|
19e zondag door het jaar
1e lezing: 1 Koningen 19,4-8
2e lezing: Johannes 6,41-51
Veertig jaar is heel lang. Vroeger was het nog langer.
Nee, natuurlijk niet precies berekend 40 x 365 of 366 x 24 x 60 x 60 seconden.
Dat bleef wel gelijk. Iedereen weet dat drie weken vakantie veel korter
duren dan drie weken examen.
Van onze klas werden Jacques van de Lee, Cor Kester, Henk Sechterberger,
Henk Jongerius en ik toen gewijd. Hein Schaeffer en Frans Lohman werden
later nog gewijd in Nederland en Puerto Rico. Bijna iedereen hier aanwezig
weet wel wat er daarna gebeurd is. Sommige van de hier aanwezige mensen
hebben dat gelezen of gehoord nadat ik op Sint Maarten hoorde en las,
dat deze Dominicaanse gemeenschap van Huissen mij tot prior had gekozen.
Andere, waaronder mijn familie, wisten dat al veel langer uit eigen ervaring.
Bijna al mijn familieleden hebben ook een flinke poos in het vliegtuig
gezeten om mij te bezoeken. Mijn vader deed dat na de dood van mijn moeder
met de regelmaat van de klok.
Daarom is het goed de viering van veertig jaar als priester vandaag te
beginnen met een Eucharistie. Na de broodvermenigvuldiging, nadat de leerlingen
Jezus over het meer hadden zien lopen, nadat zoveel mensen weer naar hem
toekwamen, vertelt Jezus de menigte, dat ze goede dingen deden, maar om
verkeerde redenen. Ze kwamen naar Jezus, maar niet om leerling te worden.
Ze wilden, dat hij zou zorgen voor allerlei dingen: lekker gemakkelijk
als je arm bent en dingen nodig hebt. Hij gaf ze te eten, maar wilde ook
dat ze zagen, dat hij zoveel meer te geven had.
Hij nodigde hen uit vertrouwen in hem te hebben en hem te geloven. Met
Hem zouden ze dan altijd verenigd zijn en zou God in hun leven zijn. Ze
waren nog niet in staat zich aan hem over te geven in vertrouwen. Hij
vertelt ze, dat "Hij het brood is dat uit de hemel is neergedaald..."
En ze begrepen er niets van.
Elia gelooft in God, maar komt in moeilijkheden. Hij
is een machtige profeet, maar nu voelt hij zich niet zo sterk en roept
uit: "Het is genoeg Heer. Neem mijn leven want ik ben niet beter
dan mijn voorgangers". Is dat waar? Elia heeft heel wat gepresteerd:
zelfs heeft hij op de berg Karmel heel veel profeten van Baal omgebracht.
En dat heeft hem ook de vijandschap opgeleverd van koningin Izebel, die
Baal had binnen gebracht in Israël. Izebel wil Elia doden en hij
is gevlucht naar de woestijn. Zijn geloof in God heeft hem haar doodsdreiging
gebracht. Zo vinden we hem vandaag, moe en de dood zoekend als een oplossing.
Zijn eigen kracht, zijn "brood" is niet genoeg om hem door dit
gedeelte van zijn leven te brengen.
Ik denk dat iedereen, die vecht tegen valse goden in onze gemeenschap,
maar heel weinig verandering ziet; misschien willen we ons wel aansluiten
bij het gevoel van Elia. We vechten tegen de goden van materialisme, egoïsme,
zakkenvullen,
|
nationalisme, afval in het milieu, religieus fanatisme en we zien niet
veel veranderingen. Het schijnt alleen maar erger te worden. Wat voor
veranderingen heeft ons pogen gebracht? Hoe lang zal het duren voordat
we een beetje tevreden zijn dat ons werken verbetering heeft gebracht
in ons gezin, onze gemeenschap, onze kerk en onze wereld? Waarom nog doorgaan,
waarom ons niet terugtrekken in onze comfortabele wereld, de deur sluiten
en stoppen met het geven van onze krachten aan schijnbaar nutteloze pogingen?
Hebben we als Kerk genoeg om samen met anderen te delen?. Hoe blijven
we de energie krijgen om door te gaan met de belangrijke dingen in de
wereld buiten kerken of kapellen aan te pakken?
God was aan het werk met Elia en is aan het werk met ons en heel veel
andere mensen, maar dat schijnen we niet altijd te voelen. Daarom ploft
hij neer onder een bremstruik - de uitgeputte profeet op de rand van wanhoop.
God bezoekt hem door een engel, voedt hem met eten en drinken: dat geeft
hem kracht. Het is een teken, dat God heeft gezien, wat nodig is, dat
God medelijden met hem heeft en er voor wil zorgen, dat hij klaar is voor
wat er allemaal nog komt. Dat voedsel is genoeg voor de reis van veertig
dagen om bij de Horeb te komen, waar hij nog meer te horen en te zien
krijgt.
Geestelijk en lichamelijk voedsel is nodig om Elia daar te krijgen en
God zorgt er voor. Voor ons is er ook wel het een en ander in de toekomst.
God kan ons nog meer laten zien over zichzelf en over het werk dat God
ons wil laten doen. En God zorgt er in Jezus voor dat we voedsel krijgen
voor de reis, en zelfs voor het verlangen om op te staan en opnieuw te
beginnen.
Dat doet God nog steeds voor ons, ook vandaag. Soms zijn we moe van ons
leven, ons werk. We willen wel trouwe getuigen zijn van Gods woord, maar
we krijgen tegenstand en onze geest wordt moe. God ziet wat we nodig hebben
en geeft ons nieuw voedsel, brood dat we altijd zullen hebben: het leven
van Jezus voor ons en voor de wereld.
Deze gave van voedsel draait natuurlijk ook om de Eucharistie. "Ik
ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand
dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor
het leven van de wereld, is mijn lichaam". Hij is leven gevend brood,
want hij geeft zijn leven voor ons.
Leerling van Jezus zijn zal ons blijven kosten en we zullen steeds weer
gevraagd worden om ons leven in zijn dienst te stellen. Dat kunnen we
doen, omdat hij het eerst voor ons deed.
Wat voor bremstruiken hebben in onze woestijnen genoeg schaduw voor onze
lange weg naar God? Is deze kapel een dergelijke bremstruik? Hebben we
gevonden, wat we allemaal niet alleen kunnen doen? Veel dingen kunnen
we wel met anderen.
Welke honger moet er in ons worden gevoed? Het woord van God vertelt ons
vandaag dat God niet alleen onze honger heeft gezien, maar die ook meegevoeld
heeft en er wat aan gedaan heeft. Daarom kwam Jezus in onze wereld. Hij
wordt ons voedsel voor onderweg. Laten we dan eten en drinken wat God
ons aanbiedt. Zo worden we gesterkt door Gods gave van zichzelf en dan
kunnen we van hier weg gaan en onze tocht vervolgen nog heel lang met
God hulp. Amen.
Antoon Boks o.p.
|
|
|
20e zondag door het jaar
1ste lezing: Spreuken 9,1-6
2de lezing: Johannes 6,51-58
Het sleutelwoord in de lezingen van vandaag zal u niet
ontgaan zijn: leven. "Leef", hoorden we Wijsheid zeggen. Maar
dat doen we toch allemaal al, leven? We zetten er ons voor in, werken
er hard aan, kennen zorgen, piekeren veel, hebben verdriet,
en steeds komt dit weer terug op onze weg. Menig rimpel op ons gezicht
getuigt van ons verlangen naar en onze inzet voor léven; voor léven
hebben we heel wat, hebben we alles over.
Toch is dit wat ons zo bezig houdt blijkbaar niet het leven, waarover
de lezingen het hebben. We hoorden immers geen woord over zwoegen, pech
en ongeluk, ziekte en dood. Dit was er destijds vast en zeker; de lezingen
hebben wel degelijk weet van wat ons beroert, maar reiken verder, zien
nog meer. Waar het werkelijk om gaat, echt leven, verdien je niet, hoorde
ik zojuist; je krijgt het, zomaar.
Als u dat gek vindt verkeert u denk ik in een groot gezelschap; bent u
een van die onnozele mensen tegen wie Wijsheid zegt: "Kom toch deze
kant op. Kom, eet het brood dat ik je geef, drink de wijn die ik heb gemengd.
Wees niet langer zo onnozel, leef, en betreed de weg van het inzicht."
Wat Wijsheid hier bedoelt vond ik verwoord tijdens mijn vakantie. Ik las
toen dit boek: 'Onverwacht licht. Reizen in Afghanistan. De schrijver
reisde enkele keren in Afghanistan, toen het bezet was door de Russen,
en jaren later, toen de Taliban opkwam en hij niet veel verder kwam dan
Kaboel, dat voortdurend door raketten en granaten beschoten werd. Dit
boek doet je ervaren wat je op de TV niet ziet over Afghanistan, maar
even wezenlijk en aanwezig is in dit gevaarlijke land. Kort voordat hij
teruggaat naar huis, Engeland, naar vrouw en kind, stelt een andere westerling
die zich in Kaboel gevestigd heeft hem voor daar te blijven. En dan lees
ik deze woorden: "Ik speelde met het idee. Het raakte een snaar die
door mijn op handen zijnde vertrek gevoeliger was gemaakt, en ik realiseerde
me dat ik al jaren niet zo gelukkig was geweest als in deze armoedige
hoofdstad. Niet gelukkig in de zin van plezier, maar in de zin van echt
geleefd te hebben. Op dit moment was het thuis dat me een vreselijke plek
leek, een somber, onvriendelijk oord, waar niemand je recht in de ogen
keek."
Over dit 'echt leven', zoals de schrijver het noemt, gaan de lezingen
vandaag. Echt leven wordt je aangereikt, maar we zien het vaak gewoon
niet, omdat we helemaal opgaan in het vele dat onze aandacht trekt. Waar
het werkelijk om gaat valt niet op,
het trekt niet aan ons, dringt zich niet op, moet niet verdiend worden,
maar kan slechts opgemerkt en vervolgens ontvangen worden.
Brood en wijn zijn in beide lezingen beeld van het woord van God. Leven
is ieder van ons geschonken. Om te kunnen blijven leven hebben we dagelijks
voeding
|
nodig, eten en drinken, vertier. Dagelijks ervaren we en zitten we midden
in de strijd om het bestaan. We gaan er in mee, gaan er doorgaans zo in
op, dat we denken dat dit echt leven is. Echt leven wil en moet ook gevoed
worden, anders kwijnt het weg. Het laat zich niet voeden met onze prestaties,
met wat we leuk
vinden. Echt leven laat zich enkel voeden met woorden die komen van de
bron van dit leven: God. God is overal aanwezig, maar volstrekt ongrijpbaar.
