagelijks horen en lezen we over de graaicultuur. Een rechter deze week
die flink uithaalde naar de heren van pensioenfonds en bouwfonds:
‘Het was de heren een worst wat deze graaikultuur doet met
mensen. Pure hebzucht geheel uit eigen belang’ Helaas kennen
we ook leiders in de kerk. Wat ik tegenkom in gesprekken is dat mensen
meer lijden aan de kerk dan aan geloof..
Op het tekstboekje van de liturgie van Heeswijk van vandaag, een
bezinning van Edward Schillebeeckx: ‘Wat Rijk Gods concreet
inhoudt, gaat onze menselijke verbeeldingskracht te boven. We krijgen
er een vermoeden van, enerzijds via menselijke ervaringen van goedheid
en gerechtigheid, anderzijds in de spiegel van ons verzet tegen
situaties waarin wij geknecht en ontluistering ervaren. Deze ervaringen
krijgen pas hun eigen reliëf tegen de horizon van Jezus
’lichtende levensweg’; zijn voorbeeld vooral
verteld in parabels van het Rijk Gods, zijn persoonlijke voorgaan in de
praxis van het Rijk Gods, die hij volhoudt tot in de dood. Daarin komt
het visioen van wat Rijk Gods voor mensen kan zijn tot sprekende
gestalte.’ Ook in deze tijd ervaren we een voorbeeld van een
‘lichtende levensweg’ Zoals de opmerking: Er
bestaan geen onwettige mensen, maar wel onmenselijke wetten. op het
asiel beleid, zorgbeleid en armoedebeleid. Wij, hier bijeen, dienen
onrecht te horen door naar de verhalen te luisteren en een stem, de
schreeuw te horen. Want; ‘Wie schreeuwt wordt. Schreeuwt niet
de wanhoop uit maar de hoop’ ( Dom spiritualiteit:Erik
Borgman) We kunnen laten zien dat het anders kan. Dat betekent voor
ons, als leken dominicaan, als dominicaan maar ook hier als aanwezigen
in het dominicanenklooster: ‘Présence au monde
– c’est présence a Dieu zoals broeder
Lacordaire uit Frankrijk sprak. Attent zijn op wat er in de wereld
gebeurt aan veranderingen op datgene wie daardoor in de knel komt. Hoe
zijn we dan nabij met het besef van Gods nooit aflatende en zorgende
aanwezigheid. Erik noemde het in zijn rede voor de leken dominicanen
wereldwijd: Onderweg zijn: door levend in de chaos van de wereld te
gaan staan. De tekenen van de tijd te verstaan. Daar stem aangeven
Daarin te vertrouwen en opnieuw te ontdekken wat het betekent om op God
te vertrouwen. Om God te midden van de veranderingen te ontmoeten
moeten we zelf beweeglijk zijn en niet bang zijn om kwetsbaar te worden
in ons handelen.
Daarbij hebben we elkaar en God nodig en zingen ook wij:
‘Keer U om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar.
|
28e
zondag door het jaar: Jesaja 25, 6-10a; Matteus 22,1-14
|
9
oktober 2011, Theo Koster OP |
|
Wie
de afgelopen maanden de strijd in Libië
gevolgd heeft, heeft zich wellicht met mij afgevraagd: waar haalt dit
volk de moed vandaan om in opstand te komen, zich te verzetten tegen de
jarenlange terreur van Kaddafi. Velen gingen een zekere dood tegemoet,
want de macht van Kaddafi was groot en alom aanwezig, en toch trokken
zij ten strijde om te kunnen worden die zij zijn: mensen. Het is God
die ons drijft, hoorden we; Allah is groot. Ook Kaddafi sprak over
Allah; Allah zal deze ratten, hij had het over zijn eigen volk,
vernietigen.
Wie is Allah, wie is de Levende van wie Jesaja getuigt? Wat het volk
van Libië ervoer toen het in opstand kwam was geen macht,
waarover je kunt beschikken, geen schild dat je beschermt tegen alle
ellende van het leven. De God van wie Jesaja spreekt is bron van hoop,
grond waarop je kunt vertrouwen. Het is geen zekerheid die vroeger of
later instort, maar een hand die jou draagt, als jij je dragen laat.
De vraag die in de lezingen centraal staat is: mensenkind, laat jij je
dragen, blijf jij vooruit zien ondanks alle ellende die over je heen
komt? De God van wie Jesaja getuigt is jouw vriend, maar geen vriendje
dat er alleen voor jou is. Als je in jouw leven iets van deze God
ervaren heb, een knipoog, een handgebaar, weet je dit: Deze is er
helemaal voor jou, zoals deze er is voor de volken, voor alle mensen.
Maaltijd is in de Bijbel steeds een uiting van verbonden zijn,
verbonden worden. Als de Heer van de hemelse machten voor alle volkeren
een maaltijd aanricht betekent dit, dat Deze een verbond sluit met alle
volkeren, dat met andere woorden allen met wie ik deze wereld bewoon
mijn tafelgenoten zullen zijn. Haal maar voor ogen een mens die jij
niet kunt uitstaan, een vreemdeling die je niet verstaat, een mens
wiens gewoonten jij niet deelt. Verdraag je het dat deze naast je,
tegenover je aan tafel komt te zitten? Voor hen die ondanks alles
bleven uitzien zal dat geen probleem zijn. Zij zullen opgelucht
ademhalen en zeggen: dat is de Levende, op wie wij hoopten.
