PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2010 (C)
| Maria
Tenhemelopneming: 1Korinthe
15,20-27; Lucas 1,39-56 |
15
augustus 10, Antoon Boks OP |
|
Iedere
dag is er wel wat anders te vieren. Iedereen
heeft zijn eigen geschiedenis. Van sommige mensen hier aanwezig kennen
we die en van andere weer niet.
Allerlei gedachten kunnen door ons hoofd gaan, vandaag kan ik praten
over Maria en over mezelf. Maria is een model voor ons geloof. Van haar
weten we allemaal, dat zij Jezus in de wereld bracht en door ons leven
als Christen maken we Christus bekend in de wereld. In de verrijzenis
van Christus is het leven van ons mensen dus ook van Maria verzekerd.
Wij kunnen iedere dag weer zeggen, dat de verlossing een feit is.
Daarom kunnen wij net als Maria blij zijn met wat God deed en doet, al
zullen we daarvoor misschien niet de woorden van haar lofzang
gebruiken.
Hoe kijken we tegen ons leven aan? Heel vaak heb ik geluisterd naar
gesprekken daarover en heb er zelf ook over gesproken.
Praten over leven kunnen we op allerlei manieren doen, bijvoorbeeld als
wetenschapper of als een gewone christen ook al kan dat natuurlijk ook
samengaan. Volgens mij is iedere mens een eenheid van geest en lichaam.
Daarmee bedoel ik dat ik kijk en niet mijn ogen; ik denk en niet mijn
hersenen en zo kan ik door gaan. Bovendien eenmaal geboren blijven we
voor eeuwig als die eenheid bestaan.
Een filosoof heeft eens gezegd, dat ik tegelijk moet zeggen: Ik ben een
lichamelijke geest en ik ben een geestelijk lichaam, want u weet
allemaal, dat een zelfstandig naamwoord belangrijker is dan een
bijvoeglijk naamwoord. Omdat ik dat moeilijk tegelijk kan zeggen, zeg
ik het maar achter elkaar. Maar je kunt het ook op een heel alledaagse
manier tot uitdrukking brengen: ik ben een kind van mijn vader en
moeder en vaders en moeders kunnen tegelijkertijd ook zeggen: ik ben
vader of moeder van een zoon of dochter.
Als mens zijn we tegelijkertijd een kind van God en een kind van onze
vader en moeder. Dat kun je ook niet van elkaar scheiden.
Als wij deze gedachtegang vasthouden dan hoeven wij helemaal geen
moeite te hebben met het feit dat de Kerk aangeeft dat Maria met ziel
en lichaam voor eeuwig gelukkig is. Dat zouden wij van ieder mens
kunnen zeggen.
Lang voor 1950 had van Maria en ook van ieder ander die voor eeuwig
gelukkig voortleeft gezegd kunnen worden, dat ze dit met ziel en
lichaam doen. Dat heeft niets te maken met de vraag of er al dan niet
een graf van Maria te vinden is. Mag ik proberen dat duidelijk te maken
door een hele goede vraag stellen: Wat doet U met de haren die de
kapster of kapper afknipt of met de nageluiteinden? Gaat u die iedere
keer weer begraven of cremeren? Nee toch. Haren en nagels zijn delen
van ons lichaam, maar als de tijd gekomen is, dan gooien we de resten
gewoon weg.
|
Maria
deelt net als al
die andere mensen met ziel en lichaam in de verrijzenis van Christus,
die de dood overwint en vertrouwen geeft aan alle mensen dat er ook
voor ons een opstanding is; van ons, niet alleen van onze ziel, maar
van ons als eenheid van lichaam en ziel.
Tegelijk met de viering van dit feest van Maria durf ik dan ook te
zeggen over mijn viering van vandaag: Ik vier dat ik al zeventig jaar
lid ben van de familie Boks, al vijftig jaar lid van de Orde van de
predikers en pas een jaar of zeven van deze kapelgemeenschap.
Je kunt mij niet scheiden in aparte delen; ik ben een mens die zowel
bij de familie Boks thuishoor als bij de Orde van de predikers.
En dat is bij ons allemaal het geval. In ons dagelijks leven merken wij
dat steeds, want we kijken, luisteren, voelen en denken. Dat geldt voor
iedereen, maar we zijn natuurlijk allemaal anders. Door de ene persoon
worden sommige geluiden prachtig genoemd en een andere noemt datzelfde
geluid luid geraas.
Als wij –vanuit het idee van de mens als een
eenheid— kijken naar de dood dan kunnen wij ons ook beter
voorstellen dat de dood niet het einde is, maar net zoals iedere morgen
het begin van iets nieuws.
We mogen blijven zeggen, dat alle mensen sterfelijk zijn, maar even
goed mogen we van ieder van ons zeggen, dat we onsterfelijk zijn en dat
geldt niet alleen voor Maria of voor bekendheden zoals Bach en de
Beatles. Die Beatles durfden te zeggen, dat zij nog bekend zouden zijn,
als de mensen al lang niet meer denken aan Jezus Christus..
Vandaag, nu wij vieren dat Maria voor eeuwig voortleeft, mogen wij ook
herinnerd worden aan onze eigen opstanding. De woorden van Paulus geven
ons nog meer steun hierin: Christus ging ons hierin voor als eerste en
wij die in Hem geloven zullen Hem volgen.
In dat vertrouwen op ons eigen eeuwig leven kunnen wij ook iedere dag
vol goede moed beginnen, denkend aan heel veel leuke en gelukkige jaren
in het verleden en hopend op nog meer in de toekomst. Als wij dan even
stilstaan bij wat er in een Psalm staat, dat voor God duizend jaar zijn
als een dag. Dan is zeventig of vijftig jaar in ieder geval een goede
gelegenheid om weer een keer met elkaar te vieren, dat God liefde is en
dat wij als Gods beeld en gelijkenis nog heel wat liefde aan elkaar
kunnen geven.
Ieder van ons, man of vrouw, lang of kort, zwart, bruin of wit en
allemaal mooi, zijn op onze eigen manier een beeld van God: we leven
voort voor eeuwig en kunnen aan elkaar door onze liefde voor elkaar
laten zien, dat wij ook allemaal door God bemind worden.
Is dat geen reden om feest te vieren?
|
21e
zondag door het jaar: Jesaja 66,18-21; Lucas 13,22-30
|
21
augustus, Theo Koster OP |
|
We
hoorden een deel uit het slotwoord, waarmee Jesaja
zijn
boek besluit. Jesaja laat in een visioen God aan het woord. Dat is
riskant. In de tijd van Jesaja was God niet anders dan wie wij met deze
drie letters aanduiden. En hebben jullie God wel eens horen praten? Of
waren het je eigen verlangens en visioenen die je hoorde?
God in en vanuit jou zelf laten praten veronderstelt een hechte band,
een grote vertrouwdheid met dit mysterie. Ik hoor, ik zie God soms als
een vrouw, een man mij vertelt: we hebben een kind gekregen. Het is een
flits, een vonk van God, dat een vuur kan worden naarmate ik met vallen
en opstaan ontdek dat u, dat jij, en ook mensen verder weg als Geert
Wilders, moeder Teresa, ja ik zelf een cadeautje ben. Ten diepste
ervaren dat ik geen eigen baas ben, dat ook ik met al mijn
eigenaardigheden een geschenk ben dat erom vraagt uitgepakt te worden,
doet een mens stralen, gloeien, mens worden, beeld van God. Jesaja
heeft zichzelf uitgepakt en ruimte geschapen voor het mysterie in en
rondom hem, voor God die aan ons begin staat, in ons woont, in ons kan
spreken en naar ons uitziet.
Er zijn mensen die aan deze ervaring niet toe komen, aan wie het
mysterie van hun leven ontgaat; mensen die het te druk hebben met
zichzelf, niet uitpakken, zelfs bezig zijn zichzelf nog verder in te
pakken en op te poetsen.
Er gaan mensen verloren, maar die gespaard zijn gebleven worden
uitgezonden. Uitgepakt zijn het levende getuigen van onze Bron, van
God; maken zij Gods glorie zichtbaar, voelbaar bij volken die het
Joodse geloof niet kennen, maar ook hebben uitgepakt en zichzelf hebben
laten kennen als broeders en zusters. In Jeruzalem, stad van Gods hart,
worden zij teruggegeven aan de Barmhartige.
Is het niet kwetsend een cadeautje dat je hebt uitgepakt terug te
geven? Nee, zeker niet als het om mensen gaat. Het kost ons mensen
moeite, pijn, verdriet, om niet opgesloten te raken in onszelf, ons
niet vast te klampen aan allerlei zekerheden, elkaar te bevrijden van
de maskers die we dragen. Terecht wordt gesproken over “een
offer
voor de Levende”. Jesaja heeft het in het slotwoord van zijn
boek
over iets sacraals, iets prachtigs wat de wereldbewoners te wachten
staat. Hij ziet mensen waar ook ter wereld vandaan geroepen worden door
God, aangeboden worden aan dit mysterie van ons leven, aan God.
Er gaan ook mensen verloren, ik zelf misschien of u. Jezus is onderweg
naar Jeruzalem, waar het visoen van Jesaja gaat gebeuren. Geen wonder
dat iemand hem vraagt: zijn het er weinig die gered worden? Op het
aantal gaat Jezus niet in. Omdat hij het niet weet? Nee, het aantal
interesseert hem niet.
|
Jezus
is
geïnteresseerd in
mensen; hen roept hij op zich tot het uiterste in te spannen om door de
nauwe deur binnen te komen.
Is het dan zo moeilijk door een deur als die daar (sacristie) binnen te
komen? Ik ben erdoor naar binnen gekomen; geen enkel probleem. Maar als
we straks allemaal tegelijk naar de koffie willen, dan is die deur
ineens veel smaller. En zit die deur eenmaal dicht, probeer er dan nog
maar eens door te komen.
Jezus vergelijkt het koninkrijk van God, daar waar God thuis is, met
een feestelijke maaltijd. Abraham, Isaäk en Jakob, de
stamvaders
van joden, christenen en moslims zullen aanzitten; de grote profeten en
allerlei mensen, uit oost, west, noord, zuid, dus zelfs mensen die niet
toegelaten werden bij de eucharistie of het avondmaal, omdat ze niet
Rooms Katholiek of goed Gereformeerd waren. We hoorden mensen zeggen:
wij hebben in uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken; in onze
straten, in onze kerken hebt gij onderricht gegeven. Dan is het keihard
te horen te krijgen: ik weet niet waar gij vandaan komt. Keihard
inderdaad, als je met Jezus gegeten en gedronken hebt, geluisterd hebt
naar zijn onderricht. Eten met iemand of in tegenwoordigheid van iemand
is totaal iets anders. Wie met Jezus eet en drinkt opent zich, laat
zich kennen, schept ruimte voor God, is met andere woorden al binnen.
Wie al binnen denkt te zijn, of je nu jood bent of christen, gelovig of
een God loochenaar, die komt van een koude kermis thuis. Het probleem
is niet de smalte van de deur. De deur is breed genoeg dat ieder erdoor
kan. Het probleem zit in onze afkomt, of beter gezegd: hoe wij omgaan
met onze afkomst. Twee keer hoorden we: ik weet niet waar gij vandaan
komt. Weet ik, weten wij waar wij vandaan komen? Gedragen we ons hier
naar? Als het een wonder ik dat ik besta, waarom leef ik dan in een
sleur? Als een mysterie aan mijn wortels ligt, waarom laat ik me dan
beheersen door het zeker willen weten? Als u, als ik een geschenk ben,
waarom doe ik dan zo weinig of geen moeite dit geschenk uit te pakken?
Waarom ben ik niet benieuwd naar wat in jouw verpakking zit en help jou
zo,jou zelf uit te pakken? Wie zichzelf, wie anderen recht doet, dus
het beeld van God dat in ons schuilt naar bovenhaalt, doet God recht.
In haar, in hem zal God aan het woord komen.