Je krijgt er geen vat op, zoals we op elkaar geen vat krijgen. Kijk een
ander maar eens in de ogen; de kans bestaat dat je dan speeksel in je
mond actief voelt worden; je bereid je al voor op wat je gaat ontvangen.
Daar gaat het om: brood en wijn opmerken en vervolgens van harte ontvangen.
In Jezus is Gods woord lichaam en bloed geworden. In
Jezus werd God concreter dan de Barmhartige ooit eerder in de Schriften
ervaren werd. Echt leven zoals die reiziger in Afghanistan dit ervaren
heeft duidt Jezus aan met het woord 'eeuwig'.
Hij herhaalt wat we Wijsheid hoorden zeggen, maar wordt nog concreter:
"als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet
drinkt, hebt u geen leven in u." Hij roept veel grotere weerstand
op dan Wijsheid met haar aanduiding 'onnozele mensen'. Als Jezus het vleesgeworden
woord van God is, en als God werkelijk iets voor je betekent, kun je niet
om deze Jezus heen. Dit werd en wordt als uiterst arrogant ervaren. Tragisch
is het, dat de gesprekspartners van Jezus destijds in hun verontwaardiging
blijven steken, alsof hen het meest heilige wordt afgepakt. Hen wordt
niets afgepakt noch opgedrongen, maar iets fundamenteels aangeboden: de
ervaring van Gods aanwezigheid onder ons, in jouw eigen leven.
Terecht is men uitermate voorzichtig om in het concrete
leven van alledag de aanwezigheid van God aan te wijzen en te benoemen.
Mensen zijn nu eenmaal onnozel en bereid zich van alles wijs te laten
maken, zeker als het om echt, om eeuwig leven gaat, dat ongrijpbaar is.
Wat werkelijk de moeite waard is, daarvan weten we zo weinig af, dat enkel
zwijgen ons past. Maar onze wereld wordt steeds lawaaieriger.
Toen Jezus stierf aan het kruis, gebeurde dit in stilte
en grote eenzaamheid. Daar was alle ruimte voor God; de mensen die het
zicht op God zouden kunnen wegnemen waren gevlucht. De Barmhartige trok
hier niet de voor de hand liggende conclusie uit, en bleef contact zoeken
met zijn mensen.
Jezus leeft en wijst ons de weg naar het echte leven. Kom straks en geniet
van zo'n onooglijk stukje brood, een paar druppels wijn, waar je elders
argeloos aan voorbij zou lopen of je schouders voor ophalen. Het geheim
van ons leven is niet groter dan het is. Als woorden ontbreken houd dan
je mond en ervaar, dat je bent, dat je niet alleen bent, dat we gedragen
worden.
Theo Koster o.p.
|
|
|
21e zondag door het jaar
1ste lezing: Josua 24,1-2a+17-18b
2de lezing: Johannes 6,60-69
De afgelopen zondagen hebben we geluisterd naar het
onderricht van Jezus in de synagoge van Kafarnaum. We hebben stil gestaan
bij de betekenis ervan. Al is de taal van Johannes, de evangelist, niet
eenvoudig, we hebben begrepen, dat Jezus het mens geworden woord van God
is. Hij is sprekend God. Daarom is zijn onderricht voedsel voor onderweg.
Zo heeft hij gesproken: ik ben het levende brood, dat uit de hemel is
neergedaald. Wanneer iemand dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid.
En het brood, dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.
Maar zodra hij dit gezegd heeft breekt er een groot tumult in de synagoge
uit. Wat hij daar verkondigt kan niet, is onmogelijk, is godslasterlijk.
Hoe kan deze man ons zijn lichaam te eten geven? Lange tijd heb ik gedacht
dat de hoorders in de kerk zijn gestruikeld over het woord "lichaam".
Dat was een gevolg van onze transsubstantiatieleer, vermoed ik. Weet u
het nog: brood en wijn veranderen in het lijfelijke lichaam en bloed van
Jezus. Maar dat was in de dagen van Jezus niet eens aan de orde. Ze zijn
gestruikeld over "die man". De mensen, die naar Jezus luisterden,
hadden er geen moeite mee, dat van Mozes werd gezegd, dat in hem de Tora
vlees en bloed is geworden. En het beeld van de Tora als voedsel voor
een gelovig leven, was hun niet onbekend. Neen,
Jezus zélf
is het probleem. Ze wilden of konden niet accepteren dat hij God zijn
Vader noemde, want dat betekent dat Jezus de Tora is in levende lijve.
Later zullen ze zelfs zeggen: wij weten dat God met Mozes heeft gesproken,
maar waar deze man vandaan komt weten we niet. Jezus zelf als het mens
geworden woord van God is het struikelblok. De mensen keren zich mopperend,
protesterend en nijdig van hem af. De dienst is voorbij en de kerk gaat
uit. Op het plein van de synagoge staat Jezus met zijn leerlingen alleen.
Ze worden door de anderen gemeden.
Nu kunnen we met het verhaal van vandaag twee kanten uit. Jezus staat
daar en is na de reacties van zijn hoorders in de synagoge diep teleurgesteld.
Van sommige schriftgeleerden en farizeeërs had hij het kunnen verwachten,
maar dat zo menigeen hem afwees, en daaronder ook nog eens velen van zijn
leerlingen, kon hij maar moeilijk verwerken. Hij voelt zich eenzaam, afgewezen,
en het huilen staat hem nader dan het lachen. Dan wendt hij zich tot de
kern van zijn leerlingengroep, de twaalf, en vraagt met een ondertoon
van wanhoop: 'willen jullie ook nog weg gaan?' En Petrus antwoordt. Hij
is een goede vriend van Jezus en heeft met hem te doen. Daarom zegt hij:
'naar wie kunnen wij dan heen? Jij hebt woorden over het leven zoals we
nog nooit hebben gehoord'. Hij is inderdaad een goede vriend. We herkennen
de gevoelens van teleurstelling bij Jezus. Waarschijnlijk zijn ze ons
niet vreemd. Vaak doe je veel moeite om anderen van dienst te zijn, wegwijs
te maken, goede raad te geven, onzelfzuchtig en welgemeend. Maar dan word
je nauwelijks gehoord, niet serieus genomen of eenvoudigweg genegeerd.
We knikken instemmend. Dat heeft Johannes mooi verteld!
Als je zo naar het evangelie wilt luisteren heb ik echter wel een vraag.
Ik heb dit
verhaal over Jezus niet nodig om te weten dat zulke dingen aan mensen
overkomen. Ik heb de hele bijbel niet nodig naast zoveel mooie romans,
films en kunstwerken uit de
|
mensengeschiedenis, waarin onze emoties en ervaringen vorm krijgen. Het
is onze wereld, dag in dag uit. Maar wel: onze wereld! Daarom wil ik een
andere kant uit om deze lezing te verstaan.
Jezus is een nieuwe Joshua, die het volk van God binnen zal voeren in
het land van de toekomst, het land van belofte, het land van verrassende
mogelijkheden, overvloeiend van melk en honing. Deze beelden verwijzen
naar een land zonder geweldpleging, zonder uitputting, zonder onnatuurlijk
gedrag. Jezus en Joshua zijn dezelfde namen, alleen wat anders geschreven,
en ze betekenen: de Aanwezige is redding. Met het Israël uit de dagen
van Joshua zeggen nu de leerlingen van Jezus wat we al hoorden in de eerste
lezing: Wij denken er niet aan de Aanwezige te verlaten. De Aanwezige
heeft ons en vele geslachten voor ons uit Egypte geleid, uit het land
van de benauwenis. De Aanwezige verricht voor onze ogen grote tekenen
en beschermt ons op al onze tochten en tegen alle verlokkingen en misleidingen,
waarmee wij in aanraking komen. Wij willen de Aanwezige dienen, want zo
kunnen we vooruit!
De reactie van de Israëlieten op de woorden van Joshua is dezelfde
als die van Petrus. De woorden van eeuwig leven zijn de woorden, die vertellen
dat er een wereld mogelijk is, die door Gods ogen wordt gezien en door
Gods hart wordt beleefd. Het is de wereld van respect voor de natuur,
het recht op leven van de ander, de noodzaak werk, voedsel en voorraden
te delen en niet te onderwerpen aan economische wetten, waarvan slechts
weinigen echt profiteren. Dit zullen velen ontkennen, maar de geschiedenis
bewijst ons dat de armen er de dupe van worden en blijven. De mensen in
de kerk willen hun eigen leven leiden. De godsdienst met leer en dogmatiek,
liturgie en ritueel, mag van dat leven deel uitmaken als we ons eigen
gedrag niet hoeven te veranderen. De preek van Jezus haalt een streep
door zo'n levensfilosofie. Daarom werd er gemopperd, hoofden afgewend,
en liet men hem, en daarmee de armen van alle tijden, in de kou staan.
Petrus spreekt niet als een vriend om hem wat te troosten. Petrus is de
gemeenschap van die gelovigen, die oprecht de weg van Jezus, de droom
van God, willen opgaan. Jij hebt woorden van leven, dat tegen alles bestand
is. Ook wij herhalen vandaag die woorden. Natuurlijk weten we, dat we
mensen zijn en kwetsbaar blijven. We laten ons - ondanks verzet en goede
inzichten - dikwijls meezuigen door het leven van alle dag. Daarom moet
de laatste zin van dit verhaal er altijd bij worden verteld. Na de woorden
van trouw en volgzaamheid van Petrus, antwoordt Jezus: 'ik zelf heb jullie
alle twaalf uitgekozen. Toch is één van jullie een duivel.
Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, één
van de twaalf, zou hem overleveren'. Overleveren is enerzijds de droom
van God tot onze eigen droom maken: "ik droom van
.", om
het met de kleinen van de kindercantorij te zeggen. Maar onze dromen monden
uit in de turbulentie van ons bestaan en verkeren vaak in hun tegendeel.
We worden de tegenstander. de satan, van God. Dan leveren we de droom
over aan de hektiek van deze wereld. Dan zeggen ook wij: 'dit woord is
hard! Wie kan daaraan gehoor geven?' We plegen verraad. Bidden we, dat
onze droom van Gods eigen wereld het volhoudt.
27.08.06 Ernst Marijnissen o.p.
|
|
|
22ste zondag door het jaar
Deuteronomium 4,1-8
Marcus 7,1-8.14-15.21-23
Wat wij vandaag horen uit het boek Deuteronomium is
het begin van het gebed dat elke gelovige Jood elke morgen zegt: 'Sjema
Jisraël, hoor Israël. De Heer is onze God; de Heer is de Enige'.