Het is triest en ik ervaar het als een belediging van deze God, dat de
kerk waartoe wij behoren zo weinig hoop, zo’n gering
vertrouwen uitstraalt. Vele jonge mensen willen niets te maken hebben
met kerk. Zij ervaren kerk als een gesloten bolwerk, een instituut dat
zich wereldvreemd gedraagt. En voelen zij zich wel thuis in de kerk,
want deze jongeren zijn er ook, dan gedragen zij zich vaak roomser dan
de paus, strenger dan de synode. Dit is hen niet kwalijk te nemen; zij
moeten nog leren wat het wil zeggen genodigde te zijn op een
bruiloftsfeest. Jezus spreekt niet tot hen maar tot de hogepriesters en
oudsten, de huidige leiders van de kerken: op wereldschaal, regionaal,
en hier, plaatselijk. Hen en ons vertelt hij een gelijkenis die in de
lijn ligt van wat we in de eerste lezing hoorden.
|
Het
is niet moeilijk
deze gelijkenis op onze kerken toe te passen. De koning is een beeld
van God. De zoon is de Messias, Jezus, die in onze kerken aanwezig is
in het woord dat we hier horen en de tekens van brood en wijn. De
bruiloft is het vieren van de diepste verbondenheid van God met mensen,
van de mensen met God. Wie zijn de genodigden? Zijn het zij die gedoopt
zijn? Prima, maar waarom luisteren zij dan niet naar deze roep? Er
staat zelfs: zij wilden niet komen. Hebben zij iets te verbergen, zijn
ze bang voor verrassingen? Een indringender tweede oproep negeren zij
botweg. Zij hebben er letterlijk geen boodschap aan en sommigen
vergrijpen zich aan de dienaars die slechts deden wat hun opgedragen
was. Zij verstaan de tekenen des tijds niet, negeren de knipogen die
God geeft, of vergrijpen zich eraan. Als u denkt dat ik nu doel op het
seksuele misbruik in de kerk maakt u het zich te makkelijk.
Zojuist zei ik het triest te vinden en het als een belediging van God
te ervaren, dat de kerk waartoe wij behoren zo weinig hoop,
zo’n gering vertrouwen uitstraalt. Het lichaam van Christus,
want dat is kerk, is in een geharnaste leer verpakt geraakt. Dat is
schadelijk voor dit lichaam. Een lichaam dat nooit de zon en de wind
voelt verkommert. Dit harnas is ook schadelijk voor ieder die zich
stoot aan dit harnas. Je stoten aan een keiharde leer is pijnlijk. De
leer wordt en niet koud of warm van, maar degene die zich eraan stoot
loopt minimaal blauwe plekken op.
God zal zijn mensen niet aan hun lot overlaten, zo hoor ik in het
vervolg van de gelijkenis. Zoals het regiem van Kaddafi vrijwel is
ingestort, en er ruimte is gekomen voor mensen om eindelijk weer te
worden die ze zijn: mensen en geen gekooide dieren, zo zal ook dat
keiharde instituut kerk instorten, zodat het lichaam van Christus weer
voelbaar wordt, zacht en warm kloppend, zich ontfermend over wie zich
eraan stoot, met mooie maar ook stevige spieren waar je niet alle
kanten mee uit kunt. Er gaat een aantrekkingskracht vanuit. Een kerk
dus die hoop en vertrouwen uitstraalt. Dit is voortdurend een gave en
een opgave aan allen die zich kerkelijk noemen.
Ieder is welkom, goeden en slechten, hoorden we, maar voor
één is er geen plaats, degene zonder
bruiloftskleed. Wie zich met God inlaat, op diens uitnodiging ingaat,
of je nu tot een kerk behoort of niet, goed bent of slecht, kleedt zich
voor deze ontmoeting met het kleed van gerechtigheid. Dat is geen
harnas, geen pantser, maar een kleed van mededogen, want de koning die
jou begroet is geen almacht, maar een God van mensen. Is dat niet de
God, op wie wij hoopten?
|
29e zondag door het jaar: Jesaja
45,1+4-6; Matteus 22,15-21
|
19
oktober 2011; Henk Jongerius OP |
|
Zoals
zo vaak in het Evangelie gebeurt, wordt aan Jezus
door
de Farizeeën en Herodianen een strikvraag gesteld. Zij doen
dat
listig door Hem eerst te prijzen omdat Hij ‘naar waarheid
onderricht geeft over de weg van God niemand naar de ogen
ziet’.
Het is dus oppassen geblazen, want de Farizeeën waren geen
voorstanders van de keizerlijke belasting maar de Herodianen wel. Geeft
Jezus een ontkennend antwoord, dan kan hij van sympathie met de Zeloten
beschuldigd worden; antwoordt hij bevestigend, dan kwetst Hij de
nationale gevoelens van het volk.
Spaart Jezus nu kool en geit wanneer Hij zegt dat je aan de keizer moet
geven wat hem toekomst? Dan kiest Hij toch eigenlijk partij? Ik denk
het niet want kijk goed naar wat Hij doet en zegt! Hij vraagt om een
munt waarop de beeldenaar van de keizer staat. Welnu, die munt is zijn
eigendom en dus moet je aan hem teruggeven wat hem toekomt. Het is een
nuchtere constatering die je kunt opvatten als een verwijt voor de
domme vraag die hem gesteld wordt. Maar de diepste kern en de boodschap
van Jezus’ reactie bestaat in de woorden die Hij er aan
toevoegt:
‘geef aan God terug wat God toekomt’.
In de Bijbel horen wij dat wij geen beeld van God mogen maken. Elk
beeld dat wij ons vormen van de Eeuwige haalt het niet bij het
énige en waarachtige beeld van God en dat is de mens. Wij
zijn
geschapen tot Gods beeld en gelijkenis en zullen de wereld zo bewonen
en inrichten als het Hem voor ogen staat. Wij zijn partners van God die
ons roept: ‘laat ons mensen maken naar ons beeld en
gelijkenis’. Bij dat beeld van God past het niet dat mensen
zich
groter maken dan ze zijn, elkaar onderdrukken en schatplichtig maken.
Wij zijn elkaar alleen maar onderlinge liefde en solidariteit
verschuldigd. Door zó met elkaar te leven geven wij aan
God
|
terug
wat Hem toekomt, namelijk dat Hij degene is die
ons ruimte en
tijd van leven geeft. Op die manier weten wij onze plaats en houden die
van de Eeuwige open in ons midden door ons te gedragen als beelddragers
van God die elkaar behoeden en het leven mogelijk maken. Zo’n
leven staat in fel contrast met de wijze waarop de keizer regeert want
dat is een koning met onderdanen die hem schatplichtig zijn. Hij neemt
de eerste plaats in en alles en iedereen zal daaraan onderworpen zijn.
In de eerste lezing horen wij dat Jesaja kritiek uitoefent op Cyrus, de
keizer! Alle koningschap in deze wereld heeft alleen maar recht van
bestaan als het lijkt op de koning die als een herder zijn mensen leidt
en bestuurt. Voor die koning klinkt het lied: ‘verkondig dag
aan
dag dat Hij God is, Hij alleen!’