Tot slot nog even terug naar die dringende oproep aan ieder van ons:
“Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te
komen,”. We worden opgeroepen tot onze laatste ademtocht te
leven, alsof we niet binnen zijn. We zijn niet binnen. Denkt eraan: er
zijn laatsten die eersten zullen zijn.
|
22e
zondag door het jaar: Sirach 3,17-29; Lucas 14,1+7-14
|
29
augustus 2010, André Lascaris |
|
Wanneer
gasten onze eetkamer binnenkomen, vragen zij:
‘waar kan ik gaan zitten? Hebben jullie vaste
plaatsen?’ En wij roepen dan als in koor: ‘neen, we
hebben geen vaste plaatsen, u kunt overal gaan zitten.’ Zo
doet u dat waarschijnlijk thuis ook, zelfs als u in feite wel altijd op
dezelfde plaats aan tafel zit.
Het gaat vandaag over ‘een plaats hebben’. Jezus
heeft kennelijk daarover een paar opmerkingen gemaakt, maar Lucas wist
niet meer in welke samenhang. ‘Bij een bruiloft’,
zegt Jezus – en we moeten natuurlijk denken aan de bruiloft
tussen God en Israël en tussen God en ons, mensen. Lucas heeft
vooral gedacht aan zijn situatie, die van de nog heel jonge kerk. De
genodigden zijn hier eerder de vroege christenen dan de tijdgenoten van
Jezus. Lucas moet dezelfde ervaring hebben gehad als Paulus die in 1
Kor 11,33 schrijft dat de leden van de kerk, op elkaar moeten wachten,
wanneer zij gezamenlijk brood breken. De laatkomers zijn vaak de mensen
die bij anderen in dienst zijn, ze zijn niet zo rijk. Ze zitten niet op
de belangrijkste plaatsen. En de brief van Jacobus klaagt erover dat de
rijken de goede plaatsen krijgen en de armen mogen blijven staan. (Jac.
2, 1-7)
Ik geloof dat deze kwesties in onze kapel geen grote rol spelen, maar
voor ons, die sterk individualistisch zijn, is ‘een plaats
hebben’ wel heel belangrijk. U herinnert zich misschien nog
de preek van H. Oosterhuis bij de begrafenis van prins Claus: hoe hij
vertelde dat de prins naar de uitzending keek van Koninginnedag, en
toen volmondig kon zeggen: ‘ja, zie je, dat is mijn
plaats’. Jonge mensen zijn heel actief op zoek naar een
plaats, en dat zoeken doen ze zonder een beroep te doen op traditionele
instellingen als de kerk. Ieder van ons zoekt een plaats in het leven.
Een thuis hebben, er te mogen zijn, een plaats waar je jezelf kunt
zijn. Een woning waarin je je kunt terugtrekken en een scheiding kunt
maken met een wereld waarin je vooral als een functionaris wordt
gezien. Daar is de vraag: ‘hoe functioneer je’? En
je functioneren wordt vergeleken met het functioneren van een computer.
Op je eigen plaats is de vraag ‘wie ben je, hoe ben
je?’ Die is een binnenwereld, een plaats van geborgenheid,
waarin je intimiteit kunt beleven met anderen. Een plaats waar we
gastvrij willen zijn en anderen willen ontvangen, niet omdat het moet,
maar omdat we willen delen met anderen wat we bezitten.
Je kunt proberen een dergelijk plaats te veroveren, en dan streef je
natuurlijk naar de betere plaatsen. Maar een dergelijk plaats wordt ook
door anderen begeerd. Je leven wordt dan een slagveld, je botst steeds
op mensen die jouw plaats willen innemen en bij je pogingen hoger op te
komen, veranderen vele mensen in even zovele blokkades.
|
Je
kunt beter op de
laatste plaats gaan staan. Die plaats wil niemand. Maar eigenlijk is
dat een plaats van belofte. Je staat daar in afwachting. Je bent iemand
die luistert. (Sirach,3, 28) Doordat jij niet mee doet met het
slagveld, maar luisterend aanwezig bent, straalt er van jou rust uit.
Die rust, die vrede, is welkom. Altijd zal er dan iemand zijn die je
een hogere plaats toedenkt. ‘Vriend, ga hoger op’.
Ik denk dat die hogere plaats niet hoger is, omdat de stoel beter is,
of meer versierd, of dichter bij de bruid en bruidegom staat, maar die
plaats is hoger omdat die je door anderen wordt toegewezen en je van
harte gegund wordt. De hogere plaats is de plaats die je van harte
gegund wordt. Een betere plaats is er niet. Wanneer we worden geboren,
wordt ons tegelijk een plaats aangewezen, meestal gelukkig van harte.
Wanneer in ons leven anderen geen respect voor ons hebben en ons geen
plaats onder de zon gunnen, worden we diepgaand verwond.
Je kunt die plaats die je van harte gegund wordt weer veranderen in een
uitgangspositie om nog hoger op te komen – dat loopt altijd
op een mislukking uit. Je kunt je plaats verwaarlozen en er een
puinhoop van maken. Je kunt tot je plaats, tot jezelf, alleen maar
mensen uit dezelfde omgeving uitnodigen, die jou op hun beurt weer
uitnodigen. Netwerken! Je raakt dan terecht in eindeloze cirkels van
‘ik geef jou wat, opdat jij mij iets van dezelfde waarde
geeft’. Je raakt opgesloten; jouw plek wordt eerder een
gevangenis dan een woning waar je jezelf kunt zijn en die je graag wilt
delen met anderen.
Ieder van ons zoekt individueel een plaats zoals prins Claus. En de
goede plaats moet je gegeven worden. En gezamenlijk staan we voor de
vraag hoe geven wij hen die van elders komen, met name de moslims, een
plaats in ons midden? Ik denk niet dat ik hier en nu daarop een
antwoord heb. Welke plaats geven we aan hen, en welke plaats geven zij
aan ons? Kun je wel van te voren vaststellen,wat de grenzen en de
openingen in die grenzen van hun plaats zijn? We kunnen alleen proberen
om op bescheiden wijze luisterende mensen te zijn en zo mogelijk hen
mede tot onze gasten maken.
Hoe geven we de armen en gehandicapten
een plaats? Ook voor hen geldt dat wij ze tot onze gasten moeten
rekenen.
U bent allen van harte uitgenodigd bij deze viering. Hier is God zelf
onze gastheer .In de Joodse traditie wordt God vaak
‘dé plaats’ genoemd:
‘hamakoom’. Hij verandert deze plaats tot zijn
plaats, maakt het een ‘makoom’, een Mokum, waar
voor ieder van ons een plaats, een woning is. Vrienden, ga hoger op,
God zelf wil jouw plaats zijn.
|
23e
zondag door het jaar: Wijsheid9,13-18b; Lucas 4,25-33
|
5
september 2010, Ernst Marijnissen OP |
|
“Jullie
zijn het zout der aarde”. Ik
vind dat een verrukkelijke uitspraak van Jezus. Ik ken geen kortere en
bondiger beschrijving van de kerk, die Jezus voor ogen staat. Zout is
smaak makend en bederf werend. Stel je voor dat je het eten zo
toebereidt dat alles naar zout smaakt. Daar moet je toch niet aan
denken! Je moet het juist niet proeven. Het geheel van het voedsel moet
smaakvol zijn. Zout is daarbij een hulpmiddel. De kerk moet in onze
samenleving zijn als zout. Het moet helpen de mensengemeenschap
smaakvol te maken. Stel je voor dat onze wereld alleen maar naar kerk
zou smaken. Ook daar moet ik niet aan denken! Wie goed toeziet in de
wereld van vandaag zal zo zijn vragen hebben bij het zoutgehalte dat
Jezus bedoelt. Daarom zegt hij ook: “maar als zelfs zout
flauw wordt, waarmee moet je het dan kruiden? Op het land kan het niet
terecht en op de mestvaalt ook niet: ze gooien het weg!”. En
er is de laatste jaren wat weggegooid!
Welk land bedoelt Jezus eigenlijk als hij zegt dat het smakeloos
geworden zout niet op het land terecht kan? In veel Toraverhalen
verwijst het land (ha’arets) naar het volk van God. Het land
is de plek waar de vrienden en vriendinnen van God hun sporen trekken
over de aarde, waar hun voeten staan en gaan om in woord en daad de
blijde boodschap aan te kondigen en vorm te geven. Dat volk zijn wij.
Dat volk heeft zich gebonden aan de tien goede woorden, die de Levende
vanaf de Sinaï heeft doen klinken én aan de uitleg
daarvan in de boeken, verhalen en gezangen van de Schrift. Horen en
doen. Horen naar de Stem en de getuigenissen van de Schrift, en steeds
opnieuw het gehoorde dagelijks vorm geven binnen het reilen en zeilen
van onze wereld en je eigen mogelijkheden. Dat is onze roeping, maar
tegelijkertijd ons probleem.!
Goede dingen hóren is namelijk iets anders dan goede dingen
dóén! Uit de evangelies, die ons zijn
overgeleverd, mogen we afleiden, dat Jezus onderricht gaf op een
manier, die voor zeer veel mensen verstaanbaar en goed te volgen is.
Zij voelen zich aangesproken. Ze voelen zich opgenomen door woorden en
tekens in een wereld, die hun hoop geeft op betere tijden. Jezus sprak
hun taal. In het openingslied zongen we vanmorgen: “Hoort hoe
God met mensen omgaat”. Die ervaring moeten de scharen van
het evangelie hebben ondergaan.!
Maar woorden en tekens vragen om daden. Daarom zegt Jezus: wie naar mij
toekomt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers
en zusters, ja zelfs zijn eigen leven durven afwijzen; anders kan hij
geen leerling van mij zijn. Het is dus goed om naar Jezus te horen. Het
is nog beter om te doen zoals hij heeft gedaan.!
De taal, die hij gebruikt om dat doen te onderstrepen klinkt behoorlijk
hard. Wie een leerling van Jezus zijn wil moet kiezen. Dat wordt in
krasse beelden en in twee korte gelijkenissen nader toegelicht. Als
het je als leerling van Jezus zou overkomen - en daar zit je natuurlijk
niet op te wachten - dat je moet kiezen tussen de trouw aan Jezus aan
de ene kant én foute of slechte inzichten of daden van je
ouders, kinderen, broers en zussen aan de andere kant, dan moet je voor
Jezus durven kiezen.!
Als het er op aankomt moet je rekening houden met de
mogelijk¬heid, dat je een kruis te dragen krijgt. Zo'n kruis
bestaat
dikwijls hierin dat we afstand hebben te doen van dingen en rechten,
die ons toekomen, en niet van zaken en gedragingen,
die niet deugen.
Want in het laatste geval dien je er altijd afstand
|
van
te nemen. Wat niet deugt moet je
niet doen! Als we datgene, wat ons in normale
omstandigheden toekomt, prijsgeven of ons laten ontnemen
omwille van het koninkrijk van God, is dat te vergelijken met
het opnemen en dragen van een kruis. Heel wat vrienden en
vriendinnen van God hebben dat in hun leven voor de Heer ondervonden.
Opkomen voor het recht van de zwakken, je verweren tegen het bedriegen
en manipuleren van je medemens of jezelf zijn mooie woorden, maar aan
die woorden vorm en inhoud geven en ze óók nog
volbrengen eist veel inzet. Het kost ons energie en vraagt om
volharding. De last wordt dan als het dragen van een kruis.
Jezus vergelijkt het kiezen voor zijn weg met het bouwen van
een toren. Dat is een kwestie van goed rekenen en het aankopen van de
juiste materialen. Als je de kosten te laag hebt geraamd kun
je het bouwwerk niet voltooien. Zoals de mensen de slechte bouwheer
zullen nawijzen, zo zullen de mensen dat ook doen met de
slechte leerlingen van Jezus.
In een tweede gelijkenis wordt het kiezen voor Jezus vergeleken met een
koning, die een andere koning wil bestrijden. Is zijn leger wel sterk
genoeg? Kan hij de soldij blijven uitbetalen als hij zijn leger moet
uitbreiden? Zo niet, dan stuurt hij - als hij wijs en verstandig is -
het aan op onderhandelingen.