Nog voordat wij gaan luisteren naar de geboden en instellingen die Israël
gegeven zijn, is dit op de eerste plaats een oproep om stil te worden
en het besef in ons toe te laten dat wij staan in een grote werkelijkheid
die ons te boven gaat. Het is belanden op heilige grond, waar wij beseffen
dat er maar Eén God is.
Luisteren is in onze dagen heel moeilijk geworden. Wij leven in een cultuur
die stijf staat van woorden die vechten om gelijk te hebben. Je hoeft
maar naar gesprekken op de TV te kijken om te zien hoe slecht mensen naar
elkaar luisteren. Zij willen eerder scoren dan een ander laten uitpraten.
Maar ik heb het vermoeden dat vaak ook onze omgang met elkaar beheerst
wordt door de zegswijze 'ik hoor je wel maar ik versta je niet'. Dat levert
een manier van omgang met elkaar op waar het meer om de buitenkant gaat
dan om wat er werkelijk in mensen omgaat: zo leven wij oppervlakkig en
in de grond van de zaak eenzaam.
Dat in de dagen van Jezus ook de voorschriften en geboden van de Wet geworden
waren tot uitwendige aangelegenheden, roept hem het woord van Jesaja in
herinnering die ons op het gevaar wijst dat wij wel met onze lippen over
God spreken maar dat ons hart er niet werkelijk bij is, terwijl dat helemaal
niet de bedoeling van de regels en voorschriften is. Die willen ons in
wezen juist thuisbrengen in de werkelijkheid waartoe het 'Sjema Israël'
oproept.
|
Dat is in de wereld van God, waarin wij uitgenodigd worden zo te kijken
en te handelen als de Eeuwige dat doet. Daarom bewaren wij ook het woord
van Jezus dat hij niet gekomen is om Wet en Profeten op te heffen, maar
juist tot vervulling te brengen. In de wijze waarop Jezus met mensen en
de wereld omgaat komen de woorden uit de Schrift werkelijk tot leven,
want zij zijn uiteindelijk te herleiden tot het belangrijkste gebod 'hebt
elkander lief'. Dat is Wet en profeten!
Gebaren, rituelen zijn geen loze inhoudsloze zaken maar kunnen voor ons
mensen een voertuig worden om te leven voor het aangezicht en in de aanwezigheid
van de Eeuwige. Zij vormen een hulpmiddel om weer tot ons diepste innerlijk
in te keren. Zoals iemand eens opmerkte die ik tijdens een meditatieve
oefening herhaaldelijk had laten buigen dat in hem het besef ontwaakte
dat God geen geweldadige figuur is voor wie je je slaafs moet buigen,
maar een werkelijkheid waar wij ons al buigend van bewust worden. Zo is
ook de eerbied die wij kunnen betonen voor een icoon een hulpmiddel om
die verborgen werkelijkheid van God bewust te worden en onszelf te realiseren
wie wij werkelijk zijn en wat ons echt beweegt. Ware godsdienstigheid
in woord en gebaar is al luisterend en verstillend thuis komen in je eigen
ziel en van daaruit weer herboren worden en nieuw naar onze wereld en
elkaar kijken. Dan zal in ons ontwaken een gelouterd hart dat barmhartig
is voor anderen, dat weet te lijden met wie treuren en begaan is met wie
honger lijden of geen vrede kennen. Het zijn mensen die het kind in zichzelf
niet vermoord hebben maar elkaar durven liefhebben in goede en kwade dagen
omdat wij allen ten diepste kinderen van de Allerhoogst zijn!
Henk Jongerius, 3 september 2006
|
|
|
23e zondag door het jaar
1 ste lezing: Jesaja 35,4-7a
2de lezing: Marcus 7,31-37
Onze eerste reactie op dit verhaal is waarschijnlijk
dat we aan anderen denken: aan mensen die doof zijn voor onze argumenten
en zichzelf maar gebrekkig kunnen uiten. Het lijkt mij beter onszelf te
identificeren met deze mens die doof is en gebrekkig spreekt.
Wie van ons zou niet aangesproken willen worden met : 'effata, ga open'?
Opengaan voor jezelf, voor God, voor anderen. Doorzichtig, transparant
worden voor jezelf, voor God, voor anderen. Zo communiceren dat in ons
verwarrende en chaotische leven een echt gesprek ontstaat, een dialoog,
een plek van echte communicatie. En daarmee een veilige plaats, van waaruit
je verder kunt en van waaruit anderen hun leven op een goede koers kunnen
zetten. Maar hoe moeilijk is het onderlinge gesprek. Iets vragen doen
we vaak zo gebrekkig. En we horen soms vragen niet als vragen.
De ontmoeting met Jezus vindt plaats in het hart van een heidense streek,
waar men de woorden van Mozes, het verhaal van God met de mensen, de taal
van de liefde, nog niet kent. Kennis maken met dit verhaal helpt om te
spreken, roept daartoe op, overbrugt de onbekendheid en de haat tussen
mensen.
Verder: Jezus haalt hem weg uit de menigte. De man is mede doof en krijgt
geen gelegenheid om te spreken omdat hij omringd is door, de gevangene
is van de menigte, van het 'men', van wat iedereen behoort te zeggen,
te denken. Hij mist zelfstandigheid, hij wordt opgeslokt door zijn omgeving,
de massa.
We horen tot een groep en dit maakt communicatie vaak ingewikkeld. Want
er zijn verschillende codes, gewoonten in gebruik. Bijvoorbeeld: in ons
land zeg je bij een bezoek: 'wat een leuk huis', en je gastheer/vrouw
legt uit waarom het huis zo leuk is. Kom je in Engeland en doe je hetzelfde,
dan moet jij vertellen waarom het huis zo leuk is.
Een ander voorbeeld: wij laten in Nederland de koektrommel rondgaan en
sluiten hem dan: de koekjes mochten eens oud worden. In Duitsland laat
men de trommel open:
|
iemand mocht nog een tweede koekje willen. Heel simpele
voorbeelden van situaties die tot misverstanden kunnen leiden. Je doofheid
en jezelf uitdrukken wordt heel moeilijk in bijv. het midden oosten. Gaat
het daar om terroristen of om vrijheids-strijders? Elk woord is een eigen
perspectief: [zie J. Luyendijk "Het zijn net mensen" pag.133.]
Er zijn andere meer individuele belemmeringen. De verwachtingen over en
weer kunnen heel verschillend zijn. Je kunt iets hartelijks zeggen en
de ander vat het op als een belediging. Je hoort niet goed, je spreekt
niet goed. Mensen vinden je aardig en komen dichtbij. Daarvan schrik je
en je trekt je terug. Wat de een als bevrijdend ervaart, ervaart een ander
als bedreigend.
Misschien is die stevige mens die voor je staat, van binnen heel onzeker:
mag ik er wel zijn? Misschien maskeert zijn stevigheid of juist bescheidenheid
diepere belemmeringen, onzekerheid, angst, gebrek aan zelfwaarde. Daarom:
ga open, effata. Leer luisteren, leer spreken, leer de dingen te zien
vanuit het gezichtspunt van de ander, vanuit de levenservaring, achtergrond
en het hart van de ander.
Open en doorzichtig worden betekent niet in je hemd staan, of dat alles
publiek eigendom is. Neen, ook wanneer je open bent naar anderen toe,
blijft de ander altijd een mysterie, een geheim en jij blijft dat voor
de ander en ook voor jezelf. Er is altijd meer van jezelf dan je kunt
openbaren. Je groeit en verandert. Dat geldt ook voor de ander. Er blijft
iets te verwachten.Temidden van onzekerheid en chaos bouw je met anderen
een plaats van betrekkelijke zekerheid, van gesprek, van verstaan, van
horen en spreken.
Je kunt cursussen volgen in spreken en verstaan - dat helpt. Maar iedereen
zit zo vastgebakken aan verleden, achtergrond, belangen, dat een doorbraak
van buiten nodig is. Een bovenmenselijk, goddelijk gebaar en woord zijn
nodig: 'effata, ga open'. Nog heel vaak zal dat woord herhaald moeten
worden. Want er zitten vele sloten op onze kerker.Soms wordt het óns
gegeven dat wij tegen een ander kunnen zeggen 'ga open', en het wonder
geschiedt: de ander gaat open.
Kunnen horen en spreken is altijd een wonder. Dan gebeurt iets van wat
Jesaja beschrijft: er komt zicht, waterstromen splijten de woestijn van
ontoegankelijkheid, het verzengde land wordt een waterplas, waar onbegrip
is en verlamming schept de liefde nieuwe taal, nieuw leven. Mogen ook
wij dit ervaren.
André Lascaris o.p.
|
|
|
24e zondag door het jaar
1ste lezing: Jesaja 50,5-9a
2de lezing: Marcus 8,27-35
"Er was eens" zo beginnen sprookjes. Die
gaan over het verleden, want je moet weten, dat het goed afloopt.
"Als we dit doen, dan zal de toekomst goed zijn", zo spreken
de profeten en ze hopen, dat mensen naar hen luisteren en dat daarom die
toekomst goed zal zijn.
In sprookjes komt vrede voor. In profetieën zal vrede komen. De komende
week is het vredesweek en zal er een vredesfabriek draaien in Huissen.
Leerlingen van de zevende en achtste groep zullen die fabriek bezoeken
om te zien wat ze kunnen doen om vrede te maken. Ieder van ons is daar
in de avonduren ook welkom. Daarvoor moeten ogen en oren open zijn.
Dat vertelde Jesaja ook. "God, de HEER, heeft mijn oren geopend en
ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd." Hoe kwam
die dienaar tot zijn stevige geloof? Hij kon het woord van God horen.
Gods Woord horen is de bron van kracht en voortdurend geloof. Wij doen
het omdat God ons geloof heeft gegeven. Dat heeft gevolgen voor ons leven.
Geloven zorgt er niet voor, dat er geen lijden is. Maar wij geloven, dat
ook in het lijden God aanwezig is. Je hebt van die mensen, die denken,
dat God ons straft als we lijden. Zo dacht Jesaja niet. Wij komen hier
bij elkaar, want ook wij geloven in Gods trouw. We zijn dankbaar, dat
ook onze oren geopend zijn voor Gods Woord.