De keizer mag zijn munten terugkrijgen maar daarmee is niet gezegd dat
hij heer en meester is over mensen. Alle werkelijk gezag zal berusten
op de erkenning zoals Jesaja die onder woorden brengt: ’Ik
ben de
Heer en niemand anders, buiten mij is er geen God. Ik omgord u en u
kent mij niet’. Wij zullen alleen weet krijgen van de Eeuwige
als
wij elkaar als gelijken in het leven begroeten en in de liefde tot
elkaar proeven wat de echte bron van leven en vruchtbaarheid is: niet
macht of gezag over elkaar maar de zachte kracht die mensen verbindt.
Dat jullie, Nelleke en Ruud die liefde hebben ervaren aan elkaar, maakt
jullie samen tot beeldenaar van God, die jullie samengaan van harte
moge zegenen en behoeden tot in lengte van dagen, want Hij heeft jullie
toegekeerd naar elkaar opdat jullie niet meer half zijn. Dat jullie de
tijd ontvangen om elkaar te kennen en te troosten, om de dagen en de
nachten uit Gods hand te ontvangen! Daartoe moge Hij jullie zijn zegen
schenken.
|
30e zondag door het jaar: Exodus
22,20-26; Matteus 22,34-40
|
23
oktober 2011, Ernst Marijnissen OP |
|
Heeft
u wel eens gehoord van Jaakob Jitzchak? Als dat
niet zo is hoeft u niet ongerust te worden. Hij is al enige tijd
geleden gestorven. Jaakob Jitzchak leefde zo’n twee en een
halve eeuw geleden in Oost-Europa. Hij was een beroemde rabbi en men
noemde hem vaak gewoon de Jehudi, de Jood. Eens zat de Jood op een
bankje en keek naar een ooievaarsechtpaar dat zich op het dak van een
kleine boerderij genesteld had. Op een gegeven ogenblik kwam er iemand
naast hem zitten. Hij zag de rabbi naar de ooievaars kijken en vroeg
hem: ‘volgens de Talmoed wordt de ooievaar in het Hebreeuws
chassida genoemd. En dat betekent toch de vrome of de
liefdevolle?’. De Jood knikte. Toen zei de ander:
‘de ooievaar draagt die naam omdat hij liefde bewijst aan de
zijnen. Maar waarom wordt hij dan tot de onreine vogels
gerekend?’. De Jood keek hem een ogenblik aan en zei toen:
‘omdat hij alleen aan de zijnen liefde bewijst’.
Omdat hij alleen liefde aan de zijnen bewijst. Wie worden bedoeld met
de zijnen? Dat zijn al diegenen, met wie u, ik en wij het om de een of
andere reden redelijk tot goed kunnen vinden. Met wie de verhoudingen
niet bedreigend, maar eerder bevestigend zijn. Het zijn degenen die aan
onze kant staan. De oorzaak daarvan heeft een veelkleurig gezicht. Het
kan gaan om je eigen gezin, familie, gemeenschap, cultuur,
geloofsovertuiging, politieke geaardheid. Om materiële
belangen en om vrienden. De zijnen staan tegenover de anderen. Maar wie
zijn dan de anderen?
Laten we eerst nog eens naar de vraag van de wetgeleerde luisteren. Hij
zegt niet: 'Rabbi, wat is het grootste gebod van de wet?' Neen, hij
zegt: 'wat is het grote gebod van de wet?' Het gaat niet om
één gebod uit vele geboden, welk groter is dan de
andere geboden van de wet. Het gaat om de wet zelf! Deze wet is een
menselijke verklanking van Gods eigen levenswijsheid. Deze wet is een
leiddraad en een handgebaar van de Eeuwige in onze richting. Je kunt de
vraag van de wetgeleerde dus ook zo stellen: 'Rabbi, kun je ons een
korte samenvatting van de Tora geven?' 'Dat kán ik', zegt
Jezus dan. 'In de Tora, de weg van de Eeuwige, draait alles om de
liefde'. Je kunt de Tora slechts verstaan als je haar leest met de ogen
van de liefde. Je kunt haar alleen dan vervullen als je haar beleeft
met je hart. Het verschijnen van het rijk van God staat of valt met de
erkenning of de afwijzing van de liefde als ziel en gistmiddel van
alles wat leeft.
Waarom is de Tora zo groot? Het antwoord luidt: omdat zij de
eigenliefde inschakelt als instrument om goed en respectvol naar andere
mensen om te zien. Om dit te begrijpen moe-ten we eerst beseffen, dat
God zichzelf zo liefheeft, dat alles in de Eeuwige liefde is en van
liefde bestaat. God is de Eeuwige, omdat leven liefde en liefde leven
is. In God is niets dat het leven in gevaar brengt, waardoor het
verloren zou kunnen gaan. God kan niet anders dan zichzelf liefhebben
en die liefde uitstralen in alsmaar nieuwe vormen, die het beminnen
waard zijn. Van deze God zijn wij geroepen beeld en gelijkenis te zijn.
We mogen dus, ja we moeten onszelf liefhebben. Anders kunnen we God
niet uitbeelden.
Eigenliefde is een goede zaak. Eigenliefde is niet hetzelfde als
eigenwaan, egoïsme, zelfverheerlijking of zelfvoldaanheid.
Eigenliefde is kiezen voor een zelfontplooiing, welke je gaaf en goed
maakt. Eigenliefde is de bekommernis om in dit leven de juiste
bestemming te vinden en deze te bereiken. Eigenliefde vraagt van je om
zorgvuldig naar jezelf te zien om te ontdekken wie je bent, wat je
kunt, kortom : wat je wel en niet moet doen. Daarom moet eigenliefde
niet enkel naar binnen en op mijzelf zijn gericht. Ware eigenliefde
ontwikkelt zich pas volledig als ze steeds meer liefde uitstraalt. Naar
buiten dus.
|
En
zoals een mens nietniet ziet en niet bemint. zonder eigenliefde kan
bestaan, zo heeft ook een groep van mensen, een
volk, een natie eigenliefde: zij kiezen ervoor zichzelf te zijn of te
worden. Denk maar eens aan Palestijnen, Koerden, Armenieërs.