De beide vergelijkingen leren ons dat we goed moeten nadenken als we
Jezus willen volgen. De kern van dat nadenken vat hij in
één zin samen: ieder van jullie moet afstand doen
van alles wat hij bezit, anders kan hij geen leerling van mij
zijn. Beschouw alles wat je hebt en kunt nooit als je persoonlijk
bezit. Pas dan kun je delen met anderen en samen gelukkig worden. Voor
wie zijn weg wil gaan geldt dubbel en dwars het gezegde: bezin eer je
begint!
Maar dat is nog niet alles. Jezus volgen wil niet zeggen dat je dus
alleen goed moet doen en nooit mag falen. Dan kun je er beter niet aan
beginnen. Aan zo’n eis kan geen mens volledig beantwoorden.
Heel de heilige Schrift leert ons daarom dat met de keuze voor Jezus
ons een kostbaar geschenk wordt mee gegeven. Al vallen we nog zo vaak
en gaan we doorlopend onderuit, er is altijd een weg terug dank zij het
talent van de vergeving. Wie God aanroept om vergeving en zich verzoent
ontvangt de mogelijkheid van een nieuw begin. De voorwaarde om geheeld
te worden is wel, dat wij elkaar zullen vergeven zoals de Eeuwige doet
aan ons. De weg van Jezus gaan kun je niet alleen, al heb je een eigen
verantwoordelijkheid. Daarom hebben wij elkaar nodig. We zijn elkanders
hoeder. Mensen, die samen door het leven willen gaan weten daar alles
van, of zij nu in een leefgemeenschap of met zijn tweeën zijn.
Misschien zijn we juist daarom het huwelijk geleidelijk aan als een
sacrament gaan beschouwen. Een heilig teken van verbondenheid, niet
alleen tussen God en zijn volk maar ook tussen man en vrouw. We hebben
daarbij de Heilige Schrift aan onze zijde. Veel verhalen vertellen ons
hoe mensen hebben geworsteld met hun trouw aan het verbond, over vallen
en weer opstaan, over verwijdering en verzoening. Zo is het ook gesteld
met hen, die de weg van Jezus proberen te volgen. We kunnen verdwalen
of zelfs geheel van de weg afwijken, maar terugkeer blijft altijd
mogelijk daar waar mensen elkaar van harte kunnen vergeven. Die
terugweg kan worden ervaren als het dragen van een kruis. Van Jezus
leren we dat juist die last ons bevrijdt.
|
24e
zondag door het jaar: Exodus 32,7-14; Lucas 15,1-32
|
12
september 2010, Paul Minke OP |
|
Een
wonderlijk verhaal, de eerste lezing, waarin van God
gezegd wordt, dat Hij verteerd wordt door een brandende toorn en Hij
het volk met onheil dreigt maar dan zich laat ver-bidden door Mozes en
toen afzag van het dreigende onheil. Maar we hebben het hier dan ook
over de God van het Verbond, over wie wij niet anders dan heel
menselijk kunnen en mogen spreken en hebben we het niet over de god van
de filosofen, die over God zeggen, dat Hij almachtig is, alwetend,
alomtegenwoordig, onbewogen Albeweger, enz., woorden, begrippen, waar
je noch koud noch warm van wordt. Van de God van het Verbond zeggen de
Schriften op vele plaatsen, o.a. tot Mozes, dat Hij een barmhartige en
medelijdende God is, lankmoedig, groot in liefde en trouw, die goedheid
bewijst tot in het duizendste geslacht. uitspraken die hoop geven,
woorden waar je wel koud en warm van wordt. Zo bewees God zijn genade
en barmhartigheid aan zijn volk in de woestijn, een ervaring, die het
mogelijk maakte staande te blijven bij alle tegenslag. God laat zich
verbidden. Onze ontrouw is, God zij dank, niet rampzalig.
Een ervaring, die Jezus zo
diep in het hart
besloten
lag, dat hij in een paar prachtige gelijkenissen de farizeeën
en schriftgeleerden mild en barmhartig terecht wees. Zij hadden nl.
gemord, dat Jezus tollenaars en zondaars van allerlei slag ontving.
Jezus begint: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft
en er één verliest.” Deze aanhef was al
voldoende om de herinnering op te roepen aan Ezechiël, tot wie
aldus het woord van de Heer gericht was: “Mensenkind,
profeteer tegen de herders van Israel, profeteer en zeg hen:
“Zo spreekt de Heer God, Wee de herders van Israel die
zichzelf weiden. Moeten de herders van Israel niet hun schapen weiden?
Het zwakke dier geeft u niets om aan te sterken. het gewonde dier
verbindt u niet, het verdwaalde dier brengt u niet terug en het
verloren dier zoekt u niet.” Jezus vervolgt: “Wie
laat niet de negenennegentig achter”,. Ja, wie niet? Of: Wie
wel? Jullie soms? Morrende farizeeën en schriftgeleerden? Een
gewetensvraag voor wie echt horen wil. Toen en nu. Zij, die geroepen
zijn om leiding te geven aan wie in het Verbond van God staan, zij
dienen allereerst herders te zijn, mild en barmhartig als de hemelse
Vader, ja zelf het hart van de Vader te hebben, die van al zijn
kinderen houdt en oog hebben voor de zondaars en hen niet afschrijven
voor het Koninkrijk van God.
Hoor opnieuw, gaat Jezus
verder: Iemand had twee
zonen.
De jongste zei tegen zijn vader: “Vader geef mij mijn deel
van de erfenis.” De vader doet wat zijn zoon vraagt. Hij
geeft hem zijn deel. Onvoorstelbaar dat de vader zijn vaderlijk gezag
niet liet spreken. Maar nee, hij zwijgt, tracht hem niet vast te
houden, hij laat hem gaan met zijn deel. De parabel laat in de vader
zien hoe God met mensen omgaat, met u en mij. Hij laat ons volledig
vrij, heeft respect voor onze eigen eigenheid en vrijheid. Het is de
uiterste consequentie van een onvoorwaardelijke
|
liefde
voor de ander.
Liefde dwingt niet, legt niet de eigen wil op aan
de ander. Liefde eist niets, maar schept ruimte voor de ander om te
zijn die hij wil zijn, in alle vrijheid, zelfs als hij mogelijkerwijs
een weg gaat, die hem niet gelukkig zal maken.
Zo vergaat het ook zijn jongste zoon, die, dronken van zijn gekregen
vrijheid, zijn erfdeel verkwistte en hij tenslotte met lege handen kwam
te staan, berooid, hongerig, in den vreemde aan wie zelfs varkensvoer
ontzegd werd. Kun je nog dieper vallen? Kan je leven nog uitzichtlozer
zijn, hopelozer?
Wat hem nog rest is de herinnering aan zijn Vader, aan het leven met
hem. Maar kun je wel hem onder ogen komen, gezondigd als je hebt tegen
hem? Mag je er wel op rekenen, dat hij je vergeeft en in genade
aanneemt? Hij herinnert zich zijn liefde, die groter is dan het leed de
Vader aangedaan.
Hij keert terug naar zijn Vader. Hij zal zeggen: “Vader, ik
heb gezondigd. Ik ben niet waard uw zoon te heten. Behandel mij als uw
knecht.” Maar zover kwam het niet. Op het zien van zijn zoon
in de verte werd de Vader ontroerd, snelde naar hem toe, viel hem om de
hals en kuste hem. En hij zei: “Viert feest, want mijn zoon
hier was dood en is weer levend geworden.” Gods
barmhartigheid kent geen grenzen. Zijn liefde is onvoorwaardelijk. Zijn
liefde gaat ook uit naar tollenaars en zondaars, de slechteriken.
De oudste zoon dacht er anders over. Hij voelt zich miskend,
teruggezet, hij, die zijn vader trouw heeft gediend, dat nu vergeten
lijkt. Hij doet niet mee. De oudste mist jegens zijn broer de
barmhartigheid die de vader eigen is. In een poging om hem te verzoenen
met zijn broer roept hij uit: “Jongen, jij bent altijd bij
mij en alles wat ik heb is van jou. Maar bedenk: Je broer was dood en
weer levend geworden, verloren en teruggevonden.”
Jezus sprak de parabel tot de Farizeeën, die de wet strikt
naleven en er schande van spraken dat Jezus omging met tollenaars en
zondaars. De betekenis kon hen moeilijk ontgaan. De parabel is geen
veroordeling, maar een milde aansporing anders aan te kijken tegen
zovele mensen, die niet aangepast zijn, vertwijfeld zijn, gefaald
hebben, zonder zelfrespect, die menen God-Vader niet meer onder ogen te
kunnen komen. Een aansporing, die niet beperkt mag blijven tot de
Farizeeën alleen; die zo fundamenteel is, dat zij alle tijden
en geslachten aangaat, Ons aangaat, die wellicht ook van tijd tot tijd
niet kunnen nalaten te oordelen. Temeer, ook dat moeten we bedenken,
als we heel eerlijk zijn tegenover onszelf dat wij ook meer dan eens de
streken hebben van de jongste zoon, d.w.z. onze vrijheid misbruiken,
ons uitleven op een niet goed te praten manier. Wij zijn allen kinderen
van een Vader, die onmetelijk barmhartig is. Allen zijn wij van tijd
tot tijd op zijn barmhartigheid aangewezen en op de barmhartigheid van
elkaar. De enige weg, die tot verzoening leidt en vrede stichten kan
tussen mensen onderling en volkeren, elkaars buren, tussen kerken diep
verdeeld, tussen partijen die het niet eens zijn. Weest barmhartig
zoals uw Vader barmhartig is, voor u, voor mij. Amen.
|
25e
zondag door het jaar: Amos 8,4-7; Lucas 16,1-13
|
19
september 2010, Henk Jongerius OP |
|
Wie
zou denken dat er de Bijbel vooral vrome en mooie
verhalen vertelt die ver afstaan van onze concrete werkelijkheid, wordt
vandaag op andere gedachten gebracht. In de Bijbel gaat het vanaf de
eerste tot aan de laatste regel over het leven van de mens op aarde en
al wat er gezegd, geprofeteerd of verkondigd wordt, wil een
richtingwijzer zijn voor wie luistert hoe waarachtig en gelukkig
menselijk leven hier mogelijk is! Het gaat over ons en dat wordt dat
wel heel duidelijk als wij de profeet Amos beluisteren. Hij was maar
een gewone boer uit Tekoa die naar de tempel in Jeruzalem ging om zijn
toehoorders wakker te schudden en hen de les te lezen hebben.
Dat liegt er niet om: hij houdt zijn toehoorders
een
spiegel voor als hij hen wijst op hun corrupte gedrag. Zij zijn uit op
het maken van winst over de rug van arme en gewone mensen, verkleinen
de maat en verhogen de prijs, of nog erger zij kopen de kleine man voor
geld en de arme voor een paar schoenen. Deze manier van doen betekent
de ondergang van de wereld. Daarom zegt hij dat de zon verdwijnt op
klaarlichte dag en het leven op aarde onmogelijk wordt voor mensen.
Daar waar wij geen recht meer doen aan elkaar en elkaar niet meer recht
in de ogen zien, is het einde van de wereld nabij! De aarde is immers
bedoeld om een goede woonplaats voor mensen te zijn en waar aan die
bedoeling afbreuk wordt gedaan, is er geen perspectief meer voor ons.
Het is niet moeilijk om de wereld van Amos te
vergelijken met die waarin wij leven: is het hier zo anders gesteld met
de verhouding tussen welgestelden en mensen die van een minimum moeten
rondkomen? Worden onder ons de rijken niet steeds rijker en de kleinen
alsmaar armer? Hoe is het politieke klimaat in onze dagen? Wij zitten
in een cirkelbeweging waar wij niet meer uit komen, een geweld-spiraal
die ook onze wereld in haar greep heeft.
|
De
rentmeester uit het evangelie is er een schoolvoorbeeld van: hij
verrijkt zich aan de mensen waarover hij is aangesteld totdat hij zelf
in hun positie terecht komt. En dan doet hij iets uitzonderlijks
waarvoor hij door Jezus als voorbeeld wordt gesteld. Hij vermindert hun
schuld en doorbreekt daarmee de spiraal. Dat hij het doet om zijn eigen
positie te redden, kan wellicht een verkeerd motief lijken maar vast
staat dat zij er zodoende allemaal beter van worden.