We hoorden in de eerste lezing de trouwe dienaar al zeggen, dat slechte
dingen plaatsvonden. Toch bleef hij of zij geloven dat God met hen was
en hen door de moeilijkheden heen zou helpen. In het Evangelie volgens
Markus is Jezus de trouwe dienaar en noemt Petrus hem de gezalfde van
God, de Messias. Maar even later vertelt Jezus aan de leerlingen en dus
ook aan Petrus, dat lijden en sterven hem wacht van de kant van de religieuze
leiders, "de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden."
Stel je voor hoe verbouwereerd Petrus is. Hoe kon iemand zo gezegend zijn
door God, ja de Messias zelf zijn en toch lijden en sterven? Petrus dacht:
goede mensen moesten door God geholpen worden.
Hij ging verder met denken. De Messias was precies degene, die dingen
goed moest maken voor mensen die allang in de puree zaten en in ieder
geval niet zelf lijden en sterven. Hoe kon het dan dat de vertegenwoordiger
van God maar niet aanvaard werd door de leiders? Hoe was het mogelijk
dat de mensen hun hart niet gaven en hun vertrouwen niet stelden in Jezus?
Erger nog hoe kon het dat God zijn eigen geliefde zoon liet lijden en
verworpen worden? Was de Messias niet degene die per slot van rekening
de dingen recht zou zetten en de orde van God zou brengen in een chaotische
wereld? Was het niet zo, dat de Messias gevangenen vrij zou maken en mensen
vrijheid geven die verdrukt werden? Wat is dat allemaal voor gepraat dat
"de Mensenzoon veel zou moeten lijden?"
|
Wie kan het Petrus kwalijk nemen dat hij verbaasd is en wil verhinderen
dat Jezus die weg neemt? Zou God echt de heler en de wonderdoener Jezus
een mislukking laten worden? En dan. Hoe zou het verliezen van mijn leven
omwille van Jezus en het evangelie in feite er voor zorgen, dat dit leven
behouden blijft? Petrus moet hebben gedacht, dat Jezus nonsens uitkraamde.
In de visie van Petrus klopte dat niet. Dat is misschien ook het geval
als wij vandaag Jezus die dingen horen zeggen. Misschien delen we de verbaasdheid
en de visie van Petrus, want we leven in een wereld, waarin reclame wel
eens zegt: "Grijp wat je grijpen kunt." Het gaat tegen de menselijke
logica in en het heeft geen betekenis om jezelf te minachten en je leven
te verliezen, tenzij we leerlingen van Jezus zijn. Dan kunnen we proberen
de goddelijke logica te begrijpen die Jezus ons vandaag vertelt.
Het is duidelijk dat we op een belangrijk punt in het evangelie volgens
Markus zijn gekomen. Jezus richt zijn attentie op een duidelijke vorming
van zijn leerlingen. Van nu af aan zullen ze beter begrijpen wat het betekent
om leerling te zijn; Jezus geeft hun inzicht. Eerder had hij de blinde
man in Bethsaida genezen. Nu zorgt Jezus voor een andere blinde man: Petrus.
Hem zal Jezus geestelijke dingen laten zien, net zoals hij aan de andere
gewone dingen liet zien. Trouwens die genezing ging niet van een leiendakje;
het duurde even. Petrus en de andere leerlingen hebben ook de voortdurende
zorg van Jezus nodig om echt te zien en zijn volgelingen te worden.
Het is bemoedigend te weten dat hoewel Petrus helemaal niet begreep wie
Jezus was en wat hij kwam doen in de wereld, Jezus het niet opgaf. Hij
ging niet kijken naar betere kandidaten. Markus laat zien dat leerling
worden tot gevolg heeft, dat we tot inzicht komen, dat we van blind ziende
worden. Een van onze redenen om hier in de kapel te komen, kan zijn dat
Jezus ons op die manier nog eens kan leren hoe we ons als leerling moeten
gedragen in ons dagelijks leven. Dan vragen we om steeds weer door hem
aangeraakt te worden en we geven ons leven over aan een manier van leerling
zijn zoals Jezus ons dat toont. Zo wordt ons inzicht verbeterd. Of om
de woorden van Jesaja te gebruiken: God opent onze oren, opdat we mogen
horen.
Al die vragen van Jezus over 'Wie zeggen de mensen dat ik ben?' 'En wie
ben ik volgens jullie?' zijn geen vragen om onderweg de tijd te vullen.
Ze zijn op weg naar Jeruzalem, waar alles dat Jezus vertelt werkelijkheid
zal worden. De vlugge antwoorden van Petrus lijken correct, maar we horen
dat het echte antwoord veel meer omvat. Petrus en de leerlingen moeten
het nog een poosje stil houden; ze hebben nog veel te leren. Het is wel
duidelijk op dit punt, dat Jezus zegt, dat hij geen snelle oplossing biedt
voor de problemen van de mensen.
Hij zal menselijke pijn en dood aanvaarden voor anderen en inzicht geven
aan wie hem volgen. Hij nodigt ons uit om niet te blijven denken aan wat
hij voor ons zou kunnen doen en hem te aanvaarden zoals Markus hem laat
zien, als iemand die het kruis op zich neemt en ons uitnodigt om hem na
te volgen. Dit evangelie vertelt ons dat de goddelijke logica meer betekenis
heeft dan de menselijke en dat het ons een leven aanbiedt dat we nooit
op onszelf zouden kunnen bereiken. Laten we op die weg doorgaan!
Antoon L. Boks o.p.
|
|
|
25e zondag door het jaar
1ste lezing: 1 Koningen 19,1-15+19+21
2de lezing: Marcus 9,30-37
Het verhaal over Elia, dat we in de eerste lezing hebben
gehoord, lijkt nogal duidelijk. Elia is de profeet van God in Israël
in een tijd, waarin de samenleving, zoals dat meestal gebeurt, wordt bepaald
en geregeerd door economische wetten en belangen. Ook kerk en God worden
daaraan ondergeschikt gemaakt. In de dagen van Elia zeiden ze dan dat
de mensen afgodendienst bewezen aan de Baäl. Baäl betekent heer.
Dat klinkt tamelijk onschuldig, maar er wordt bedoeld dat de mensen zich
van een godsbeeld bedienden, dat van pas kwam bij hun levenswijze. Ieder
mens heeft zijn godsbeeld, ook degene, die meent niet in God te geloven.
Je gelooft niet in God omdat je van een bepaald beeld of veronderstelling
omtrent God uitgaat. Nu had Elia op de berg Carmel 450 priesters, die
Baäl waren toegedaan, ter dood laten brengen. Deze priesters waren
een symbool. Hun eredienst gold de producten van de consumptiemaatschappij.
Ze waren als het ware trendsetters in een wereld, die zich uitstrekte
vanaf de dagelijkse levensbehoeften tot en met een rijk arsenaal aan vertier.
Tot dit laatste moeten we ook een veelheid aan religieuze verschijnselen
rekenen, waar goden en godinnen er voor zorgden dat godsdienst in de pas
liep met de economische belangen van het land. Elia heeft de leegheid
van zo'n levensinstelling te kijk gesteld. Maar dat schoot uiteraard in
het verkeerde keelgat bij de bewakers en belijders van het economisch
denken en handelen. Koningin Izebel, die zelf niet tot het volk van Israël
behoorde, werd razend op die eigenzinnige Elia en liet hem weten dat ze
hem ter dood zou brengen. Zij was een dochter van Tyrus, dat in die dagen
een belangrijk economisch handelscentrum was. Daarop wordt Elia bang en
vlucht naar de woestijn. Na verschillende ervaringen op zijn vlucht vindt
dan de ontmoeting plaats tussen hem en God, die zijn klachten aanhoort
en hem tenslotte weer weg stuurt om zijn werk voort te zetten.
Maar wat doe ik nu met zo'n bijbels verhaal,
. met de nadruk op
bijbels? Ik heb vanaf deze plaats al eens eerder opgemerkt, dat ik voor
het verstaan van dit soort menselijke reacties geen bijbel nodig heb.
Wie wordt er niet bang als je met de dood wordt bedreigd wegens jou politieke
en religieuze opvattingen? De wereld is vol met mensen, die juist daarom
op de vlucht zijn. Onze tijd kent meer ontheemden dan ooit eerder het
geval was.
Wat houdt dit verhaal over Elia voor een belofte in? Wat is het perspectief?
Voor het antwoord moet ik u eerst naar Mozes verwijzen. Mozes, de vriend
en kameraad van de Aanwezige, is niet alleen de grote leider van Israël
geweest in de dagen van zijn onderdrukking en bevrijding. Hij is ook het
symbool geworden van de Tora, de richtingwijzer van Godswege aan allen,
die naar God willen horen, van Gods goede woorden en trouw aan het verbond
van de Sinaï willen leven.
Zo is Elia het symbool geworden van de profeten van Israël, van Gods
spreken tot zijn volk, om het terug te voeren naar de oprechte levensweg
als het voor de zoveelste keer weg dwaalde van het verbond. Mozes is de
wet, de richtingwijzer naar goede tijden. Elia is de profetie, de roepende
God naar een dwalend volk. De ziel van Elia ís profeteren, ís
wijzen naar Gods spreken in deze wereld. Pas als we dít verstaan
kunnen we hem volgen op zijn weg naar de woestijn.
Elia weet dat met zijn dood de profetie, dus het spreken van God in Israël
zal uitsterven. 'Ze zoeken mijn ziel te doden', roept hij uit. Dat is
de noodkreet van een verkondiger, die er heilig van overtuigd is, dat
de mens zonder Gods aanwezigheid niet kan worden gered uit het concentratiekamp
van deze wereld. Daarom gaat hij terug naar de woestijn, waar het allemaal
is begonnen. Hij legt zich neer onder de enige bremstruik, die er is.
Dat is de struik, waar het op aan komt. Die heeft gebrand van liefde,
want daar is God aan Mozes verschenen. Daar wordt hij opnieuw gevoed.
Uit kracht van dat voedsel kan hij veertig dagen verder trekken, zoals
eens Gods volk veertig jaren door de woestijn is getrokken. Tenslotte
komt hij aan bij de Sinaï, die hier de Horeb wordt
|
genoemd. Horeb betekent dorheid, droogte, want voor Elia is de wereld
van God verduisterd, nu zijn spreken, zijn ziel, dreigt te worden overschreeuwd,
en het verbond op instorten staat. Dat schreeuwt hij ook uit als God hem
vraagt: Elia, wat kom je hier doen? En kort samengevat zegt Elia eigenlijk:
er blijft niets over van jouw werkelijkheid, God!