Daarom gaat een volk zorgvuldig om met alles wat zijn samenleving
betreft. Het zal waken over goede onderlinge verhoudingen, eerlijke
verdeling van goederen, werk, huizen en alles wat nodig is om samen
volk te zijn. En zoals een mens, in waardige eigen¬liefde,
zichzelf verzorgt of zich laat verzorgen als hij ziek is, zo zal een
samenleving dat doen als het gaat over de zwakke en kwetsbare plekken
in haar midden.
Daarom richt de Tora zich in de eerste plaats tot allen, die de Tora
zullen onderhouden. Dan gaat het om Gods volk, gemeenschap, kerk. Dan
gaat het om hen die God trouw hebben beloofd. Maar dat is nog maar
één kant van het verhaal. Tot hier toe spreken we
als het ware over de zijnen. Maar de zijnen, Gods vrienden en
vriendinnen, hebben de zending, de missie meegekregen Gods liefde tot
álle mensen te verkondigen in woord en levenshouding. Onze
liefde mag zich niet beperken tot de Tora als een geschenk voor ons
alleen. Ze wordt ons vooral gegeven om onze ogen te openen voor de
anderen, die zijn zoals wij, maar die onze geloofsovertuiging niet of
nog niet delen. Die zijn als vreemdelingen in Gods eigen wereld. Daarom
hoorden we in de eerste lezing: 'Een vreemdeling zul je niet vernederen
en niet ver-drukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest, toen
je slaaf was in Egypte. Geen enkele weduwe of wees zul je vernederen'.
De wereld om ons heen is dus het domein van onze liefde tot de ander.
Het grote gebod van de Tora of de samenvatting van de Tora draagt ons
op het niet bij de eigenliefde te laten maar daagt ons uit ons te
openen naar de ander, die is als wijzelf, de wereld rondom, de mens die
je levensweg kruist. Het gaat om het grote geheel van de verhouding van
Gods kerk tot de grote samenleving maar evenzeer om mijn persoonlijke
verhouding tot de mens die op een bepaald moment mijn levensweg kruist.
Het is in het eigenbelang van een volk, ja van heel de mensheid
tenslotte, op te komen voor het welzijn van allen. Vluchtelingen,
asielzoekers, hongerlijders, arme en berooide mensen, de slachtoffers
van oorlog en terrorisme, van onrechtvaardige wetten of luxe
bezuinigingen zijn geen rotte maar zieke plekken in de samenleving.
Daar moet je helend en genezend op betrokken zijn. Binnen onze gebroken
mensenwereld zal ik altijd bedenken dat de mens, die ik ontmoet, er een
is als ikzelf. Kies ik dus voor mezelf, dan kies ik ook voor de ander.
Heb ík recht op leven, dan de ander evenzeer. Zo is de
liefde, zo is de wet, d.w.z. dé le¬vens¬weg.
In de mate, waarin wij dat niet volbrengen is er iets grondig mis met
mensen en samen¬leving. Daarom wordt deze liefde ons geboden.
De eigenliefde en de liefde tot de naaste hebben een gemeenschappelijke
bron in de liefde van God, de Levende, die zichzelf zozeer bemint dat
Hij explodeert in vonken van beminnelijkheid, altijd weer: een eeuwig
vuur van liefde.
Daarom is het beginsel van de heelwording van onze wereld de liefde tot
God. Maar wat zou een beginsel voor waarde hebben als we het niet tot
vlees en bloed maken in het leven van alledag? Daarom is de liefde tot
God alleen dan te verwezenlijken als we ons bekommeren om de naaste, de
ander: heb je naaste lief, die is zoals jij bent. Om met het onderricht
van rabbi Jaakob Jitzchak te besluiten: als je de mensen liefhebt die
jij graag mag of die jou welgezind zijn is dat goed. Maar je bent
onrein als je het daarbij laat en de ander, die jou levenspad kruist
|
31e
zondag door het jaar: Maleachi 1,14b-2,2b.8-10 Matteüs 23,1-12
|
30
oktober 2011, Ineke van Cuijk OP |
|
Bij
de inleiding van het boek van de Profeet Maleachi
wordt deze profeet ook pastor genoemd. Er staat ‘Maleachi is
tegelijk profeet en pastor’. Dat stelt mij wat gerust.
Want de aanklacht van Maleachi is niet mis. En zeker als je deze tekst
verbindt met het Evangelie – dan zou je haast niets meer
durven.
En als u Trouw leest, dan weet u ook dat het vandaag de dag van de
Stilte is.
Misschien is dat na deze lezingen ook wel de beste houding –
en je wordt er stil van!
Nu hebben kloosters en kapellen een goede traditie als het gaat om
Stilte – maar om nu maar een uur stil te zijn, daarvoor bent
u niet hier gekomen.
Toen Maleachi leefde, was het volk van God terug uit de Babylonische
gevangenschap.
De tempel was herbouwd maar de visioenen die in ballingschap zo sterk
geleefd hadden, waren niet uitgekomen. Er was nog steeds
machtsongelijkheid, er was nog steeds onvrede en wat Maleachi in deze
perikoop vooral wil aanklagen was de godsdienstige laksheid.
De voorgangers in de eredienst moeten het hier sterk ontgelden.
De eredienst aan God stond in een hoog vaandel – daarmee kon
het volk trouw betonen aan de Eeuwige, de Almachtige. En als die
eredienst verwordt tot blasfemie – ‘wanneer gij u
niet bekommert om de glorie van Mijn naam’ zo hoorden wij
– dan dient de eredienst tot niets.
Ook in het Evangelie horen wij hoe Jezus van leer trekt tegen
– laten we maar zeggen – in het algemeen
– de voorgangers.
De gespannen verhoudingen tussen Jezus en de schriftgeleerden zijn in
het Evangelie van Matteüs al een paar zondagen achter elkaar
aan de orde en naderen zo onderhand een climax. En we weten hoe het
afloopt.
Jezus begint heel open: Op de leerstoel van Mozes hebben de
schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en
onderhoud daarom alles wat zij u zeggen.
Jezus onderschrijft het belang van voorgangers. Er waren en er zijn
‘juiste’ voorgangers die in alle oprechtheid het
dienen van God tot een heilige vorm maken. Zij willen het dagelijks
leven heiligen en inrichten naar Gods bedoeling –
eten,drinken, werken, gezondheid, kleding – alles valt en
viel onder het woord Gods. Maar daarnaast heeft Jezus ook kritiek
– en die is niet mals. ‘Alles wat zij doen, doen
zij om bij de mensen op te vallen’.