Hoe kunnen wij in onze dagen die cirkel van geweld en onder-drukking
doorbreken? Door onszelf in de positie te verplaatsen van een ander,
door hen recht in de ogen te zien. Dan wordt het oorspronkelijke
perspectief van mensen op aarde hersteld en kan zij weer gaan
beantwoorden aan haar bedoeling! Wat een wijze leermeester is Jezus
eigenlijk, want hij laat ons zien dat er een weg is uit de draaikolk
waarin wij gevangen lijken. Pas als wij durven kijken vanuit de ogen en
de situatie van anderen mensen zullen wij een nieuwe weg kunnen vinden
en bouwen aan een rechtvaardige samenleving. De boerenwijsheid van Amos
zou ons jaloers moeten maken! Wanneer wij dezelfde moed opbrengen als
hij en de slimheid van die rentmeester tot de onze maken, zal er weer
licht gaan schijnen voor mensen. Het is het vriendelijk licht van God
die zijn zon laat opgaan over goeden en kwaden en ons tijd van leven
geeft. Wie durft te leven in dat licht zal de vreugde van leven smaken
en dankbaar zijn voor elke dag die ons geschonken wordt. De wijsheid
van de Meester uit Nazareth moge daartoe ons richtsnoer zijn: hij maakt
ons vrije mensen! Dat ik deze wijze Leermeester 50 jaar als dominicaan
temidden van mijn broeders heb mogen volgen en verkondigen, stemt mij
tot diepe vreugde: Gode zij dank!
|
26
zondag door het jaar: Amos, 6,1-7; Lucas 16,19-31
|
26
september 2010, Antoon Boks OP |
|
Ik
durf niet te garanderen, dat de vragen die in u
opkwamen bij het horen van de parabel beantwoord worden. Er zijn vele
details waarover we ons vragen kunnen stellen. Bij voorbeeld: Waar kwam
die rijkdom vandaan? Was het een erfenis? Had hij er hard voor gewerkt?
Had hij verstandig geïnvesteerd?
De parabel zegt over die rijke niet meer dan "Jij hebt het je hele
leven goed gehad". Sommige mensen schijnen te denken dat rijkdom een
zegen van God is. Zijn arme mensen dan niet gezegend? De parabel zegt
ook niet dat de rijke man slecht was; dat hij zijn personeel slecht
betaalde waardoor hij rijk geworden was. Wat had hij gedaan om te
rechtvaardigen dat hij pijn moest lijden? Misschien was het wel, dat
hij niets deed voor die arme man aan zijn poort. Hoeveel keer ging hij
langs die man en de honden en zag ze niet zitten? De rijke man deed
niets verkeerds, tenminste dat staat niet in het verhaal. Hij sloeg
alleen maar geen acht op de man die op zijn stoep zat en dat zorgde er
misschien voor dat hij aan de andere kant van die diepe kloof in het
volgende leven belandde.
Om eerlijk te zijn hebben we misschien nog een paar vragen over die
andere man: Hoe werd Lazarus zo arm? Was hij te lui om iets te
ondernemen? Behoorde hij vanaf zijn geboorte bij die 95% die
verschrikkelijk arm was in de tijd van Jezus? Was hij blind geboren of
op een andere manier gehandicapt? Had hij psychische problemen of zoals
ze dat toen noemden was hij "bezeten" en in de steek gelaten door allen
die hem kenden?
Het verhaal vertelt niet dat hij een heel goed mens was die zijn plaats
naast Abraham had verdiend. Jezus sprak niet over de deugden van
Lazarus. Eens als pastoor kreeg ik geld om te geven aan armen die het
volgens de gevers nodig hebben. Maar wie kan onderscheid maken tussen
arme mensen die deze hulp verdienen of niet. Denken we nog eens terug
aan Mgr. Muskens over dat brood dat je mocht stelen, als je echt honger
had?
Er wordt niet gezegd dat Lazarus goed, arm en edel was. Lazarus is
gewoon of liever ongewoon een arme man bij de poort waar iedereen langs
liep zonder hem te zien – een van die onzichtbare armen. Hij
was onzichtbaar voor die rijke man, die zoveel andere en belangrijkere
dingen aan zijn hoofd had. Lazarus was als een stuk behang voor die
rijke man. Misschien zien we ook geen armen, of vinden we ze gewoon.
Het verhaal gaat verder en vertelt wel over hun volgend leven. Er is
heel wat veranderd: zelfs grote veranderingen. Lazarus zit nu "in de
schoot van Abraham." Voor een Jood kon je het niet beter hebben en de
rijke werd gekweld door helse pijn. Maar iets is niet veranderd voor de
rijke, zelfs nu vraagt hij dat een ander iets voor hem gaat doen.
"Vader Abraham, heb medelijden met me. Stuur Lazarus om de top van zijn
vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd hevig
in dit vuur." Hij is nog steeds die rijke man die zelfs nu Lazarus niet
direct aanspreekt. Er is nog iemand niet veranderd: God is dezelfde
gebleven.
|
Naast
al die parabels
van Jezus over vrouwen die deeg kneden; boeren die zaaien;
landeigenaars die mensen huren voor de oogst, is dit de enige parabel,
waar iemand een naam heeft. -- Dat is in onze wereld wel anders; we
kennen de namen van de rijke en belangrijke mensen terwijl de armen
onzichtbaar zijn en geen naam hebben--. In dit verhaal van Jezus heeft
de rijke man geen naam en de arme wel. Zijn naam is Lazarus, wat
betekent "de ene God helpt." Jezus herinnert ons er aan dat God niet
veranderd is. God ziet de mensen die niet gezien worden. God vindt de
onbelangrijke mensen belangrijk. God wil mensen helpen die door de
wereld achtergelaten worden. God kent de namen van de armen en houdt
van hen. De dood van die twee mannen wordt ook op een andere manier
verteld. Engelen dragen Lazarus naar de schoot van Abraham; terwijl van
de rijke niets anders gezegd wordt dan dat hij stierf en begraven werd.
Dat was zijn einde.
Parabels kunnen schokkend zijn, als een wekker die afloopt. Die van
vandaag wil ons wakker maken en vertelt ons waar het hart van God is.
Het zegt dat armoede en rijkdom geen bewijs zijn dat God zijn
goedkeuring al dan niet aan ons leven heeft gegeven.
Jezus zegt: Wordt wakker! Er is nog tijd. Kijk om je heen en doe wat je
moet doen. De armen zitten op onze stoep en wij moeten kijken en
reageren op alle mensen die onze tijd en aandacht nodig hebben. Dat kan
iedereen zijn: onze echtgenoot, een zieke ouder, een buurvrouw waarvan
de moeder Alzheimer of kanker heeft en ga zo maar verder.
We bidden in de Eucharistie dat Jezus ons weer zijn Geest geeft. We
bidden dat wij zullen zien wie onze hulp nodig heeft en misschien zijn
dat wel de mensen die we iedere dag tegen komen.
Moderne vormen van communicatie, televisie, kranten, het Internet, enz.
laten ons verder kijken dan onze neus lang is. Wij zien de armen van de
wereld op onze deurmat. Daarom geven we aan giro 555 of we steken
misschien onze handen uit de mouwen. We zien beelden van Lazarus
dichtbij tot in onze huiskamer. Daarom is ook voor ons de vraag: zien
we ze? Als we ze zien, hoe reageren we dan?
Hoe behandelen we allochtonen? Wie spreekt er over de rechten van in en
buiten Nederland geboren vreemdelingen? Natuurlijk is het goed om te
spreken over menselijke waardigheid en zorg voor onze familie, maar
iedereen is belangrijk. We kennen hun namen niet, maar de Bijbel zegt
dat God al hun namen kent en dat hij naast de getroffenen staat en dat
Hij verwacht dat wij hetzelfde doen. De parabel nodigt ons uit om de
mensen op de drempel van onze deur te zien.
Kunnen we vandaag bidden: "Heer, open onze handen en ogen om de mensen
te zien die onze hulp nodig hebben." Dan kijken we naar mensen als
Lazarus. Andere plaatsen in de heilige Schrift herinneren ons aan de
hongerige, de naakten, de zieken en die mensen in de gevangenis; wij
zullen geoordeeld worden door de Mensenzoon voor onze daden tegenover
al die mensen.
|
27e
zondag door het jaar: Habakuk 1,2-3+2,2-4; Lucas 17,5-10
|
3
oktober 2010, André Lascaris OP |
|
Begin
deze week konden we horen en lezen dat er veel
klachten zijn over de bureaucratie in ons land. Een onderwijzeres
vertelde me iemand hetzelfde. Want behalve ouderavonden, collegiale
besprekingen en de voorbereiding van het onderwijs, moeten er vaak
dagelijks rapporten gemaakt worden over de kinderen. De school wil
graag op de hoogte blijven wat elke klas betreft, de gemeente wil weten
wat de school doet, de provincie wil dat ook weten, maar heeft
natuurlijk haar eigen vragen, en op een ander tijdstuip komt het
ministerie langs en wil een rapport dat waarschijnlijk in een la
verdwijnt.
Die bureaucratie geldt niet alleen het onderwijs, ook de verpleging, de
thuiszorg, de politie, het jeugdwerk, de psychische hulpverlening,
allerlei stichtingen. Veel van die rapporten gaan over geld en hoe het
besteed wordt.
Iedereen zal het er mee eens zijn dat enige controle nodig is. Mensen
moeten aan elkaar verantwoording afleggen. Maar ik heb de indruk dat er
teveel controle is. Aan de wortel van onze bureaucratie ligt het gebrek
aan vertrouwen, het gebrek aan geloof dat mensen doen wat zij moeten
doen. Er zijn mensen die zich willen indekken en met wantrouwen kijken
naar hen die bij hun in dienst zijn. Ieder die zo’n rapport
maakt, dekt zich in, stelt zichzelf veilig, kan beweren dat hij of zij
gedaan heeft wat hij/zij moest doen. Dat geldt ook van zo’n
regeringsovereenkomst; weken is er gepraat, omdat uiteindelijk er
weinig vertrouwen is en dus alles op papier gezet moet worden.
De vreemde parabel die Lucas ons voorzet, heeft daarmee te maken. Die
slaaf is maar eens doodgewone slaaf. Hij/zij kan nergens aanspraak op
maken. Al doet die een beroep doen op wat hij gedaan heeft op de dag,
hij heeft nergens recht op. Hij kan een hele boekhouding erbij halen om
te laten zien hoe goed en zorgvuldig hij gehandeld heeft, het helpt hem
niet vooruit. Hij heeft gewoon gedaan waartoe hij verplicht was. Lucas
wil niet suggereren dat mensen slechts slaven van God zijn. In een
hierop gelijkende parabel zegt hij dat de meester van de slaven, zelf
hen gaat bedienen wanneer hij laat terugkomt ene hen wakende vindt.
(12, 35-40)
Hij wil duidelijk maken dat je wat God betreft geen boekhouding en geen
bureaucratie nodig hebt. Je kunt je niet op iets beroepen bij God. Je
kunt niet eisen dat God dit of dat zal doen omdat jij veertig dagen
gevast hebt, of vandaag
|
zo
aardig bent geweest of zoveel gestort hebt
op een of ander noodfonds. Wanneer je probeert een goed en
verantwoordelijk mens te zijn, dan doe je precies
waartoe je geroepen
bent, namelijk beeld te zijn van God en zijn liefde te
vertegenwoordigen op aarde. Tegenover God kun je geen eisen of
voorwaarden stellen; als jij, God, dit doet, dan doe ik dat. Of: als ik
dit doe, dan heb ik er recht op dat God dat doet. Want God is degene
die alles wat je bent aan je gegeven heeft. Je waarde en betekenis dank
je aan God. God kun je geen eisen stellen. Dat betekent niet dat God
willekeurig handelt,: laat ik nu hem of haar het leven zuur maken of
juist plezierig maken. God is liefde en wil onze dienaar, vriend,
helper zijn, zoals andere parables aangeven.