Kom hier, zegt God, en ga staan in de spelonk, waar ik aan Mozes ben voorbij
gegaan. Tegenover de drievoudige klacht van Elia klinkt vervolgens het
drievoudig antwoord van God. Twee ervan komen we tegen in het boek Exodus:
de geweldige stormgeest, die de zee uiteen heeft gedreven, waardoor Israël
droogvoets aan de slavernij ontkomt. Het beven en het vuur herinneren
aan het verbond bij de Sinaï, waar voorafgaande aan de tien woorden
God aanwezig komt op de berg, die werd omhuld door vuur en beven. In deze
tekenen is God niet langer. Ze zijn immers geweest. Eens heeft God zijn
volk uitgeleid. Dat zal altijd zo blijven. Eens heeft God met zijn volk
een verbond gesloten. Dat zal altijd zo blijven. Dat hoeft niet opnieuw
plaats te vinden. Voor deze tekenen staat Mozes, de wet of de Tora. God
keert nooit op zijn schreden terug. Maar wij zijn de mensen van het heden.
Wij weten van Mozes en van Gods beloften. Dat wel! Maar als we rondzien
in de wereld, waartoe wij behoren, gewild of ongewild, vragen we ons hetzelfde
af als Elia. Alles lijkt te verdwijnen of te worden vergruizeld. Waar
is de profetie? Waar is het spreken van God? Het antwoord aan Elia én
aan ons geeft het derde teken.
Daar trekt een ruisende stilte of een stil spreken of een zwijgend gesuis
aan hem voorbij. Dan dringt het tot Elia door. Hij bedekt zich geheel
en al met zijn profetenmantel. Ziet u het voor u? Teruggekeerd tot het
punt, waar God met zijn volk een lange weg is begonnen, dringt het tot
hem door, dat het spreken van God niet kan worden tegengehouden door wat
mensen vinden of niet vinden. Het spreken van God is als een verfrissende
bries. Maar dan moet je niet binnen blijven, anders bespeur je het niet.
Je moet naar buiten. Je moet de grenzen van het vanzelfsprekende achter
je laten. Je moet gevoelig worden voor de ontdekking, dat de mens niet
het laatste woord heeft, of alles kan maken wat hij wil, of alles zal
kunnen verklaren van wat zich voordoet, of over zo'n groot vermogen zou
beschikken, dat hij de toekomst tenslotte zal kunnen meten en beheersen.
Wie het daarbij laat of meent dat het voldoende is om het leven te doorgronden
gedraagt zich als iemand, die altijd binnen zit en klaagt dat het zo koud
of zo warm is; die nooit eens een flink stuk gaat lopen of wegduikt in
een portiek als het begint te regenen. Zo'n mens is als iemand, die dermate
is geobsedeerd van zichzelf, dat hem alles ontgaat van wat buiten hem
gebeurt. Het spreken van God, het profeteren, ja leven als een profetie,
is zonder geweld. Het debatteert niet zoals mensen debatteren. Het wil
anderen niet monddood maken. Het tracht niet zijn gelijk binnen te halen
door anderen te elimineren. Wie dit ruisen wil vernemen en verstaan, moet
kunnen verstillen, durven wachten, zich overgeven én
leren
incasseren. Het ruisend spreken van God gedraagt zich niet als een reclameboodschap,
het behoeft geen lawaai of geluidsboxen. Het mengt zich ook niet in de
race naar altijd meer, beter, hoger, sneller.
Als God Elia voor de tweede keer vraagt: 'wat kom je hier doen?' antwoordt
de profeet met dezelfde woorden als de eerste keer. Maar nu is het zonder
vrees. Nu stelt hij vast, dat de mensen altijd zullen voortgaan met het
schenden van Gods verbond, het verloochenen van de goede woorden van de
Sinaï en het minachten van de profetie. Nu kan God hem terugvoeren
naar zijn eigenlijke opdracht. Hij moet opnieuw de weg bewandelen, die
hij in trouw aan God steeds is gegaan. En Elia gaat. Hij is oud geworden
op de weg. Dan ontmoet hij Elisa, en hij weet, dat een jongere mens, een
andere tijd en een nieuw verstaan van Gods ruisend spreken zijn aangebroken.
Dan legt hij zijn profetenmantel Elisa om de schouders.
Op deze dag is het verhaal van Elia's noodkreet om het behoud van de profetie
voor mij vervuld. Er zal altijd een Elisa komen. Het ruisend spreken blijft
bestaan. De profetie is onsterfelijk. Profetisch leven kan door de wereld
niet worden weggenomen. De religieuze vormgeving daarvan zal zich steeds
vernieuwend blijven aandienen.
Ernst Marijnissen o.p.
|
|
|
26e zondag door het jaar
1ste lezing: Numeri 11,25-29
2de lezing: Marcus 9,38-48
Bij wijze van service aan de voorganger en de predikant voegt de uitgever
van de zondagsliturgie een kleine uitleg toe van de lezingen. Aan het
eind van de verklaring van het evangelie staat er nu te lezen: "Aangezien
de eer-ste lezing gekozen is in verband met het eerste deel van de evangelielezing,
kan het weerbarstige tweede deel in de verkondiging eventueel buiten be-schouwing
worden gelaten." Inderdaad, weerbarstig zijn de verzen, de laatste
regels over de opzettelijke verminking omwille van het Rijk Gods, om niet
te zeggen: ze klinken stuitend en misselijk makend. Dat hij dit niet letterlijk
bedoeld, moge duidelijk zijn. Maar als Jezus tot driemaal toe zo'n weerbarstige
uitspraak doet, moet hij wel ons iets heel belangrijks willen vertellen,
iets dat we ons goed moeten realiseren en ernaar leven. En tege-lijk:
heeft Jezus harde woorden iets van een waarschuwing aan ons adres. het
gaat om iets waar je zo met open ogen in de fout kunt gaan: zie het ge-vaar,
veronachtzaam mijn woorden niet, neem het serieus.
De sleutel tot het verstaan van wat dat iets dan kan zijn lijkt mij te
liggen in de leefregel: Wie niet tegen ons is, is voor ons. Het klinkt
zo simpel en vanzelfsprekend, ja zelfs, niets liever dan dat. maar de
praktijk leert, dat het niet zo simpel is en zo vanzelfsprekend. Een eerste
voorbeeld ervan hoor-den we al in de eerste lezing. Om het werk van Mozes
te verlichten stelde God voor dat hij zeventig oudsten aanstelt tot leiders
van het volk. In de tent van de samenkomst ontvingen zij de Geest van
God. Twee uitgekoze-nen waren er niet bij maar ook zij ontvingen de Geest.
In de gedachtegang van Jozua en wellicht vele anderen komt het profeteren
exclusief toe aan degenen die in de tent waren. Zij zagen er het gevaar
in voor het leider-schap van Mozes en henzelf, een aantasting van hun
gezag en hun nieuw verkregen privileges. Het kwam hen voor dat de twee
zich eerder tegen hen keerden dan voor hen. Maar Mozes gaat er niet op
in. Hij stelt geen gren-zen aan Gods Geest. Integendeel: Ik zou willen,
dat de Heer zijn Geest legt op heel het volk.
Een tweede voorbeeld zien we in het evangelie van vandaag. Johannes heeft
bemerkt dat iemand die niet tot hun groep behoort in Jezus' naam duivels
uitdrijft. Hij maakt zich daar kwaad over. Hij wilde het hem belet-ten
en als dat niet lukt, via Jezus zelf. Maar Jezus gaat er niet op in, zoals
Johannes gehoopt had. Kort en goed gezegd: "Wie niet tegen ons is,
is voor ons."
|
Johannes probeert de invloed van Jezus te beperken tot ons, dat wil zeggen,
tot de gemeenschap rond Jezus, zijn volgelingen. Hij begrenst het helende
dienstwerk van Jezus. Het trekt het naar zich toe. Hij kan het niet verdra-gen,
dat anderen doen wat alleen hem en de zijnen toekomt en over de zelf-de
mogelijkheden beschikt om heil te bemiddelen. Maar hij is het niet de
enige die er zo over denkt. Zelfs de kerk ging in de fout. Eeuwenlang
tot voor heel kort heeft in de kerk het woord gegolden: Buiten de kerk
geen heil. Ongedoopten komen in het voorgeborchte. De kerk eigende zich
de monopoliepositie van de waarheid op, de sleutelmacht over hemel en
hel, over heil en verdoemenis. En wat eeuwenlang door de kerk is verkondigd
en geloofd, dat is ook in onze genen gaat zitten en beïnvloedt ons
oordeel.
Was dit misschien het gevaar dat Jezus vreesde voor de toekomst? Wilde
Hij ons hiervoor waarschuwen met zijn leefregel: Wie niet tegen ons is,
is voor ons? Er is ook heil buiten de kerk. Is het om ons te overtuigen
dat Hij het anders ziet en van ons anders wil, dat hij daarom opzettelijk
zijn weer-barstige uitspraken deed?
We horen Jezus daarbij spreken over de goede weg en over de verkeerde
weg. De goede weg is de weg van de liefde, van de vrede, van recht en
ver-zoening. Die boodschap klinkt door al de vier evangeliën heen.
De goede weg is een beker water te drinken geven aan de dorstige. De goede
weg is het welzijn van anderen bevorderen, geen struikelblok leggen, uitzicht
bie-den op leven, op een Rijk van vrede en gerechtigheid. Ieder andere
weg is voor wie Jezus volgt de verkeerde weg. De verkeerde weg is de weg
van de uitsluiting, van de intolerantie de weg van het toe-eigenen van
macht, van privilegies, van de waarheid de weg van weigering anderen te
spreken die niet je geloof delen de weg van de ontkenning, dat heel veel
goeds en heil buiten de kerk gebeurt. Want weet: het is niet zo, dat alleen
Jezus' volge-lingen de goede weg volgen. Dat gebeurt door velen, ook door
hen die Je-zus niet kennen. Ook zij bemiddelen het heil en waag het niet
te zeggen, dat zij tegen ons zijn, zo meen ik de krasse woorden van Jezus
te mogen in-terpreteren. Je knaagt immers aan de wortels van het evangelie,
de kern van Jezus' boodschap. Jezus weigert dan ook zijn volgelingen een
alleenver-kooprecht te geven waar het gaat over wie het Rijk Gods, of
het leven mag binnengaan. Zo klinkt voor mij de boodschap in die weerbarstige
uitspra-ken van Jezus.
Volgeling of niet, het komt erop aan wat je doet en wat je zegt. Liggen
bei-de in de lijn van wat Jezus heeft verkondigd dan draagt hij/zij bij
aan de komst van het Koninkrijk Gods. Hij/zij gaat de goede weg, de weg
die Je-zus zelf heeft bewandeld. Amen.