Als dat het uitgangspunt is, ben je verkeerd bezig. Kritisch blijven
kijken naar alles wat je doet is een groot goed. Reflectie en
zelf-reflectie blijven een belangrijk aandachtspunt in een leven aan en
voor God gewijd.
En al zijn de verhalen van vandaag al heel oud (enkele eeuwen) we
herkennen het allemaal wel, denk ik.
Ook wij zijn, haast allergisch, zou ik zeggen als het gaat om uiterlijk
vertoon, grootspraak en machtswoorden van hoogwaardigheidsbekleders
zowel binnen als buiten De Kerk. Maar het is natuurlijk te gemakkelijk
om maar alles daar neer te leggen.
Ook wij – in onze eigen, kleine kringen – kunnen
macht uitoefenen – grootspraak voorhouden, en de
‘kleine mens’ in de hoek zetten - op het werk, in
het gezin, op school – in leefgroepen en
geloofsgemeenschappen.
|
Ook
wij kunnen bij bepaalde taken, zorgen,
diensten (binnen en buiten de kerk) ons er ‘met een
jantje-van-leiden’ afmaken.
Jezus spreekt
ook ons
aan.
Hij heeft het aanvankelijk over ‘hen’ over die
farizeeën, maar dan zegt Hij ineens:
‘Maar u….. en daarin mogen ook wij ons
aangesproken voelen.
‘Gij moet u geen rabbia laten noemen. Laat je niet ergens op
voorstaan.
Want wat toen gold, geldt ook nu. De buitenkant waar in onze
maatschappij zo de nadruk op ligt – waarop mensen vaak al op
voorhand worden beoordeeld: ereplaatsen,
titulatuur……
Jezus kijkt er doorheen tot in het hart van de mens.
En ook wij voelen wel wanneer iemand of iets ‘echt’
- authentiek is.
Want ook in onze tijd kan geloven soms een
‘kwestie’ van buitenkant (lijken te) zijn.
U, ik wij allemaal zijn daar in meer of mindere mate gevoelig voor.
Ook wij willen dat het van binnenuit komt.
In onze zoektocht naar en in Het Koninkrijk op Aarde zijn wij in het
geding.
Daar moeten wij ons hart laten spreken – daar gaat het om wie
wij ten diepste zijn.
En daarbij laten wij ons zo gemakkelijk leiden door ‘onze
menselijke maat’.
Maar naar Gods maat gemeten wordt alles anders:
Al wie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal
verheven worden.
Liever iets minder ---- als het maar echt is! Het gaat er Jezus niet om
ons te belasten met iets wat niet of nauwelijks te dragen is.
Nee, Hij wil dat wij juist voluit kunnen leven en zo een weldaad zijn
en een zegen voor elkaar.
Vandaag waarschuwt Jezus ons voor het gebruik van eretitels: noem
iemand geen rabbi, geen meester, geen vader. Al deze namen kunnen ons
afleiden – maken onderscheid tussen mensen. En natuurlijk is
niet iedereen dezelfde of hetzelfde! Gelukkig niet!
Maar als het er om gaat ‘Kind van God’ te zijn
– en dat willen we allemaal – dan is er geen
onderscheid. Want wij hebben allemaal één Vader
en wij zijn allemaal geschapen door Eén en Dezelfde God. En
er is één Leraar, de Christus.
Wij mogen allemaal, ieder op een eigen wijze, met zijn of haar eigen
talenten leerling zijn!
En als leerlingen zijn we allemaal gelijk.
Voor Jezus geldt: ‘Ik wil geen macht – ik wil
broeder- en zusterschap’.
Dan is het ook duidelijk dat wij zelf niet het middelpunt zijn
– dat het niet om ons eigen ik gaat maar dat wij maar
één en hetzelfde ijkpunt hebben. Dat is Jezus,
Messias de Gezalfde.
Maleachi profeet en pastor – Matteüs beschrijft
Jezus als leraar en pastor.
Een echte profeet en een goede leraar houdt het pastorale voor ogen.
Maleachi verzekert zijn volk van Gods trouwe liefde en roept het volk
op de Almachtige te eren en de geboden te onderhouden. Datzelfde vraagt
Jezus.
Profeet, leraar en pastor kan allemaal in een goede verhouding
– als je maar handelt vanuit een pastorale houding
– mens met hart en ziel.
Wij mogen ons richten op één God die ons
geschapen heeft.
Wij mogen geloven in één Vader / Moeder die in de
hemel woont.
Uiteindelijk gaat het om de dienst aan het leven, waarvan God de
eeuwigdurende bron is.
Een ieder heeft het leven als een gave ontvangen.
Zo’n rijkdom – daar worden wij stil van!
|
32e
zondag door het jaar: Wijsheid 6,12-16; Matteus 25,1-13
|
6
november 2011, Antoon Boks OP |
|
We
hebben hulp nodig in onze poging om de goede keuzes
te maken in onze wereld. Wij willen daarbij God hebben als onze
voortdurende gids. Dat probeerde de schrijver van het boek Wijsheid te
vertellen in de eerste eeuw voor Christus aan de Grieks sprekende Joden
in Alexandrië. Dat was een wereldstad waar ze allochtoon
waren. Het moet voor hen moeilijk zijn geweest als een minderheid die
zich niet wilde laten overspoelen door de geleerde heidense wereld om
hen heen. Hoe moesten zij vasthouden aan hun geloof in deze voor hen zo
aparte wereld?
Lijkt het een beetje op de wereld waarin wij leven? Vooral als veel
mensen denken, dat ze de wijsheid van hun ouders en de ideeën
van ons geloof niet nodig hebben. De schrijver van het Boek Wijsheid
spreekt tot zijn zusters en broeders in de vreemde en herinnert hen er
aan dat ze niet alleen staan: Wijsheid is er om hen te helpen te leven
in hun wereld.
Niet voor de eerste keer wordt wijsheid voorgesteld als een vrouw: Ze
wordt gewaardeerd door wie van haar houden en gevonden door wie haar
zoeken. Nog beter is dat ze rondgaat om te zoeken wie haar waard zijn.