Een boekhouding bij God indienen, rapporten maken over je leven, een
religieuze bureaucratie opzetten, ter wille van God is onzinnig. Dat
niet doen is bevrijdend. Heel die last van jezelf voortdurend
controleren valt weg, en hopelijk heb je ook minder behoefte anderen te
controleren. Bij God een boekhouding bij houden is een gebrek aam
vertrouwen.
Versterk ons vertrouwen, vragen de leerlingen van Jezus. Vertrouwen dat
er een God is die een God van liefde is. Vertrouwen dat het goede het
zal winnen van het kwade, vertrouwen dat ieder mens, ieder kind, iedere
bejaarde recht gedaan zal worden. Vertrouwen dat er van je gehouden
wordt.
Dat vertrouwen is niet gemakkelijk. De profeet Habakuk die misschien
leefde rond 600 v. Chr. ziet veel onrecht om zich heen. Er is lijden.
Er zijn conflicten. En dat alles duurt maar voort. Maar hij draagt dat
visioen bij zich van een God die de wereld rechtvaardig maakt. De
rechtvaardige mens, de gelovige mens houdt het vol dankzij zijn
vertrouwen.
Blijf vertrouwen, begin met vertrouwen. Tegenover God en daarom ook
tegenover mensen met wie we dagelijks optrekken en met mensen verder
weg. We zullen soms of zelfs vaak teleurgesteld worden en bedrogen.
Maar ik denk dat dit beter is dan voortdurend rond te lopen met
wantrouwen, en tot in het kleinste toe te eisen dat er gecontroleerd
wordt, dat er gerapporteerd wordt. Rapporten schrijven kan je een goed
gevoel geven: zo van ‘ik vervul mijn plichten’ en
‘ik blijf van de straat’, ‘ik ben
rechtvaardig’. Maar je vergeet te leven. Je raakt verslaafd
aan de drukkende last van het plichtsgevoel.
|
28e zondag door het jaar: 2 Koningen
5,14-17; Lucas 17,11-19
|
10
oktober 2010, Theo koster OP |
|
Geld
en macht openen vele deuren die anders gesloten
blijven. Ieder mens heeft zijn prijs; alle kennis en kundigheid is te
verkrijgen, als je de weg maar weet en het geld hebt.
De Syriër Naäman leed aan een ernstige huidziekte die
niet te genezen was. Van een van zijn slaven, een meisje uit
Israël, had hij gehoord, dat daar een profeet woonde die hem
zou kunnen helpen. Naäman had invloed; via zijn contacten kwam
hij bij Elisa. Die deed niet wat hij verwacht had: voor hem gaan staan,
de naam van zijn God aanroepen, over de zieke huid strijken en de
ziekte wegnemen. Nee, Elisa ontving hem zelfs niet in zijn huis, liet
hem via een boodschapper weten dat hij zich zevenmaal moest wassen in
de Jordaan. Woedend is Naäman dat hij zo wordt afgescheept.
Als hij op aandringen van zijn dienaren dan toch naar de Jordaan gaat
wordt hij genezen. Hij gaat terug naar Elisa om hem de kostbaarheden te
schenken die hij had meegenomen. Elisa weigert; hij doet dit
persoonlijk, in zijn huis, en hij blijft weigeren ook als
Naäman aandringt.
Het is een kostbaar en vermakelijk verhaal. Het vertelt, wat we
allemaal ten diepste wel weten: wat werkelijk van belang is voor
mensen, geluk, liefde, gezondheid, kun je niet kopen; in onze diepste
kern zijn we kwetsbaar. Dit wil ik niet weten, en daarom ben ik zo
gehecht aan geld en macht. Dit mogen we niet vergeten; daarom is dit
verhaal opgetekend en horen we het vandaag.
“Zowaar de Heer die ik dien leeft, ik neem niets van u
aan”, horen we Elisa zeggen. Degene die waakt over ons geluk
en ons leven is niet te koop. De God van Israël is een god van
alle mensen, niet speciaal voor de rijken, hoor ik. De God van
Israël is een god voor alle mensen, niet enkel voor de Joden,
hoor ik. De God van Israël staat open voor vreemdelingen, voor
hen die niet bij Israël horen.
De God in wie Elisa gelooft en die hij dient hoef je en kun je niet
naar je hand zetten. Elisa voert niet de rituelen uit die
Naäman verwacht. Rituelen zijn belangrijk; zij helpen ons in
onze omgang met elkaar, in onze omgang met God. Het ritueel dat Elisa
Naäman aanreikt maakt Naäman kwetsbaar; hij moet zich
bloot geven, al zijn macht en invloed afleggen, en zo zichtbaar maken,
dat hij een kind is, geen god, een schepsel naar wie wordt omgezien.
Het ritueel dat Elisa Naäman aanreikt houdt Elisa zelf
kwetsbaar; het voorkomt dat hij een god wordt, dat de God van
Israël van hem afhankelijk is.
De soevereiniteit van God wordt in dit verhaal benadrukt, en de
soevereiniteit van de mens. Onze soevereiniteit, onze diepste
schoonheid, schuilt in onze kwetsbaarheid, en zoals ik al zei: dat
willen we niet weten. Ons kwetsbaar zijn …. dat mogen we
niet vergeten, en daarom lezen we hier elke zondag deze verhalen.
Ook het evangelie gaat over ons kwetsbaar zijn. Tien melaatsen gaan
Jezus tegemoet. Zij blijven op grote afstand van hem, zoals was
voorgeschreven,
|
maar
overbruggen de
afstand door Jezus om ontferming te
vragen. Op deze wijze maken zij duidelijk dat ze in hem geloven. Ook
Jezus houdt zich aan de regels, raakt hen niet aan zoals hij elders
doet, en geeft hen opdracht zich aan de priesters te laten zien.
Melaatsheid was een dusdanig ernstige ziekte, dat bij een eventuele
genezing de priester dit moest vaststellen. Onderweg genezen zij.
Slechts een van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was. Als
terloops wordt opgemerkt dat hij een Samaritaan was, in de ogen van de
doorsnee Jood een bastaard die niet bij hen hoorde, een vreemdeling.
Deze Samaritaan gedraagt zich als een soevereine mens; hij brengt God
eer. Vervolgens werpt hij zich vol dankbaarheid voor Jezus’
voeten. Deze Samaritaan erkent op deze wijze Gods nabij en werkzaam
zijn in Jezus. Jezus zegt hem op te staan en: uw geloof, dat wil zeggen
uw vertrouwen heeft u gered. In zijn vertrouwen is elke mens kwetsbaar;
daarom sprak ik van soeverein gedrag.
Dit verhaal laat zien hoezeer het ons mensen, mensen die zich gelovigen
noemen, moeite kost om werkelijk in God te geloven, op God te
vertrouwen. Helder is dat de negen die niet terugkomen geen
vreemdelingen zijn, dus gelovige Joden. Vinden zij het zo
vanzelfsprekend wat zij ervaren, dat er geen dankjewel af kan? Maar zo
vanzelfsprekend is het toch niet dat mensen van zo’n
vreselijke ziekte genezen? Talloos zijn de mensen die gebukt gaan onder
ziektes, ongeluk, lijden, mensen die God uit de hemel bidden, met
vragen bestormen, maar geen god die reageert, laat staan ingrijpt.
Waar zijn dan de negen anderen? De god die ik straks soeverein noemde
hangt niet af van zijn prestaties. Zijn soevereiniteit is juist dat hij
zichzelf niet bewijst, noch zichzelf opdringt. Wil dit zeggen dat God
er niet toe doet? Ja en nee. Zoals je geluk, liefde, gezondheid niet
kunt verkrijgen door macht en geld, ook al is het geloof hierin uiterst
hardnekkig, zo kun je geluk, liefde, gezondheid ook niet verkrijgen
door God. Het geloven in zo’n god is een hardnekkig
misverstand, dat oprecht vertrouwen ondermijnt en welhaast onmogelijk
maakt.
De God die in Jezus’ woorden en daden opgloeit is een God,
die totaal afhankelijk is van oprecht vertrouwen. Het verbaast me dan
ook absoluut niet, dat zowel in het eerste als in het tweede verhaal
een vreemdeling oog heeft of krijgt voor het eigene van God.
Vreemdelingen zitten immers niet gevangen in gewoontes, zijn niet blind
geworden door het oude en vertrouwde. Waar mensen kwetsbaar zijn, zich
laten kennen zonder zich hiervoor te schamen, waar ‘ik red
mezelf wel’ geen optie is, omdat dit niet kan of ik dit niet
wil, ontstaat ruimte voor de soevereine God.
God is dichterbij dan je denkt. Stop dus met alleen maar te denken en
open je helemaal.
|
29e
zondag door het jaar: Exodus 17,1-13; Lucas 18,1-8
|
17
oktober 2010, Mies Singendonk OP |
|
Slaapt
God?
De onrechtvaardige rechter uit de gelijkenis van Jezus houdt zich
slapend. Zalige onwetendheid, daar verlangt hij naar. Daarom komt hij
niet naar buiten en houdt hij de deur dicht voor de berooide weduwe.
Maar het lukt hem niet zich doof te blijven houden want die weduwe komt
steeds misbaar maken. De rechter heeft alles te verliezen, zijn aanzien
en dat van zijn familie. De weduwe heeft niets te verliezen en
schreeuwt moord en brand, krabt en bonkt op de deur van zijn huis. Zit
daar in zak en as en jammert.
Dit lijkt nergens op. En al helemaal niet op psalm 121 waarin bezongen
wordt hoe de Schepper van hemel en aarde onophoudelijk waakt. En je
bewaarder is, je volgt als je eigen schaduw. Nee, voor die weduwe moet
het wel lijken of God zelf slaapt
Toch spoort Jezus ons aan vertrouwen te hebben en nooit op te houden
met bidden.
En in psalm 121 komt het woord bewaren, waken wel zes keer voor. De
Schepper van hemel en aarde slaapt of sluimert niet maar bewaart jou,
en jou en jou. Het evangelie houdt ons voor dat biddend leven het
antwoord is op het waken van de Schepper. Als wij denken dat God
slaapt, dan slapen wij zelf. Wij zelf moeten wakker worden en bidden.
Maar waarom moet een mens eigenlijk bidden? Waarom bidt Mozes? En
waarom Jezus? Jezus en Mozes worden ons als toonbeeld van van
kwetsbaarheid ten voorbeeld gesteld.
Als het volk Israel aangevallen wordt, gaat Mozes de berg op, en bidt
hij. Hij neetm Chur en Aaron mee als helpers. En dan Jezus, in de hof
van olijven, daar had hij toch een wonder kunnen doen om aan het kwaad
te ontkomen? Maar nee, hij onthult zijn kwetsbaarheid en bidt.
Gedurende de nacht, de tijd waarin de mens zich het meest kwetsbaar
voelt, bidt hij. Ook hij heeft zijn kameraden meegenomen. Omdat het ze
niet lukt om wakker te blijven, dringt Jezus er op aan dat zij wakker
blijven en waken, en hem vergezellen in het gebed.
Schrijnend, deze kwetsbaarheid. Catharina van Siena, de Dominicaanse
kerklerares uit de 14e eeuw, legt ons daar iets over uit. Wij zijn niet
almachtig maar kwetsbaar. Dat is, zegt zij, omdat het Gods wil is, dat
wij elkaar nodig hebben en gemeenschap worden, het samen doen.
Bidden, dat doe je samen, ookal weet je van te voren niet wat dat
bidden uithaalt. Misschien wel niets. Waarom zou je er dan aan
beginnen. Maar ondanks dat doen Chur, Aaron en Mozes het samen. Ze zijn
bij hem en ondersteunen zijn opgeheven armen. Het is geen magisch
ritueel maar het gebaar van een biddende gemeenschap.
|
En
Jezus spoort ons aan
om juist dat te doen, een biddende gemeenschap te zijn en daarin te
volharden, elkaar trouw te zijn en te blijven bidden. Met de gelijkenis
van de onrechtvaardige rechter leert Jezus ons nóg iets: hij
leert ons dat de Ene God zich niet doof houdt.
God luistert naar ons
gevloek, naar de menselijke schreeuw, de menselijke onmacht en de
menselijke smeekbede. De Ene troont op onze lofzangen én
leent het oor aan alles wat in ons woelt. Luistert naar ons gevecht met
het kwaad.