Paul Minke o.p.
|
|
|
27e zondag door het jaar
1ste lezing: Genesis 2,18-24
2de lezing: Marcus 10,2-16
De bijbel begint met ons te vertellen, dat God de mens
schiep als zijn evenbeeld,
mannelijk en vrouwelijk schiep God de mensen, aldus het scheppingsverhaal.
De mensen kregen de opdracht de aarde te bevolken, en te heersen over
de vissen, de vogels en alle dieren op de aarde. Daarna begint God weer
opnieuw, een tweede scheppingsverhaal, waarvan we net een deel hoorden.
We hoorden: God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is.
Tegen de achtergrond van het eerste scheppingsverhaal wordt duidelijk,
dat met deze woorden iets anders bedoeld is dan vaak gedacht wordt. Het
is niet goed dat de mens alleen is betekent veel meer dan: zoek je een
partner van het andere geslacht want anders wordt je niet gelukkig. Veel
mensen denken inderdaad, dat je in een klooster bijvoorbeeld niet gelukkig
kunt worden. Tig maal is mij gevraagd:
is het niet vreselijk moeilijk om niet getrouwd te zijn? Mocht iemand
van jullie zich dit momenteel afvragen: naar mijn ervaring is dit leven
moeilijker noch makkelijker dan met een partner leven.
Het voor de tweede keer scheppen van man en vrouw is ook niet bedoeld
om rangorde aan te brengen tussen man en vrouw. Dat een vrouw voortkomt
uit de rib van een man staat er niet; uit dit verhaal concluderen dat
de man er eerder was dan de vrouw is onzin. In het evangelie rekent Jezus
af met het hardnekkige misverstand, dat de man meer waard is dan de vrouw.
Ten tijde van Jezus mochten mannen wel een vrouw verstoten, maar andersom
was uit den boze. Met te stellen: "als zij haar man verstoot en met
een ander trouwt, pleegt zij overspel" haalt Jezus de man van zijn
voetstuk en zet hij de vrouw op haar plaats, niet onder of boven, maar
naast de man.
De jongelui uit Nijeveen, onze gasten in Onder de Pannen, hebben dit weekend
aan den lijve ervaren, wat bedoeld wordt met de woorden: het is niet goed
dat de mens alleen is. Het heersen over de vissen, de vogels, alle dieren,
kan de mens in de verleiding brengen zich als God te gedragen. God is
echter uitzonderlijk. Ieder mens is uniek, maar niet uitzonderlijk. Vandaar
het diepe verlangen in mensen naar gezelschap. Als er dit weekend waren
geweest, ook al was het maar één van jullie,
voor wie geen aandacht was, die buitenspel stond, dan was dit weekend
voor geen van jullie gezellig geworden. Hetzelfde geldt, als één
van jullie alle aandacht had opgeëist, zich als een god had gedragen.
|
Het is niet goed dat een mens alleen is maakt duidelijk,
dat wij geen god zijn en ons ook niet zo hoeven gedragen. Mensen hebben
gezelschap nodig, gezellen met wie je lief en leed deelt. De verleiding
om jezelf boven anderen te verheffen kennen we uit eigen ervaring. Het
verlangen om met een speciale partner je leven te delen is en was vele
malen groter dan het verlangen om kloosterling te worden.
Vandaar, dat de verleiding om jezelf te verheffen uitgewerkt wordt vanuit
een tweerelatie. Laat ik het vandaag eens omdraaien. Ook als een kloosterling
uittreedt is dit dramatisch. Wie actief of passief meewerkt om zijn medebroeder
buiten te orde te zetten, of wie zelf zijn medebroeders of zusters in
de steek laat, pleegt verraad aan de eigen roeping; wat God heeft verbonden
mag een mens niet scheiden.
De Farizeeën schipperen en proberen Jezus te verleiden partij te
kiezen, maar Jezus reageert origineel. Wat kan en niet kan is hem te oppervlakkig.
Jezus vraagt dieper, naar het doel, de oorsprong van wetten en regels.
Mensen hebben allen dezelfde oorsprong: we komen uit Gods hand, zijn in
wezen één en worden tot die eenheid,
tot verbondenheid geroepen. De man - vrouw relatie, het huwelijk is een
vorm van die levenseenheid. een prachtige vorm, want in deze vorm kan
overtuigend zichtbaar worden wat er gebeurt, als een mens zijn oorsprong
volgt en zich hecht aan een ander. Je kunt de schepping tot leven zien
komen; in een nieuwe mens, een kind, de vruchtbaarheid zien van jezelf
overgeven in verbondenheid.
De levenseenheid waarvan in het scheppingsverhaal sprake is beperkt zich
niet tot het verbond tussen man en vrouw. Het perspectief is veel groter;
God gaat het om de eenheid tussen alle mensen. Het koninkrijk van God
waar Jezus over praat, is een rijk, waarin mensen naast elkaar staan,
als zussen en broers, die vanzelfsprekend voor elkaar opkomen.
Wat God heeft verbonden mag een mens niet scheiden, en scheiden doen we
helaas allemaal en regelmatig: als we de ander laten vallen, in de kou
zetten, omdat we geen raad met hem weten bijvoorbeeld; haar gek of abnormaal
vinden en daarom uit de weg gaan. Vanuit God gezien kun je en moet je
mensen onderscheiden; geen mens is hetzelfde, ieder mens is uniek, enig,
en als zodanig Gods oogappel. Daarom kun je mensen niet opdelen in hoger
en lager, meer of minder waard. Vandaar de scherpe reactie van Jezus,
als zijn leerlingen niet toelaten dat men kinderen bij hem brengt. Kinderen
telden in die tijd niet mee omdat ze letterlijk nog niets waren, totaal
afhankelijk van hun ouders. Zo zijn wij totaal afhankelijk van God.
Zijn koninkrijk moeten we niet verdienen; dat zou ook niet kunnen. Gods
koninkrijk hoeven we niet te verdienen; God zal het ons schenken, zoals
wij onze kinderen geven, wat deze nodig hebben.
Theo Koster o.p.
|
|
|
28e zondag door het jaar
1ste lezing: Wijsheid 7,7-11
2de lezing: Marcus 10,17-30
Twee rijke mensen! Wat is het verschil tussen die man
die de wet onderhoudt, maar geen afstand kan doen van zijn rijkdom en
dus zijn bezit houdt en Petrus, die de wet onderhoudt en eigenlijk ook
rijk is, want hij krijgt alles honderdvoudig terug van wat hij eens had
opgegeven? Is Petrus eigenlijk gewoon een betere investeerder? Heeft hij
meer durf? En hoe zit het met ons? Moeten wij ons morgen bij de makelaar
melden om ons huis te verkopen en het geld vervolgens wegschenken?
We voelen allemaal aan dat er een verschil is tussen de rijke man en de
toch ook rijke Petrus. Het geheim zit in een woordje dat er niet staat.
Een woord dat ontbreekt is de sleutel tot het antwoord. Petrus vraagt
impliciet: wat zal mijn toekomst zijn? Jezus belooft hem eeuwig leven,
dwz een leven in verbondenheid met God over de dood heen zelfs, en nu
al, in dit leven, het honderdvoud van wat hij heeft opgegeven. Maar één
zaak krijgt hij niet terug: zijn vader. Daarmee wordt niet gedoeld op
de biologische vader van Petrus die Jona heette, maar op het vaderlijk
gezag, op degenen of instituties die macht uitoefenen, dwang opleggen,
controleren en heersen. Vadertje 'staat', of vadertje 'economie', of vader
'misbruik'. Die macht die je onderdrukt en je vrijheid ontneemt krijg
je niet terug.Je hebt slechts één Vader, de Vader in de
hemel, God, geen dictator.
De man die alle geboden onderhoudt, zoekt zekerheid door de geboden te
onderhouden, en de zekerheid van het bezit. Hij speelt op 'safe'. Hij
heeft voldoende en is zichzelf voldoende. Hij heeft niemand nodig. Hij
zoekt het eeuwige en vindt dat in rijkdom, wil verzekerd blijven van rijkdom.
Deze ontstaat dankzij macht, oefent macht uit, eist vermeerdering, meer
geld, meer macht.
Maar juist dat jezelf genoeg zijn, geen verantwoording hoeven af te leggen,
de macht hebben van het geld, maakt het schier onmogelijk te leven in
verbondenheid met God. Je stelt geen vertrouwen in God, maar je bent hoogstens
een vriendelijke machtige buurman of zelfs concurrent van God die altijd
opkomt voor de machtelozen. Je komt niet door het oog van de naald heen.
.
Petrus is op een heel andere manier rijk. Hij heeft alles opgegeven, en
het was de
|
ervaring van de eerste christenen, dat zij er veel
voor terugkregen. Alleen de rijken en zij konden verre reizen maken, kwamen
nooit iets te kort, vonden altijd een dak boven hun hoofd, vriendschap
en zorg. Want overal waren er wel christenen die hen opnamen. En ook toen
Jezus rondzwerf in Galilea kwamen ze nooit tekort dankzij de hulp o.a.
van enige vermogende vrouwen.
Petrus bezat niets, maar kreeg alles. Hij had niet de (vaderlijke) macht
van iemand die rijke bezittingen heeft, maar hij had de rijkdom van de
mens die ontvangt, de mens die weet zichzelf niet genoeg te zijn, de mens
die zijn vertrouwen stelt op de barmhartigheid van medemensen en van God.
'Hij was arm en maakte velen rijk, bezat niets maar had alles.' (2 Kor
6, 10) .
Zoiets heb ik als Dominicaan ook vaak ervaren, vooral op reis. Je komt
in een ander klooster, je wordt ontvangen, krijgt een sleutel, kamer,
te eten, belangstelling vaak - voor niets. Ik had niets om weg te geven
toen ik intrad. Maar ik vroeg om Gods barmhartigheid en die van mijn toekomstige
medebroeders, en die kreeg ik. Mensen benijden me er soms om, en dan zeg
ik: doe zoals ik: probeer geen macht te verwerven of rijkdom, en je kunt
een rijk mens worden. Je 'kunt'
, je kunt ook altijd een grote egoïst
worden.
Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ook nu zijn er nog steeds mensen, individuen,
maar ook echtparen, die inderdaad alles opgeven en met anderen een nieuwe
gemeenschap of project beginnen.Toen Jezus de man zei alles op te geven
en uit te delen, leidde hij een zwervend bestaan. Wij kunnen vaak niet
alles opgeven, omdat we verplichtingen hebben aan anderen. Misschien ontbreekt
er daarom nog een woord: je levenspartner, echtgeno(o)t(e). die mag je
niet opgeven, wel je volwassen kinderen, niet je jonge kinderen. En daarom
ook niet je huis, je bezit, je werk.