Wijsheid staat niet stil, maar is net als wij onderweg en probeert ons
te helpen op onze levensweg. Hoe veel godsdienstige mensen hebben niet
te midden van problemen God gesmeekt om te zorgen voor duidelijkheid en
leiding? Vanuit onze vertwijfelde, lawaaierige en vaak verkeerd
bestuurde wereld zoeken we naar wijsheid en vragen we Jezus in deze
Eucharistie om ons zijn Geest van wijsheid te sturen.
We moeten wel oppassen dat we ons niet te veel bezig houden met de
onbelangrijke en onwerkelijke details in de parabel van vandaag zoals:
Waarom deelden die meisjes die wel olie hadden het niet met die te
weinig bij zich hadden? Waar zouden die meisjes, die olie nodig hadden,
deze midden in de nacht hebben kunnen kopen? Waarom riepen zij meer dan
eens Heer, Heer tegen de bruidegom? Waarom herkende Hij hen niet, ze
maakten toch allemaal deel uit van de bruiloftsgasten? Dat waren
details die Jezus zo vrij was in te voegen om Hem te helpen ons iets te
vertellen over wat Hij beschrijft als het Koninkrijk van de hemel.
De parabel van vandaag is de tweede uit een serie van drie die de
nadruk leggen op onze bereidheid om klaar te zijn voor de terugkeer van
Jezus. Net als de andere twee legt deze parabel van de tien meisjes de
nadruk op het feit, dat we waakzaam moeten zijn en nu al klaar moeten
staan voor de terugkeer van de Heer.
We moeten nu al keuzes maken gedurende de tijd dat we wachten en hopen.
We moeten doen wat we kunnen om nu onze geest te voeden, nu ons
verstand te vormen en nu onze wil te versterken. We kunnen beslissen om
onze trouw aan God werkelijkheid te maken. We mogen wat Jezus ons
leerde niet uitstellen tot morgen, want als we dat doen, is het een
teken van ons gebrek aan geloof aan de tegenwoordigheid van Jezus in
ons leven en ook een teken dat we niet geloven in zijn tweede komst.
We moeten nu al leven als Christen en niet wachten tot Hij komt. De
parabel probeert ons zo ver te krijgen, dat we nu al waakzaam zijn en
nu
|
al
voorbereid zijn. We mogen ook niet verwachten dat de
andere gelovigen voor ons zullen waken. wij zullen er voor moeten
zorgen, We mogen ook niet verwachten dat de andere gelovigen voor ons
zullen waken en er voor zullen zorgen, dat we klaar zijn. Dat moeten we
allemaal zelf doen: niemand kan onze verantwoordelijkheid overnemen.
Wij moeten iedere dag van ons leven laten zien, dat we geloven.
Duidelijk is in deze parabel dat wanneer Jezus werkelijk in ons leven
binnentreedt dit beslissend is. Dan is de voorbereidingstijd voorbij.
Als we een waakzaam leven hebben geleid, dan zullen we binnengaan in
het koninkrijk met Jezus Christus. De domme meisjes kwamen aan toen de
deur dicht was en toen ze aanklopten werd die niet open gemaakt. Ze
waren te laat. Ze hadden de verkeerde keuze gemaakt, de
voorbereidingstijd was voorbij.
Nog een paar beelden uit de parabel: de wijze meisjes maakten hun
lampen in orde toen de komst van de bruidegom werd aangekondigd. Gods
woord is een lamp voor onze voeten, zegt de Psalmist. Het woord van God
zal ons verlichten en ons helpen om de Heer te herkennen als Hij
aankomt. Het licht van het woord zal ons ook overeind houden tot Hij
komt.
Voor een aantal mensen is dit een parabel, waar we blij mee zijn;
andere mensen zullen dit niet zo leuk vinden. Voor iedereen die actief
zoekt naar Gods wil zal Zijn woord een licht op ons pad zijn en de deur
zal voor ons open gedaan worden. Maar degenen, die leven met
namaaklicht en onverschilligheid voor de toekomst zullen de deur
gesloten vinden.
Waarom duurt het zo lang? We leven in een ongeduldige wereld. Meer dan
eens heb ik dat meegemaakt in de supermarkt. Ik stond in die rij, waar
je maar hoogstens tien artikelen kon afrekenen. Maar die man voor me
had twaalf artikelen. De dame achter me vond dat maar niets en vroeg
hem: Kun je niet lezen? Twaalf is geen tien!
We mogen luisterend naar de parabel van vandaag wel een beetje
ongeduldig zijn en ons afvragen: Waarom duurt het zo lang? Ook op dat
onderdeel van de parabel hoeven we ons niet vast te pinnen. Daarom zeg
ik vandaag: we hoeven niet te wachten tot onze dood of tot de
wederkomst van Jezus. Het koninkrijk van Jezus kan nu al in ons leven
van alle dag op steeds weer andere manieren werkelijkheid worden. De
parabel herinnert ons er aan dat we waakzaam moeten zijn en voorbereid.
Gedurende de wachttijd kunnen we zoals Jezus ons geleerd heeft het
koninkrijk van God verwelkomen door hongerigen te eten te geven,
naakten te kleden, dorstigen te laven en onderdrukten vrij te maken. We
hebben dus nog heel wat te doen voordat Jezus terugkomt, want Hij komt
iedere dag op een onverwachte manier. Wijsheid is de voornaamste deugd
van onze goede boodschap. Dat helpt ons om waakzaam te blijven en zorgt
er voor, dat we verstandige keuzes maken in ons leven van elke dag.
Laten we daarom waakzaam blijven en proberen die keuzes ook echt te
maken. Amen.
|
33e
zopndag door het jaar: Spreuken 31, 10-31; Matteus 25,14-30
|
13
november 2011, André Lascaris OP |
|
In
de eerste klas van mijn lagere school hing een plaat
met een smalle, mooi geel, gouden weg, en daarop een engel met een
meisje. Daarnaast was er een brede zwarte weg die scherp afboog met de
duivel en een jongentje. De boodschap was duidelijk: je moest kiezen
voor die smalle goudgele weg en niet voor die zwarte. En die keuze
maakte je door gehoorzaam te zijn aan de geboden van God, natuurlijk
ook aan je onderwijzer en je ouders.