Jezus leert ons dat God niet op een dag zegt: ik heb het zo
langzamerhand wel gezien met jou, schepsel. Nee, hij bindt ons op het
hart dat ieder oprecht gebed aankomt. Ieder gestamel, iedere woordeloze
smeking wordt aanvaard.
De woorden van Jezus leren ons ook dat
luisteren en bidden bij elkaar horen. Zelfs die onrechtvaardige rechter
luistert. Om van het misbaar van die vrouw verlost te worden, is hij
haar ter wille geweest. Uiteindelijk heeft hij geluisterd. Zoals het is
in de gelijkenis, en bij Mozes, zo is het ook bij ons, gewone mensen.
En zo kan het gebeuren dat wíj zomaar een mens tegenkomen
die écht naar ons luistert. Die zonder eigenbelang iets van
ons te voorschijn luistert. En het met eerbied aanvaardt en bewaart.
Wij zijn elkaar tot zegen als we onze pas vertragen om met aandacht te
luisteren. Dan zijn we aanwezig ín de wereld én
aanwezig voor God. Dan luisteren we mee met God.
Als je je pas vertraagt en luistert naar een ander mens, dan luister je
naar Gods roep. Dan zeg je: Heer, hier ben ik.
Natuurlijk is dat niet
alles, we moeten ook nog gewoon werken. Er zijn mensen die gewoon met
hun poten in de modder staan, iedere dag. Moeten we niet net als Jozua
als krijger in het veld staan en daar de confrontatie met de horden van
Amalek, met het kwaad in de wereld aangaan? Ja, maar dat doe je ook als
je, temidden van onrecht, naast een ander gaat zitten, en hoort wat er
voor hem of haar op het spel staat. En als je dat doet, verwijl je bij
een mens en bij God.
Als wij gaan zitten, ons oor lenen en niet
weglopen voor de vernederden en de naamlozen en de onzichtbaren, dan
kan het zomaar gebeuren dat de de vernederde wordt opgeheven, de
naamloze een naam krijgt en de vergeten mens een gezicht krijgt. Als
zelfs de onrechtvaardige rechter luistert, en als wij werkelijk
luisteren, dan heeft het kwaad uiteindelijk niet het laatste woord, dan
zijn wij met God wakker. Dan is daar Gods koninkrijk.
|
30e zondag door het jaar: Sirach
35,1-18; Lucas 18,9-14
|
24
oktober 2010, Ernst Marijnissen OP |
|
De
korte en krachtige gelijkenis van de
Farizeeër en de tollenaar snijdt diep in het vlees. We worden
geconfronteerd met de vraag: wat is nu eigenlijk oprechte
godsdienstigheid? Om het anders te zeggen: wat is het enig aanvaardbare
uitgangspunt voor de godsdienstige mens?
Het begin van de gelijkenis
helpt ons op weg. De farizeeër, de vrome mens, kent zijn
zaakjes. Hij weet hoe je God behoort aan te spreken, welke regels er
onthouden moeten worden om God tevreden te stellen. Hij erkent
leergezag en leerstellige uitspraken, kortom: hij weet zich
gerechtvaardigd. De tollenaar verschilt hemelsbreed van deze vorm van
godsdienstigheid. De tollenaar klopt zich op de borst en zegt: God, kom
mij te hulp, ik ben een zondig mens.
De eerste mens vertelt God hoe alles in elkaar steekt en hoe hij daar
correct mee omgaat. De tweede mens roept enkel om Gods armhartigheid,
om bevrijding. Zo lijkt hij op het volk, toen het in Egypte werd
onderdrukt. Daar schreeuwde het naar de hemel omhoog en smeekte om uit
de slavernij te worden bevrijd. En we horen daar, hoe God dit roepen
verstond, hoe Hij omzag naar de neergebogenen en trouw was aan de band
met Israël. En toen het volk eenmaal uit Egypte was geleid en
aan de voet van de berg hoorde naar de tien goede woorden van het
verbond, klonk vooral die ene zin, die aan alles voorafgaat: ik ben de
Aanwezige, jullie God, die jullie heeft bevrijd uit Egypte. God is de
bevrijder bij uitstek. Die gedachte, die gelovige overtuiging, is de
enige basis voor de godsdienstige mens. Zolang wij blijven roepen om
bevrijding en ontferming, bevinden we ons op de goede weg. Elke andere
weg wordt op den duur een dwaalweg. Op die weg denken ze: wij zijn
bevrijd.
Je hoort wel eens zeggen: de slaaf van gisteren wordt de onderdrukker
van morgen. Dat is ook wel te begrijpen. Zodra het juk van slavernij en
verslaving van ons afvalt en we onze eigen zaken kunnen regelen, nemen
we de manieren van hen die zelfstandig en onafhankelijk zijn over. We
willen alles doen en bezitten wat onze voormalige onderdrukkers deden
en bezaten. Dan duurt het niet zo lang of we gaan vergeten, niet alleen
dat God ons eens hééft bevrijd, maar vooral dat
we die bevrijding blijvend nodig hebben. Een mens te zijn op aarde is
levenslang geboortepijn, zegt het lied. De mens valt altijd wel
wéér eens ten prooi aan een nieuwe verslaving. Er
is altijd bevrijding nodig. God daarentegen verandert en blijft een
bevrijdende God. Hij is zonder ophouden doende ons uit een duister en
onderdrukkend bestaan uit te leiden en te bevrijden. Daarom bidt de
tollenaar om bevrijding en blijft dat doen. Hij ervaart dat een mens
altijd weer bevrijd moet worden. Daarom laat niet de Farizeeër
maar de tollenaar ons zien waarin de ware godsdienstigheid bestaat. De
Farizeeër bidt tot het beeld van God, dat volgens hem correct
is. De tollenaar roept: 'Kyrie eleison', zonder zich iets te
verbeelden. De Farizeeër voldoet aan een religieuze
verplichting. De tollenaar stelt zich bescheiden op voor de
Tegenwoordigheid. Daarom zegt Jezus van hem: ik verzeker jullie dat
deze man gerechtvaardigd naar huis afdaalde.
Het leven van de Farizeeër en de tollenaar spelen zich af in
twee werelden, in twee verschillende werkelijkheden. Daar is de wereld
van de chassidim, de vromen, waartoe de farizeeërs zich
rekenen. Ze leggen zich erop toe om de uitleggingen en de regels, die
uit de Tora voortkomen, nauwgezet in praktijk te brengen en te
vervullen. Dat kost veel energie en je kunt er de dag geheel mee
vullen. Onder hen zijn er, die geleidelijk aan gaan neerzien op allen,
die minder nauwgezet met de Tora omgaan. De vrome acht zich een
tsaddik, een rechtvaardige, want hij vaart recht door de zee van
geboden en voorschriften.
|
De
Farizeeër
beschrijft zijn
voortreffelijkheid door zich te vergelijken met anderen zoals de
tollenaar. Voldaan dankt hij God voor zijn vroomheid. Wat hij onder
anderen aanricht ligt buiten zijn interessesfeer. Hij leeft in een
eigen wereld, welke gekenmerkt wordt door een gestructureerde
godsdienstigheid. Hij houdt van regels en riten, maar niet van mensen!
De tollenaar weet uit
hoofde van zijn beroep, dat het moeilijk is oprecht te leven, als je
verkeert in de wereld van het geld. Corruptie, verrijking, oplichting,
halve waarheden en bedrog komen dagelijks op je weg. Zo wordt de
tollenaar, een ambtenaar van de belastingsdienst, geconfronteerd met de
strijd om het bestaan en de zucht om je aan die harde realiteit te
onttrekken. Zijn weg is niet altijd de weg van de Tora. Daarom bidt hij
vanuit zichzelf en niet door zich met anderen te vergelijken. Hij is
geen vrome, maar een realist, en komt er voor uit. Hij weet wat hij
onder anderen aanricht. Daarom zegt hij niet, dat hij zich met God wil
verzoenen, maar vraagt hij aan God of Deze zich wil verzoenen met hem.
Hij heeft tegenover God geen been om op te staan en weet dat.
De gelijkenis is ook een schets van twee manieren van kerk zijn. Er is
een kerk, die zich door God weet geroepen. Ze heeft zijn openbaring, en
het leergezag waakt over de juiste uitleg van de bijbel, behoedt voor
dwaling en verdeelt geest en genade overeenkomstig de plaats, die een
christen in de kerk inneemt. Ze staat voor God en beschrijft haar
voortreffelijkheid door te wijzen op de boosheden van de wereld.
Voldaan dankt zij God daarvoor. Dat ze anderen beschadigt komt niet in
haar op.
Er bestaat ook een meer bescheiden vorm van kerk zijn. De kerk weet
zich geroepen tot dienstbaarheid en het opkomen voor het kleine en
kwetsbare. In de eerste lezing zegt Jezus Sirach: God is niet partijdig
ten nadele van de arme en Hij luistert naar het gebed van de ontrechte.
De kerk slaagt daarin meer of minder. En ze faalt daarin meer of
minder. Ze strompelt achter Jezus aan en went maar moeilijk aan het
volbrengen van haar opdracht. Ze weet, dat in haar midden geen enkele
vorm van menszijn ontbreekt. Van zeer goed en moedig tot zeer slecht en
verwerpelijk is in haar schoot aanwezig. Zo'n kerk staat bescheiden
voor haar God. Ze is zich ervan bewust schuldig en overspelig te zijn.
Ze weet nu al, dat ze weer tekort zal schieten en heeft weinig om God
aan te bieden: de handen zijn leeg. Daarom smeekt ze God of Deze zich
opnieuw met haar wil verzoenen. God, zegt ze, wil je nog steeds met ons
verder? Ze praat zich niet schoon door beschuldigingen jegens de
samenleving te formuleren. Ze ziet naar zichzelf, volslagen afhankelijk
van Gods barmhartigheid, want ze weet dat ze anderen verdriet doet.
Tenslotte leven de farizeeër en de tollenaar in ieder van ons.
Voldaanheid en inzicht wisselen elkaar af in de kern van ons wezen. We
kennen de zelfgenoegzaamheid én de wijsheid, de verblinding
én de zelfkennis, de trotse kerkganger én de
kleine strompelaar. De eerste ziet naar zichzelf en heeft nauwelijks
oog voor het leed, dat aan anderen wordt berokkend. De tweede is ervan
op de hoogte, dat anderen worden gekwetst, verwaarloosd en machteloos
gemaakt. 'God, mijn handen zijn leeg, nog steeds. Ik heb jou niets
anders aan te bieden dan vuile handen. Wil je toch met mij verzoenen.'
In alle gevallen gaat de tweede gerechtvaardigd naar huis. Voor de
zoveelste keer heeft God onze kromme wegen recht getrokken. Als we dat
beseffen zeggen we: God zij dank!
|
31e
zondag door het jaar: Wijsheid 11,23-12,2; Lucas 19,1-10
|
31
oktober 2010, Antoon Boks OP |
|
Ik
hoef u niet uit te leggen wat tollenaars voor mensen
waren. Zij kochten het recht om belasting te heffen van de Romeinen en
haalden dat dan dubbel en dwars terug van de gewone mensen. Zij waren
van alles op de hoogte en wisten hoeveel ieder verdiende en dus ook
hoeveel ze konden vragen aan belasting. Daarom was Zacheus niet
geliefd. Misschien hadden de mensen elkaar wel aangestoten en gezegd:
“Kijk eens naar die gekke vent, hij is weliswaar rijk, maar
maakt zich belachelijk”.
Toen Jezus Zacheus zag, stond hij stil. Voor Jezus had hij een nette
man in een mooi pak kunnen betekenen. Of minder positief een verrader
van zijn volk. Natuurlijk kon Hij in hem ook zien wat de andere mensen
zagen – iemand die zichzelf voor gek zet.
Maar waarom klom Zacheus eigenlijk in die boom? Hij wilde wel eens zien
wat Jezus voor iemand was. En... daarom stopte Jezus. Zacheus was een
zoeker: hij kwam naar Jezus kijken.