Ons bezit is dan geen machtsmiddel, we bouwen niet onze zekerheid daarop,
we gebruiken onze rijkdom - misschien zijn we wel arm, maar we hebben
altijd wel iets -, niet om anderen te onderdrukken, maar om anderen barmhartig
te zijn, te ondersteunen, we zijn niet uit op vermeerdering van bezit,
maar op de wijsheid er zo mee om te gaan dat ons bezit, onze talenten,
wijzelf ten gunste komen van het goede leven voor allen. Rentmeester zijn
ipv bezitter. Dan is er ruimte voor vertrouwen in God en het eeuwige leven.
André Lascaris o.p.
|
|
|
29e zondag door het jaar
Jesaja 53,10-11
Marcus 10,35-45
Als geen ander is Jezus in staat om zijn toehoorders een spiegel voor
te houden als het gaat om de drijfveren in hun leven! Dat gebeurt ook
vandaag als wij twee tegenstgestelde beweegredenen in het handelen van
mensen getekend zien.
Op de eerste plaats is daar de weg die Jezus gaat in zijn leven en waartegen
de leerlingen tot driemaal toe afwijzend reageren. Zijn levensweg verloopt
zoals die van de knecht zoals die door de profeet Jesaja getekend wordt.
In die knecht wordt eigenlijk de waarachtige mens getekend die zichzelf
tot in de laatste consequenties wijdt aan anderen. Letterlijk lezen wij
dan ook in de grondtekst dat hij 'zijn ziel aanbiedt' en daarin klinkt
de diepste bezieling en kern van iemands leven door!
Het is schijnbaar een doodlopende weg want wanneer Jezus zegt dat hij
in de traditie van die knecht staat, zal hem onbegrip, bespotting en uiteindelijk
de dood wachten. De opgang van Jezus naar Jeruzalem wordt een afgang.
Dat is in elk geval zo voor de leerlingen die zich een heel andere levensweg
voor ogen hebben gesteld. Zij zoeken om verheven te worden op een ereplaats
en in hun woorden horen wij het diep gewortelde verlan-gen van mensen
om in je leven veiligheid en zekerheid te garanderen, je leven zelf in
de hand te houden. Maar de uiterste consequentie van zo'n levenshouding
zien wij bij de mensen die de wereld regeren, zegt Jezus. Dat zien wij
het tot op de huidige dag om ons heen. Die weg loopt uit op onderdrukking
onder de dekmantel van terreurbestrijding, op gewelddadig gedrag dat uiteindelijk
dood en vernietiging tot gevolg heeft!
|
Wij worden vandaag voor de keuze gesteld welke weg
wij willen gaan: die van de heersers van onze wereld of die van de knecht!
Het zal gaan om een keuze tussen heersen of dienen!
Soms leert het leven zelf ons de wijsheid kennen die de ware levensvreugde
oplevert. Wanneer wij ouder worden en onze gezondheid minder wordt of
er ongemakken en gebreken in ons leven aan het licht komen, zullen wij
tot de wijheid komen dat levensgeluk niet iets is wat je kunt 'maken',
iets dat je veilig kunt stellen door geld, rijkdom, of eenmaatschappelijke
positie. Wij zullen allemaal 'de beker moeten drinken' van het leven zelf
en daarin de echte levensweg leren kennen. Uiteindelijk heeft die alles
te maken met de manier waarop wij met elkaar omgaan. De vraag waar het
in het leven op aankomt is niet wat ik me allemaal kan verwerven, hoe
ik naam kan maken in mijn leven, maar 'wat kan ik voor je doen?' Het gaat
erom of wij in openheid en vertrouwen met elkaar kunnen omgaan en leven
in het besef dat wij elkanders rijkdom zijn wanneer wij in goede en kwade
dagen met elkaar de levensweg gaan. Elkaar dienen betekent dat je leeft
in het waakzame besef dat wij elkaar wederzijds nodig hebben om de vreugde
van het leven te leren smaken. Het laatste woord over ons leven is ten
diepste of wij mensen van liefde zijn die verzoening stellen boven schuld
en door in hun omgaan met elkaar haat en onmacht helen. Zo'n leven is
vruchtbaar zoals wij horen in de profetie want het is de Eeuwige die hem
een naam en ereplaats zal geven. Hij doet ook ons leven in de geborgenheid
van zijn liefde en kent ons beter dan wij onszelf kennen. Op hem mogen
wij bouwen tot het einde van onze dagen.
22 oktober 2006, Henk Jongerius
|
|
|
30e zondag door het jaar
1ste lezing: Jeremia 31,7-9
2de lezing: Marcus 10,46-52
Langs de weg van Jericho naar Jerusalem zit een blinde mens. Tussen Jericho
en Jerusalem bestaat een hoogteverschil van duizend meter en de weg gaat
gestaag omhoog. In het evangelie verbeeldt deze weg de opgang vanuit de
duisternis naar het licht, van chaos naar orde, van troosteloosheid naar
toekomst, van Egypteland, symbool van slavernij, naar het land van Kanaän,
symbool van belofte en een wereld vol erbarmen en rechtvaardigheid. Het
is de weg van Abraham en Mozes, van Jezus, van het aloude Israël
en van ons. Kortom: deze weg is het beeld van onze roeping. En onze roeping
is weer kort samen te vatten in de opdracht om de samenleving te helpen
bevrijden van de duistere krachten, die haar in ballingschap houden en
haar voor ál te veel mensen tot een tranendal maken. Het gaan van
deze weg wordt door de Levende sprekende en doende mogelijk gemaakt. Daarom
bevindt Jezus, het Woord van God, zich óp die weg. Terzijde daarvan
zit zijn geloofsgemeenschap, de synagoge waartoe hij behoorde. In die
dagen was er van het zelfbewuste Israël uit de dagen van David weinig
overgebleven. Ze is geslonken tot twee stammen: Juda met Jeruzalem en
Benjamin met Bethlehem. Naar het noorden, in heel het gebied van Galilea,
is ze verstrooid. Daar wonen Joden temidden van andere bevolkingsgroepen,
de bezetters, de Romeinen, en veel vluchtelingen, ter dood veroordeelden,
zeloten, rovers en overvallers. Zijn synagoge is als een blinde en zit
in haarzelf gevangen. De oude synagoge draagt een naam: Bartimeüs,
wat zoveel betekent als kind van een onreine. Haar onreinheid, haar verstarring
en kortzichtigheid heeft ze als een mantel om haar heen geslagen. Ze is
weggekropen voor haar verantwoordelijkheid. Daarom bevindt ze zich niet
óp de weg. Ze dwaalt er steeds weer van af. Ze is als een overspelige
en dus onreine tegenover de Levende, de verbondspartner. De enige, die
haar weer ziende en gaande kan maken is hij, die door zijn Woord haar
wijst op de weg, en de verlamming en de blindheid, als een mantel om haar
heen geslagen, wegneemt en haar weer op de been helpt.
Het godsvolk bevindt zich vaak terzijde van de weg van Wet en Profeten.
Dat het om Israël, de synagoge gaat maken we op uit wat zij roept:
zoon van David, Jezus, wees barmhartig voor mij! De aanroep zoon van David
was in die dagen de volkse aanduiding voor de Messias. De blinde roept
Jezus dus aan met de titel, die alleen hij mag voeren.en bij de oude synagoge
bekend was. Deze uitroep is een bijbelse en kerkelijke aanroep. Ze komt
alleen voort uit de mond van een mens, die gelooft in de belijdenis: jij
bent de Messias, de zoon van de levende God. Daarom is het ook de kerk
van onze dagen, die -gezeten naast de weg- haar verlosser aanroept.
Want ook wij zijn kinderen van deze wereld. Evenals Israël zijn we
geroepen uit de volkeren, uit de wereld vol verwarring en turbulentie.
We zijn kinderen van die prachtige en verbijsterende, verrassende en dwalende,
vechtende en moordende samenleving, die onrein is door alles wat zij aan
onmenselijkheid en onmenslievendheid teweegbrengt. Ook zo zijn we kinderen
van Timeüs, in het hebreeuws: Bar Timeüs.
Als Jezus vraagt wat hij voor de blinde doen kan, antwoordt deze met Rabboeni.
Dat is het meervoud van rabbi, leermeester, en betekent onze meester.
Dit meervoud - rabboeni - maakt ons duidelijk dat de blinde de representant
is van ons allen, die tot de kerk van Jezus Messias behoren. Daar zit
niet zo maar een verdwaalde man, aan wie Jezus een weldaad zal verrichten.
Het gaat niet om die goede Jezus en een verloren ziel, maar om God, die
in Jezus genadig en vergevend voorbij komt. Onze roep om weer ziende te
worden is dus tweevoudig: wij roepen het als zonen en dochters van deze
wereld en we smeken als de zusters en broeders, de vrienden en vriendinnen
van Jezus Messias.
|
Er wordt in onze dagen gezegd dat de kerk verdampt. Het christendom is
in zijn nadagen en het lijkt een kwestie van tijd of we kunnen onze dierbare
religieuze ervaringen en gedachten bijzetten in het museum van onze herinnering.
Zoveel eeuwen van min of meer expliciet christelijk leven lijken niet
méér als een druppel op de gloeiende plaat van de lange
mensengeschiedenis!
Misschien is deze verdamping maar schijn. Maar in en rond de kerk verandert
het leven snel. Sommigen vinden het best en maken zich niet druk. Anderen
lijden eronder: er gaat zoveel verloren. Heeft de kerk wel toekomst? Of
blijft de kerk teruggedrongen in de marges van de samenleving? Een kleiner
wordende kudde, die steeds meer verbrokkeld raakt.
Hoe denkt het evangelie daarover? Daar is toch sprake van de kleine kudde,
die niet bang moet zijn. Daar horen we van Gods bekommernis om kleinen
en kinderen. Daar verkondigt de profeet Jeremia, denk aan de eerste lezing,
aan de ballingen van Babylon de terugkeer naar Sion en het land, dat de
Levende beloofd heeft. Wat leert Jezus ons als hij spreekt over de kleine
kudde?