Achter deze plaat ging een bepaald godsbeeld schuil en een beeld van
het leven. Leven was de geboden onderhouden, de tien geboden voorop en
de vijf geboden van de kerk en nog veel meer. God was alwetend en
vooral almachtig, en mannelijk; hij wist alles, zal je op je huid,
schreef alles wat je deed in zijn boek en op het eind van je leven
kreeg je de rekening gepresenteerd: hel of hemel. En velen leek de hel
een heel aannemelijk slotakkoord van hun leven.
In de laatste vijftig zestig jaar is heel veel gebeurd en veranderd. De
Sovjet-Unie is te gronde gegaan, de Amerikaanse hegemonie loopt ten
einde. We hebben de Euro en we hebben computers, Vliegen is net zo
gewoon als het nemen van de bus met de Ov-kaart. Seks is minder zondig
dan ze was. We hadden een Tweede Vaticaans Concilie en nu de pogingen
terug te keren naar de tijd daarvoor.
Bij al die gebeurtenissen is ook het beeld van God veranderd. Die God
met zijn verboden en geboden is verdwenen, althans bij zeer vele
mensen. Voor de meeste mensen is het daarbij gebleven. Ze leven zonder
God. Of ze leven met een God die een onpersoonlijke kracht is in het
heelal. Ze hebben God begraven. Voor sommigen is echter die
vreeswekkende God veranderd in een God die liefde is. Liefde is hier
niet zo maar een eigenschap van God, maar is de kern en het leven van
God zelf. God is niet meer almachtig, want als je van iemand houdt, wil
je geen almachtig macht uitoefenen over hem of haar.
De parabel is waarschijnlijk ontstaan toen Jezus mensen ontmoette die
hem verwierpen, omdat ze bleven hangen aan een vastgelegd beeld van de
Messias en een streng beeld van God. Jezus presenteerde een ander beeld
van God, een God die plezier heeft in mensen; voor wie de mens zijn
glorie is.
In de parabel vertrouwt een heer vijf talenten – dat is
ongeveer €1500; daar kon je heel wat mee in die tijd
– en twee talenten, € 600 toe aan twee slaven,
mensen die van hem afhankelijk zijn en aan een derde € 300,
“Ieder naar zijn bekwaamheid”, wordt er gezegd.
Deze slaven worden niet overbelast; hun Heer heeft nauwkeurig gekeken
en met zorg vastgesteld wat ze kunnen. De heer is lange tijd afwezig,
In die tijd gaan de eerste en tweede slaaf aan de slag. Ze
handelen heel
zelfstandig, Ze zijn ondernemend. Ze weten dat ze ook
verliezen
|
kunnen
oplopen, maar niets houdt hen tegen om aan slag te gaan, zeker
niet de
Heer die ver weg is en de communicatie moeilijk. Ze lijken op de vrouw
uit Spreuken, de eerste lezing. Ze handelen als vrije mensen en maken
een fantastische winst van 100 procent.
Maar de derde heeft zijn € 300 in de grond begraven
– veel mensen in die tijd bewaarden zo hun geld. Hij doet er
helemaal niets mee. Hij is verstijfd door angst. Zijn beeld van zijn
heer, zijn beeld van God is die van een strenge baas. Iemand die het
onmogelijke vraagt, die wil binnenhalen waarvoor hij zelf niet gewerkt
heeft. “Had het dan op de bank gezet, dan had het nog rente
opgeleverd,” wordt hem gezegd. Hij had geen fantastisch
resultaat hoeven te boeken. Rente vragen was eigenlijk verboden. Had
dat verbodene toch maar gedaan, zegt de heer, zegt God, tegen de man.
Dat had altijd nog van inzet, creativiteit en ondernemingslust getuigd.
De heer, beantwoordt vervolgens aan het beeld die de knecht van hem
heeft: zijn geld gaat naar de best presterende en hijzelf wordt het
huis uitgezet. God die liefde is, neemt de mens serieus. Iemand die
alleen maar door angst beheerst wordt in zijn of haar relatie met God,
zal elk liefdevol gebaar steeds weer begrijpen als een aanval op
zichzelf, als een pijl op hem gericht. Deze relatie is duisternis.
Wie gelooft en vertrouwd dat God in hem/haar geïnteresseerd is
en van hem/haar houdt, durft het leven aan met zijn ups en downs. Durft
creatief te zijn, ondernemend, durft zelfs te doen wat eigenlijk
verboden is, omdat de liefde het hier en nu vraagt. In plaats van
neurotisch vast te houden aan wat ooit afgesproken is, weet
zo’n mens ook wanneer hij in de ogen van anderen iets slechts
doet, toch op het goede spoor te zitten.
Er wordt een ander soort gelovige gevraagd dan vijftig, zestig en meer
jaren geleden. Geen ja-knikker, geen angstige gelovige, niet iemand die
steeds zo op de grenzen van de weg let, dat hij niet vooruitkijkt, zijn
geloof begraaft, en het zogenaamd bewaart. Niet iemand die zichzelf
kwelt of zware lasten oplegt en die ze ook gemakkelijk aan anderen
oplegt. Maar iemand die zich gedragen weet door God en daarom
zelfstandig, creatief en ondernemend te werk gaat en probeert te
ontdekken hoe vorm te geven in zijn/ haar leven aan de opdracht God te
beminnen en de naaste zoals zichzelf. Een gelovige die weet dat ieder
mens verschillend is en dat je jezelf niet met anderen moet
vergelijken.