Misschien wilde Zacheus wel eens zien of Jezus iets had wat hij zocht.
Wat zocht hij eigenlijk...? Was hij zijn eigen manier van leven moe?
Had hij geen zin meer in zijn rijkdom en in alles wat hij daarmee kon
kopen, want laten we eerlijk zijn hij had geen prettig leven. Hij werd
niet gerespecteerd door zijn buren. Het kan best zijn dat zijn familie
uitgescholden werd. Zo in de trant van: “Daar heb je de vrouw
en kinderen van die verdomde tollenaar”. Hij wist natuurlijk
ook wel, dat hij rijk was geworden door kwalijke praktijken tegenover
de mensen om hem heen. En heel wat mensen dachten dat hij zich ook
afgekeerd had van God, want hij hielp de heidenen. Hij was rijk, maar
was geestelijk failliet. Daarom probeerde hij uit te vinden wat Jezus
voor iemand was.
De plannen van Zacheus waren misschien niet volmaakt. Maar we hoeven
niet volmaakt te zijn om Gods aandacht en bezorgdheid op te wekken. En
waarom bleef Jezus stilstaan; was er misschien ongenoegen en pijn te
lezen op het gezicht van Zacheus? Of was het toch nieuwsgierigheid. Zag
Jezus haat en boosheid op de gezichten van die andere mensen? Kennelijk
had Zacheus geen berouw (hij vroeg ook niet om vergiffenis), toch hield
Jezus stil, gaf hem een duwtje en nodigde zich zelf bij hem uit.
Waarom werden die mensen zo boos dat Jezus bij hem naar binnen ging? In
de tijd van Jezus ging je het huis van een ander binnen om samen te
eten; dan kwam je in een heilige privéruimte. Zelfs het huis
van een arme was heilig. Vijanden kwamen daar niet binnen. Door een
huis binnen te gaan zoals Jezus deed werd
|
Hij
lid van
de familie. Als je een vijand uitnodigde om in je
huis het brood te delen, een maaltijd te houden, dan was dat een gebaar
van verzoening. Het betekende dat het verleden vergeven was en dat een
nieuwe verhouding begonnen werd.Jezus zag die zoeker en nam de eerste
stap. Hij rekende niet uit hoe goed Zacheus zich voorbereid had. Hij
vroeg niet om een openbare geloofsbelijdenis of een volmaakt berouw.
Jezus vulde de gaten en kwam het leven en het huis van Zacheus binnen.
Vandaag is er redding gekomen voor dit huis, zegt Jezus.
Onze Eucharistieviering komt uit de traditie van het midden Oosten waar
vijanden die samen aten met elkaar verzoend werden. Daar mogen we aan
denken bij deze en alle andere Eucharistievieringen. Kijk maar eens om
je heen en verzoen je met elkaar.
Iedereen in de familie zal er beter van worden als iemand Jezus in zijn
of haar leven toelaat. We weten uit ervaring dat een gelovige in een
huis het leven van iedereen in huis aanraakt. Iedere gelovige is een
zegen voor ieder die in huis is.
Zacheus was niet volmaakt, er ontbrak heel veel aan zijn
persoonlijkheid, maar de geest van God spoorde hem die dag aan om naar
buiten te gaan en een zoeker te worden. Hij dacht dat hij Jezus zou
zien. Er gebeurde veel meer: toen Jezus Zacheus zag, stopte Hij en
aanvaarde hem zoals hij was; Hij kwam zijn leven binnen en ook dat van
zijn hele familie.
Net zoals Zacheus hebben we ook een duwtje nodig van de Heilige Geest.
Dat begon al bij ons doopsel en we hebben daarna heel wat duwtjes
gekregen. Bij voorbeeld als we iemand zagen, die onze hulp nodig had,
of soms alleen maar klaarstonden met een luisterend oor. Of om vandaag
toch maar weer naar deze viering te komen. Misschien kwamen we op voor
iemand die uitgescholden werd of niet gezien werd. Of zetten we ons als
vrijwilliger in om iets te doen wat we in het begin niet eens zo leuk
vonden, maar, wie weet, gingen we het nog leuk vinden ook! We hebben
kracht nodig als we pijn hebben of tegenslag. Het is moeilijk, maar het
lukt ons om te breken met een gewoonte, waarvan we dachten dat die niet
te veranderen was en we deden het toch maar!
Ik kan me heel goed voorstellen dat er een ogenblik in het verhaal van
vandaag was waarin Jezus en Zacheus elkaar aankeken. Dat kan ook ieder
ogenblik met ons gebeuren. Wat doen wij als we ervaren, dat Jezus naar
ons kijkt? Zoeken we Hem? Laten we tegen Hem zeggen: “Kom
toch binnen. Voel je thuis. Ik ben blij dat Jij me gezien
hebt!
|
H.Willibrord: Jesaja 52,7-10; Matteus
28,16-20
|
7
november, Theo Koster OP |
|
Wat
Jeruzalem was voor het Joodse volk is Jezus voor
alle volkeren: een krachtig symbool dat mensen die vertrouwen niet aan
hun lot worden overgelaten, verloren zullen gaan. Wie naar de feiten
kijkt heeft weinig reden tot vertrouwen. De eerste lezing klinkt in een
tijd dat Jeruzalem in puin ligt, en het volk van huis is weggevoerd
naar een vreemd en vijandig gebied. In het evangelie is Jezus vermoord
en begraven; aan vrouwen is hij verschenen, maar de leerlingen zelf
hadden hem nog niet gezien. En kijk je hier en nu om je heen, dan stoot
je ook op geweld, honger, natuurrampen, ziekte en ongeluk, buiten en in
Nederland, in je buurt, zelfs in je eigen huis. Wie naar de feiten
kijkt heeft weinig reden tot vertrouwen. Feiten stel je vast; in feiten
hoef je en moet je niet geloven.
Wat de profeet Jesaja verkondigt zijn geen feiten. Wil dit zeggen dat
de woorden van Jesaja daarom van geen betekenis zijn? Als ik tegen u
zeg dat ik u aardig, lief vind verkondig ik geen feit. Ik kan niet
vaststellen, niet bewijzen of u lief, aardig bent, maar zowel voor mij
als voor u heeft het betekenis als ik zeg dat ik u aardig, lief vind.
Als ik hier zeg, dat dit weekend van de groep scholieren uit Den Haag
er enkelen besloten hebben, om vanavond nog hun ouders te vertellen,
dat zij dominicaan willen worden, haalt het gros van u uw schouders op
en terecht; dit is niet de plaats noch de gelegenheid om zoiets bekend
te maken.
U zult echter niet uw schouders ophalen als u in deze verkondiging
hoort, dat momenteel vele jongeren niets met kerk hebben, maar niet
afwijzend zijn. U weet immers dat ik veel met jonge mensen omga en
doorgaans hier geen onzin sta te vertellen. Precies daarom hebben de
woorden van Jesaja voor het volk in ballingschap grote betekenis, ook
al weten zij wel ter degen, dat hij geen feiten verkondigt.
Jesaja was een profeet, een door God geroepene die veel met God
verkeerde. Je kon het aan hem zien dat hij kracht putte uit deze
omgang. Jesaja had het volk vanuit zijn omgang met God dingen gezegd
die zij liever niet hoorden, omdat het pijnlijk voor hen was of zij er
zich voor schaamden. Jesaja praatte mensen niet naar de mond, hield
niet van stroop smeren, en zei de mensen wat hij op zijn hart had, wat
hij van binnenuit moest zeggen. Vandaag hoort het volk dat in de
verdrukking en ellende zit hem praten over een vreugdebode die goed
nieuws verkondigt, die tegen Sion, een andere aanduiding van Jeruzalem,
zegt: uw God is koning. Voor het volk betekenden deze vier woorden, dat
niet de harde feiten het laatste woord hebben, de puinhopen, de ellende
die zij ervaren; dat de koning van Babel hen wel kan kleineren, maar
niet kapot krijgt.
|
Het
volk putte moed en
vertrouwen uit deze woorden van Jesaja. Zij gingen niet bij de pakken
neerzitten, lieten het hoofd niet hangen, voelden van binnen, in
zichzelf, de kracht en fierheid zich melden, kracht en fierheid die God
elke mens geschonken heeft, kracht en fierheid die niet verborgen kan
en mag blijven. Tot op de dag van vandaag putten mensen moed en energie
uit deze woorden van Jesaja, al zolang geleden uitgesproken en nog
steeds vertrouwen wekkend.
De leerlingen hadden van de vrouwen die Jezus gezien hadden gehoord,
dat ze naar Galilea moesten gaan. De berg waarover gesproken wordt zul
je op landkaarten niet vinden. Deze berg vertelt ons dat we hier van
doen hebben met een hoogtepunt in Jezus’ leven, een toppunt
in het leven van zijn leerlingen. Wat de vrouwen vertelden klopt: hem
in wie ze geloofden maar die vermoord werd, Jezus, leeft. Zijn
verschijnen is geen verrassing, roept geen blijdschap of angst op bij
de leerlingen, maar diep respect, en bij sommigen enige aarzeling.
Jezus neemt het initiatief, neemt de afstand die door de leerlingen is
ingenomen weg en treedt hen tegemoet met de woorden: mij is alle macht
gegeven in de hemel en op aarde. Bij macht moet je niet denken aan
spierballen, jezelf redden, de baas spelen. God en dus ook Jezus hebben
daaraan geen boodschap. Met dat soort macht raak je los van God, los
van jezelf, ga je verloren. Politieke en godsdienstige machten hebben
Jezus een vernederende dood laten sterven, hebben geprobeerd de
verbondenheid tussen God en Jezus te verbreken, maar dat is, zoals we
hoorden, niet gelukt.
De macht waarover Jezus spreekt heeft alles van doen met leven, liefde,
geluk, met het verbonden zijn van mensen met God en dus ook met elkaar.
Als geen ander weten de leerlingen hoe Jezus met mensen omging. Hij
hield van mensen, voelde zich voor geen enkel mens te groot, was
anderzijds voor geen enkel mens bang, want elk mens is immers zoals jij
bent, jouw zuster, jouw broeder. Voor mensen die om wat voor reden niet
in tel waren, werden genegeerd, was de ontmoeting met Jezus een
verademing, een kick. Bij mensen die zichzelf erg belangrijk vonden
riep Jezus weerstand, angst, agressie op. Gaat dus, horen vervolgens de
leerlingen; maakt alle volkeren tot mijn leerlingen door hen te dopen
en te leren onderhouden alles wat ik u bevolen heb. Wat wordt hiermee
bedoeld?
Jezus zelf is en blijft ons in dit leerproces nabij als een steuntje in
onze rug. Soms kun je dat bijna lijfelijk ervaren, bijvoorbeeld in het
eten en drinken van het brood, de wijn die Jezus ons aanreikt. We maken
er ons nu voor klaar.
|
33e
zondag door het jaar: Maleachi, 3,19-20; Lucas 21,5-19
|
14
november 2010, Paul Minke OP |
|
Zie
de dag gaat komen, profeteert Maleachi. Waar de
profeet op zinspeelt is: de dag van de eindtijd, de laatste dag, de
oordeelsdag. En ook Jezus spreekt over het einde der tijden: er zal een
tijd komen. Het kerkelijk jaar loopt naar zijn einde. We vieren de
eerste Voleindingzondag. De liturgie doet ons uitzien naar de
voltooiing van de heilsgeschiedenis.
Jezus spreekt over schrikwekkende dingen als voorteken van de eindtijd.
Schrikwek-kende dingen zien en beleven we volop. We horen ervan
dagelijks. Wie staat niet de beelden voor ogen van de rampen, die
Haïti heeft getroffen, van de watersnoodramp in Bangladesh, de
beelden van de diepe ellende van de slachtoffers, hun nood, ar-moede,
hun onderkomen, hun tranen? Wat niet te denken van het leed van de
bewo-ners op de flanken van de Merapi, die zich beroofd zien van hun
huizen, hun akkers, hun leefwereld, alles bedolven onder een dikke laag
as van de vuurspuwende vulkaan. Voor hen die het van nabij meemaken is
het een wereld die instort. Op de website van katholiekNederland las
ik: De angst onder christenen in de Irakese hoofdstad Bagdad is de
afgelopen dagen hand over hand toegenomen. De mensen in Bagdad zijn
totaal in paniek. Nergens zijn wij veilig voor het geweld. Leren deze
tekenen en zoveel andere verschrikkingen dichtbij en ver weg ons dat we
onze tijd hebben te verstaan als het begin van het naderende einde? Je
kunt inderdaad de indruk krijgen van onze tijd en onze wereld dat alle
machten van de Boze samenspannen op alle terreinen van het leven.