“Deel in de vreugde van je heer”, zegt de heer
tegen zijn slaven. Die vreugde is niet iets abstracts, maar is de
maaltijd die hij aanricht en waartoe hij hen uitnodigt, zodat zij niet
meer zijn slaven zijn, maar zijn vrienden. En wij, ook ons wacht die
uitnodiging.
|
Christus
Koning: Ezechiël 34,11-12.15-17; Matteus 25,31-46
|
20
november 2011, Paul MInke OP |
|
Jezus,
de Mensenzoon, Koning en Herder, neemt plaats op
zijn troon van glorie. Alle volken worden vóór
Hem bijeen gebracht worden: De volken uit Europa: verwart en verdeeld
onder invloed van de eurocrisis; de volken uit Amerika, de machtige en
de kleine kwetsbare staten; de volken uit Afrika: vele verarmd,
bestolen en beroofd, chaotisch. de volken uit Azië: sommige
fanatiek vroom en tegelijk onmenselijk wreed. Voor hem zijn samen
gebracht priesters en predikanten, gelovigen en niet-gelovigen,
miljonairs en daklozen, politici en illegalen, fatsoenlijken en
herrieschoppers, u en ik, kortom een bont gezelschap. Zij allen staan
voor de troon en de Koning scheidt hen in twee groepen zoals de herder
scheiding maakt tussen schapen en bokken: aan de rechterzijde de
rechtvaardigen en aan de linker de onrechtvaardigen. Voor alle volken
en mensen, van hoog tot laag geldt hetzelfde oordeel. Geen scheiding
dus tussen katholieken en niet-katholieken, kerksen en niet-kerksen,
gelovigen en niet-gelovigen, nee, alleen maar tussen mensen die recht
hebben gedaan, dwz: de hongerigen gevoed, de dorstigen gelaafd, de
vreemdeling opgenomen, de naakten gekleed én die geen recht
gedaan hebben, die zieken en gevangen niet hebben bezocht. Voor Jezus
staat de mens, zijn waardigheid en welzijn in alles voorop, zozeer, dat
hij zich identificeert aan wie alle aanzien ontnomen is: Wanneer zagen
wij u hongerig of dorstig, naakt of vreemdeling?
We hadden misschien anders geoordeeld wie goed en slecht is, wie we
wél kunnen verwachten in het Koninkrijk en wie niet, van wie
daar thuis horen en wie dat wel kunnen vergeten. Des te verrassender
dat Jezus anders oordeelt en dat mensen welkom zijn op basis van daden,
die je om zo te zeggen tussen je bezigheden door doet, b.v. een
hartelijk woord voor wie hongert naar wat aandacht en begrip, een
helpende hand, een open oor voor de vreemdeling op je weg, een attent
gebaar van belangstelling voor wie ziek en eenzaam is. Simpele tekenen
van zorg, die je niet vermeldt op je c.v. bij sollicitaties maar die in
de ogen van Jezus van doorslaggevende betekenis zijn.
Zo geldt dat van mens tot mens. Maar evenzeer van volk tot volk.
Ezechiël schrijft: Zo spreekt de Heer: Ik zoek mijn kudde op.
Dwz: het verslagen, moedeloze volk, zo gekwetst en verstrooid. De
rechten van de mens, recht op leven, op welzijn op vrede en recht
dienen voor alles geëerbiedigd te worden. Door volken en
mensen. Voor Hem is het leven van de medemens onaantastbaar en heilig
en dat moet voor ieder mens hetzelfde gelden, van welk volk ook. We
zullen beoordeeld worden of we recht hebben gedaan aan mensen, wier
rechten worden geschonden, verkwanseld of misbruikt: de rechten van de
politiek gevangenen, van uitgeprocedeerde asielzoekers, van de
kinderen, van zwakken en
|
gehandicapten, van de
ongeborenen. Dat de Koning in deze niet bereid is te schipperen of mild
te oordelen moge blijken uit het feite, dat hij zich identificeert met
de ontrechten. Al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van
mijn broeders, dat heb je voor Mij gedaan.” Dat versta ik dan
zo: Dat is pas echt christelijk leven en alleen op deze wijze, waar wij
effectief opkomen voor het leven van mensen en volken hun vrijheid, hun
vrede, hun rechten, hun toekomst, hun kinderen, een veilig dak, een
gedekte tafel, een eerlijk loon, een vangnet bij tegenslag, ieder
binnen de mogelijkheden, die hij, of zij of wij met elkaar hebben. B.v.
niet kritiekloos populistische slogans overnemen maar ontmaskeren, of
je vooroordelen onderkennen, die je spreken over anderen
beïnvloeden.
Het woord ‘broeder’ dat Jezus gebruikt, is een zeer
geladen woord. De ‘broeder’ is elke medemens in
nood – man of vrouw of kind – die ik ontmoet en die
mij mag raken tot in mijn ziel. Wie in de hulpzoekende een
‘broeder’ herkent, zich aan hem verwant weet, en
ingaat op de vraag, die hij je stelt, al of niet met woorden, die
ontmoet Jezus, of hij/zij daarvan nu weet heeft of niet. Dit te weten
blijkt een troost en een bevrijdende gedachte te zijn voor ouders of
grootouders, die zich schuldig voelen, dat hun kinderen of
kleinkinderen niet meer naar de kerk gaan, maar wél zien,
dat zij in het sociale leven veel goeds doen, beroepshalve en/of als
vrijwilliger b.v. in het verenigingsleven.
We vieren het feest van Christus Koning. Een bijzondere koning, een
koning die niets heeft met glorie en luister, heerlijkheid en macht.
Mocht die suggestie uitgaan van het evangelie van vandaag. dan worden
wij gecorrigeerd door de profeet Ezechiël. Zo leert hij: Jezus
is koning voor en van de kwetsbaren zowel in de samenleving dichtbij
maar ook van de volken der aarde. Zoals een herder omziet naar zijn
kudde en zich onder zijn schapen begeeft zo zal ik omzien naar mijn
schapen en ze in veiligheid brengen. Het vermiste schaap ga ik zoeken,
het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind ik, het zieke geef
ik weer kracht.
Het is een feest, dat ons met grote dankbaarheid vervult. Het doet me
wat te mogen spreken over een koning, over Jezus, die zo betrokken is
bij het wel en wee van mensen, die ons zo nabij is. Een koning, die
tegelijkertijd zo'n partijdige en bewogen rechter is, dat hij het
opneemt voor de mensen, aan wier geluk zoveel ontbreekt. Een koning,
die ziet wat wij zo terloops aan goeds doen voor anderen, zo terloops,
dat het onszelf nauwelijks opvalt maar hem wel, zo terloops dat we niet
beseften, dat wij in de ander hem hebben ontmoet.
Wie goed doet, van welke huize, geloof of volk hij of zij ook is, heeft
niets te vrezen en mag erop vertrouwen dat hij horen mag: Komt
gezegenden van mijn Vader, erft het koninkrijk dat voor jullie klaar
ligt van het begin van de schepping. Amen.
|
|