Corruptie alom in de politiek, in het recht, op economisch en
financieel vlak. De kerk verkeert in een crisis. Gelovigen verliezen
hun vertrouwen in haar leiding Dat alles lijkt allemaal zó
oppermachtig, dat God het verliezen gaat. En hoe valt het zinloos
geweld te keren, de onverschilligheid overal, de vernielzucht, de
spilzucht, het ongeremde verlangen naar luxe, enz? En hoe de
vernietiging van ons leefmilieu om te buigen? Hoe? Hoeveel conferenties
daarover zijn er al niet gehouden, ook nu weer, maar echt dat geweldige
probleem eens goed aanpakken is er niet bij. Kortom: bevinden wij ons
niet met zijn allen op een doodlopende weg? Is er niet terecht reden
tot vrees dat het met onze wereld gedaan is?
Wat Jezus zegt over de eindtijd is evenmin exacte informatie als het
scheppingsver-haal een juiste wetenschappelijke weergave is over het
ontstaan van de wereld en over al wat er groeit op aarde. Iedere tijd
is eindtijd. Iedere tijd kent zijn verschrikkin-gen. Iedere generatie
heeft te maken met valse profeten en dwaalleraren. Dat gelovi-gen, die
zich inzetten voor meer recht en vrede in de wereld gevangen genomen
worden, gemarteld en ter dood gebracht, dat is de eeuwen door de
realiteit van de wereldkerk en de wereldgemeenschap.
De boodschap van het evangelie is niet: “Weest beangst voor
dit alles.” Maar: “Weest op uw hoede, kijk uit.
Laat niet je niet misleiden. Verlies de hoop niet
|
en
je vertrouwen in God
en zijn zorg niet.” Jezus is geen doemdenker, alsof alles in
de wereld kommer en kwel is. Jezus is geen paniekzaaier. Hij verzet
zich juist tegen iedere paniek en angst. Paniek is verlammend. Angst
doet mensen verkeerde keuzes maken. Paniek doet mensen onbezonnen en
blindelings achter fanatici en dwepers aanlopen. En Jezus’
oproep is juist: Hol niet achter valse profeten en dwaalleraren aan. Ga
niet in op wat zij zeggen en beweren, hoe redelijk ook hun verhalen
klinken, ja, zelfs de schijn hebben redelijker te klinken dan het woord
van God. Volhard in wat je gelooft, volhard in je geloof in God en zijn
woord ook al roepen velen en steeds meer dat geloven maar een
achterlijk gedoe is. Volhard in wat je hoopt: een nieuwe wereld van
recht en vrede, ook al lijkt de wereld regelrecht op haar ondergang af
te stevenen. Volhard in wat je doet, wat je door je geloof wordt
ingegeven, waartoe de liefde tot God en de naaste je inspireert en
aanzet ook al weet je, dat de kans bestaat dat je door een ander
misbruikt wordt. Volhard in de trouw aan de kerk, aan deze
geloofsgemeenschap, ook al moet je tot je verdriet ervaren, dat zelfs
zij niet zonder zonde is. Dat is de boodschap die Jezus verbindt aan de
verschrikkingen van alle dag. En, zegt Jezus, door standvastig te zijn
zult ge uw leven winnen.
Niettemin, velen zijn – m.i. terecht – zeer bezorgd
over het lot van Gods schepping, over het trieste lot van vele mensen,
die door een dal van ellende moeten gaan, over het verlies van aanzien
en respect van de kerk, soms door eigen schuld. Een be-zorgdheid, die
soms grenst aan angst en vertwijfeling, vooral dan, als je ziet hoe
stom en kortzichtig, corrupt en inhalig mensen handelen en beslissen.
Persoonlijk deel ik dat gevoel en vraag ik met hen me af: waar loopt
dat allemaal op uit? Hoe te volhar-den in mijn geloof, mijn hoop, in de
trouw aan mens en kerk? Ik denk eerlijk gezegd, dat we dat ook niet
kunnen op eigen kracht. Onze kracht moet komen vanuit een levende
relatie met God en zijn zoon Jezus, vanuit het doorleven van het
getuigenis, dat we hebben ontvangen in de Schriften. Onze kracht moet
komen vanuit het delen van de vrucht van elkaars geloven en hopen, van
het zien, soms even, van het Rijk Gods, zichtbaar in de zorg voor
elkaar, in de vrede en de liefde die we elkaar geven, in de warmte die
we daarbij ontvangen. In een wereld waarin zoveel mensen lijden aan
depressies, onzekerheid en moedeloosheid. In een wereld waarin mensen
wor-den gemarteld, kinderen gedood, de aarde geschonden is de noodzaak
van zo’n getuigenis van hoop en geloof in de toekomst
overduidelijk.
Vergeet niet: Wij zijn dragers van een visioen, het visioen van een
nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Besef wel: Het is een visioen, dat
krachtig genoeg is om het op te nemen tegen valse profeten, om de
dwaalleraren te weerstaan en te ontmaskeren en de doemdenkers te
beschamen. Amen.
|
Christus
Koning: 2 Samuel 5, 1-3, Lucas 23,35-43
|
21
november 2010, André Lascaris OP |
|
We
hebben een koningin van de Nederlanden, een koningin
van Denemarken, de koning van de Belgen, een koningin van Engeland,
Schotland, Noord-Ierland, Canada, Australië en Nieuw Zeeland,
de koning van Thailand, en de koning van het heelal. Horen ze allemaal
thuis in dit rijtje? Als U één van deze figuren
uit deze rij mag weegstrepen, dan toch wel: ‘koning van het
heelal’, Het suggereert dan Jezus koning is van het heelal op
min of meer dezelfde manier als de andere koningen – alleen
met meer land, alle land, en met meer macht, alle macht.
De tekst van het evangelie wijst in een andere richting. Het woord
‘koning’ komt van ‘kunnen’. En
koning is iemand die wat kan. Jezus kan op een bepaald niveau helemaal
niets; hij is vastgenageld aan het kruis. Het volk waarvoor Jezus was
opgekomen, en voor wie hij brood heeft vermenigvuldigd, blijft passief:
ze kijken toe. Hun leiders zijn actief en proberen het volk wijs te
maken dat Jezus terecht gekruisigd is. Ze geven toe dat Jezus in zijn
leven mensen gered heeft, maar laat hem nu zichzelf redden. Ze
projecteren op hem een titel: ‘koning van de joden, de
Messias, de gezalfde’, een ander woord voor koning, een
koning van de eindtijd, ‘de uitverkorene’ zoals
David. De soldaten doen hun werk, maar om zicht re rechtvaardigen
herhalen ze de woorden van de leiders van het volk. Een van de
misdadigers wil toch nog zich verheffen boven Jezus uit. Hij sluit zich
aan bij de leiders en hoopt dat hun glans ook een beetje op hem
afstraalt.
De tweede misdadiger erkent de onschuld van Jezus en zijn koningschap,
en vraagt aan Jezus hem te gedenken.
Het meest onverwachte is dat Jezus positief op dit verzoek ingaat. Een
schurk, een schoft, een moordenaar misschien ontvangt toekomst, ruimte
om te er te zijn, hij mag met Jezus zijn. Deze eist niet dat de
misdadiger berouw laat zien, en geeft meer dan waarop de misdadiger
gehoopt had. Zoals in de parabel van de verloren zoon, de vader zijn
zoon niet laat uitspreken, maar hem verwelkomt en feestviert omdat hij
teruggekomen is. Jezus sterft niet voor de zondaar, maar neemt hem met
zich mee, de dood en de verheerlijking in. Jezus doet hier wat hij zijn
leven lang heeft gedaan. De meest verwerpelijke mensen sluit hij in
zijn armen, en zo gaat hij in tegen de diepe overtuiging van zijn
tijdgenoten en ook tegen die van ons: dat wie goed doet, goed ontmoet,
en wie slecht doet, zal worden gestraft. Hij gaat zelfs in tegen de
catechismus die we geleerd hebben die ons verzekert dat we eerst berouw
moeten hebben voor er van vergeving sprake kan zijn. Bij Jezus gaat het
vaak omgekeerd: hij sluit iemand in zijn hart en dat wekt berouw; en
berouw is hier niet allereerst een soort gevoel, maar is een echte
ommekeer in je leven, het is met andere ogen, met die van Jezus, naar
anderen en de wereld kijken. Dat is het messiaanse, het Koninklijke van
Jezus, niet dat hij zou beslissen wat er in het
heelal gebeurt, maar dat hij
diep ingeslepen patronen doorkruist.
|
Als
ons
tekort gedaan is, dan verwachten wij dat de dader ons tegemoet komt en
de schade herstelt. En dan zijn wij groots genoeg om de daderweer te
accepteren als een medelid van onze familie, onze samenleving, onze
kerk, onze kring. We gaan er vanuit dat wie zelf rechtvaardig is, ook
rechtvaardigheid moeten ontvangen. En we vinden dat mensen die soms de
vreselijkste dingen doen, moeten worden opgesloten en dat onze
samenleving tegen zulke mensen moet worden beschermd. We moeten de
rotte appelen uit de mand van de samenleving werpen. Jezus kiest partij
voor deze rotte appelen. Wat is rechtvaardigheid anders dan dat je
ieder geeft wat hem toekomt en dus ook straf. We moeten bepalen wie de
koek krijgt, wie de gard.
Jezus, doorbreekt het verwachtingspatroon dat diep in ons is
ingesleten. Jezus schept zo een geheel nieuwe toekomst en ruimte. Hij
schept een nieuwe wereld. Hij schept nieuwe verhoudingen tussen mensen.
Ze zijn vaak zo nieuw dat we ze eigenlijk niet goed aan kunnen, ze geen
vorm kunnen geven en terugvallen in wat ons bekend is dat boontje komt
om zijn loontje en dat wie goed doet, goed ontmoet. Jezus bevrijdt ons
van het handelen volgens een vast patroon. Ons wordt geleerd te
onderhandelen, tussen man en vrouw, tussen mensen in hetzelfde bedrijf
of groep. Volgens mij kunnen we beter elkaar in het hart sluiten en dan
doen wat er gedaan moet worden. Dat kan best betekenen dat je besluit
dat je niet alles samen moet doen.
Daarin bestaat het kunnen van Jezus, zijn ‘koning
zijn’. In de eerste lezing hoorden we dat David en de tien
stammen van het noorden zich met elkaar verzoenen en besluiten
één volk te worden. Verzoening en vergeving
spelen zich niet alleen af in het kleine bereik van je gezin, familie,
vrienden, collega’s, maar ook in de politiek en soms in de
economie. Onze wereld zou er heel anders uit gaan zien als onze
politici niet meer zouden afwegen, wat we kunnen inleveren en wat we
kunnen binnenhalen, maar als zij – wij - voor de wereld
opkomen, niet alleen voor eigen land.
Het koninklijk optreden van Jezus is niet dat hij van bovenaf gratie
verleent, maar dat hij naast mensen durft te gaan staan die door
iedereen worden afgewezen. Hij betaalt onecht niet met eigen munt
terug. De Koninklijke weg is de ander die jou schade heeft gebracht te
accepteren en te ontvangen als een mens zoals jezelf. We worden
uitgedaagd de rotte appels en de zwarte schapen in ons midden op te
nemen, te stoppen met onderhandelen en mensen die we ver van ons willen
houden welkom te heten.
Kunnen we dat? Ik denk van niet. Maar soms stijgen we boven onszelf
uit. Dan verzoenen we ons met mensen die we hadden afgeschreven.
Onmachtig op het kruis, toont Jezus zijn kunnen: toekomst geven aan hen
die geen toekomst hebben.
|
|