Wat mij opvalt in dit evangelie is het roepen van de blinde mens. Want
al tast deze in het duister en voelt hij zich terzijde geschoven, toch
is juist die mens de enige, die temidden van al die zogenaamde ziende
en beter wetende mensen roept om Jezus, zoon van David. Hij noemt Jezus
dus de Messias. En hoe meer de omstanders het hem proberen te belemmeren,
hoe luider hij blijft roepen. Alle beschouwingen ten spijt over een verdwijnende
kerk en over de verbrokkeling van de samenleving, de kerk, soms zo machteloos
als een blinde, moet blijven roepen om de Messias. Dat is onze opdracht
en zending. De blinde roept niet alleen de zoon van David aan. Hij schreeuwt
om erbarmen. Zolang de kerk denkt het zelf te kunnen dank zij haar leer,
wetten, voorschriften en riten, en dat daarin duidelijk wordt wat God
van ons verlangt, zit ze naast de weg van wet en profeten, naast de weg
van de gezalfde, de messias van God. Wie zijn dat toch, die de blinde
verbieden deze messias aan te roepen? Zijn ze bang voor het levende woord,
dat beweging schept en nieuwe mogelijkheden en horizonten doet zien? Bewakers
van de godsdienst, zoals wij hen soms noemen, blijken dikwijls remmers
in vaste dienst! De organisatie is bepalend, niet het levend woord, dat
steeds maar weer vol erbarmen voorbij komt op de weg,
Want het Woord komt tot ons op de weg: de weg van het leven, de weg van
de geschiedenis, de weg van God. Daarom zullen wij aandachtig zijn. Als
we horen, dat het Jezus de Nazarener is, zullen we roepen om die ontferming,
die God zijn bondgenoot betrachtte, toen Hij zijn uitverkorene voor het
eest uit de wateren van de chaos riep tot een hoopvol teken voor de volken.
'Doe ons, jouw gemeenschap, horen en zien: Jezus, jij zoon van David,
ontferm je over ons!'. En hoe meer angst om te doen en eigenbelang om
te beschermen ons trachten te weerhouden om opnieuw de weg te betreden,
des te luider zullen we roepen.
Dan komt het Woord tot ons. Het laat zich horen! We weten waaraan het
ons schort: rabboeni, leermeester van ons, maak ons tot ziende mensen!
Als we echt op hem vertrouwen, die juist aan ons zijn Woord schenkt om
het te doen, zal het leven in ons terugkeren.'Ga heen', zegt Jezus, 'jouw
vertrouwen heeft je behouden'. Terstond -want het Woord werkt direct-
zullen we zien en Jezus weer volgen op de moeizame, maar uitdagende weg
omhoog.
29.10.06 Ernst Marijnissen o.p.
|
|
|
Allerzielen: Lucas 24,1-9
Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar
het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aan-gekomen,
zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar
binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor
raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende
gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor
hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: 'Waarom zoekt u de levende onder
de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat
hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden
uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag
opstaan.' Toen herinnerden ze zich zijn woorden.
De ervaring van de vrouwen die naar het graf gingen met de welriekende
kruiden en tot de bevinding kwamen dat Jezus er niet meer was, is ook
ons niet vreemd. Op een dag als vandaag gedenken ook wij mensen die er
niet meer zijn. Sommigen zijn in het afgelopen jaren op een harde en verschrikkelijke
manier uit ons midden weggerukt zoals Maria Lamers, anderen zijn in hoge
ouderdom en 'der dagen zat' gestorven zoals Herman Roelofs en ieder van
ons zal zich mensen herinneren met name.
Hun graf is gesloten en dat kan als een zware steen op ons hart rusten
en pijn doen. Ik vraag mij af of het ook ons, zoals de vrouwen gebeurde,
gegeven wordt dat er engelen als lichtgestalten tot ons spreken om een
woord van troost en blijvende hoop tot ons te richten. Vanavond zullen
wij hun namen laten klinken in het stille besef dat zij in God geborgen
zijn, maar wellicht herinneren wij ons ook momenten en gebeurtenissen
dat wij, door welke omstandigheden dan ook, plotseling aan hen herinnerd
worden. Soms kan zo'n moment zo hevig op ons inwerken dat het is alsof
niet wij aan hen denken maar wij door hen in herinnering worden gehouden.
Zo'n moment wordt door Martinus Nijhoff prachtig verwoord in zijn gedicht
' De moeder de vrouw' waarin een schip dat door de brug komt gevaren en
waar een vrouw aan het roer staat, hem zijn moeder voor ogen brengt die
zingt van God wiens hand ons bewaren zal.
|
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd ?
laat mij daar uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Mogen ook ons zulke momenten gegeven worden waarin wij met hen die ons
lief waren op een nieuwe wijze verbonden worden en zij voor ons engelen,
boodschappers worden van licht, van het paasbericht dat zij door God zijn
opgewekt. Zo kunnen wij leven in een stille en verborgen verbondenheid
waarin wij het liefste koesteren wat zij in hun leven waren en ons de
moed geven om in hun voetspoor voort te gaan. Dat wij, zoals de vrouwen
in het evangelie 'hun woorden indachtig zijn' en kunnen leven in de gemeenschap
van alle heiligen, van allen die de levensadem van God hebben ontvangen
en kunnen zingen van Hem wiens hand ook ons bewaren zal in droevige en
gelukkige dagen. Zo moge er vrede dalen in ons hart.
Henk Jongerius OP
|
|
|
31e zondag door het jaar
1ste lezing: Deuteromium 6,2-6
2de lezing: Marcus 12,28b-34
Het is Jezus' laatste confrontatie met zijn tegenstanders
voor hij door hen gearresteerd en ter dood veroordeeld wordt. De schriftgeleerde
blijkt een welwillende gespreks-partner te zijn. Een vraag zonder bijbedoeling:
Wat is het allereerste gebod? U wist het antwoord van Jezus al voor u
het evangelie hoorde. Maar niet iedereen denkt er hetzelfde over, zo is
wel de indruk, die je krijgt als je ziet hoe velen met elkaar om-gaan
en leven. Om het antwoord van Jezus te kunnen beamen is meer nodig. En
dat ligt besloten in het eerste woord van hem: HOORT. Hoort, luistert:
dat is het eerste en voornaamste, begin en einde. Wie niet hoort, ontgaat
de diepte en de reikwijdte van Jezus'woord. Alleen wie beseft, dat zijn
leven ervan afhangt, die zal luisteren. Die zal het gebod, dat Jezus hier
voorschrijft, in zijn hart prenten, zijn kinderen voorhouden en het dag
en nacht overwegen. "Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw
hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede
is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf."
Zoals in het Lucasevangelie de farizeeër vroeg:
Wie is mijn naaste waarop Jezus het verhaal van de barmhartige Samaritaan
vertelde, zo vraag ik mijzelf de laatste maan-den af: Wie is mijn God.
Wie is voor mij de God, die ik beminnen kan met heel mijn hart? Waarom
de laatste maanden vooral. Dat had twee redenen Ik las in deze tijd het
boek: "Knielen op een bed violen." Een goedgelovige tuinder
werd het slachtoffer, ik kan het niet anders zien, van een stelletje godsdienstige
fanatici, die meenden als eni-gen, te weten wie God is en wat Hij van
mensen als u en ik verwacht. Hij raakt ver-vreemd van zijn gezin, zijn
jongste keert zich fel tegen hem. Als hij gaat sterven zwerven de fanatici
als bijen rond zijn ziekbed en staan zij zijn vrouw niet toe haar man
bij te staan. Daar zijn zíj voor. Zij spreken hem toe o.a. met
de woorden: "Broe-der Sievez, besef dat gij buiten deze verbondsbetrekking
op God allerrampzaligst zijt, een erfwachter van eeuwige verdoemenis,
want gij ligt onder de vloek van de overtre-den wet. Die zal, ja die zal
ijselijk moeten aanhoren: Gaat weg van mij, gij vervloekte, gaat weg van
mij!" Is deze vreeswekkende God mijn God? Kan ik zo'n God liefheb-ben?
Deze maanden verscheen in het blad Volzin een aantal artikelen over de
vraag of God persoonlijk is of dat Hij een "iets" is. Christelijke
theologen komen aan het woord, een rabbijn en een Islamiet. De jood schrijft
o.a.: "Een persoonlijke God? In het jodendom, zoals in alle godsdiensten,
kun je alle kanten op: Persoonlijk, niet per-soonlijk, God als hoogste
in het denken van de filosofen, in het hart van de extatici, verstopt
in alle vormen. Maar het enige wat ik weet is: God is Een. Maar wat dat
echt betekent - Ik zou het niet weten." Mijn vraag is: Kun je een
"iets" beminnen met heel je hart en ziel?
|
Wie is mijn God? Wie is de God, die ik kan liefhebben? Met heel mijn
hart en met heel mijn ziel, met heel mijn verstand en heel mijn kracht?
Ik voor mij grijp terug op het woord van de Heer tegen Mozes, die op de
vraag: hoe is uw naam: antwoordt: Ik ben er voor jou. Ik ben, die jou
draagt. Ik ben, die jou hoort en ziet. Ik ben, die jou zo-zeer liefhebt
als was jij de enige op aarde. Ik ken jou in hart en nieren en ik mag
je. Je mag er zijn. Ik zie je fouten. Maar zij tellen niet voor mij. Alleen
jij telt.
Wie is mijn God? Wie is de God, die ik kan liefhebben? Naar wie kan
ik beter zien, dan naar Jezus, Zijn welbeminde? Naar hem, die in leven
en werk, in zijn omgaan met mensen God volmaakt in beeld brengt, Hem weerspiegelt
zoals Hij is? Naar hem, die in zichzelf zijn liefde tot God en de naaste
verenigt?
De schriftgeleerde moet God wel hebben zien oplichten in Jezus dat hij
zijn woorden met overtuiging overneemt en versterkt door te zeggen, dat
het liefdesgebod veel meer betekent dan alle brandoffers en andere offers.
Hij moet wel begrepen hebben, Jezus horende en hem ziende, dat navolging
van hem je dichter bij God en de naaste brengt, dat door te leven in zijn
geest je God en de naaste liefhebt, dat door te doen als hij de wereld
van aanzien zal veranderen: een wereld, waarin mensen in vrede en liefde
met elkaar leven, een wereld, die haat, bedrog en bedreiging achter zich
laat. Een wereld, het land van melk en honing, mensen gelukkig. Hij mocht
horen uit Jezus'mond: U bent niet ver van het Koninkrijk van God.
Navolging van Jezus betekent dan ook: zo goed als God zijn. Een huiveringwekkende
gedachte. Het doet me weer denken aan de parabel: Wie is mijn naaste,
waarbij de omkering was: Jij bent de naaste voor de ander. God liefhebben
is in jouzelf God weerspiegelen zoals Jezus dat deed. Zijn als God, die
er is voor jou. God, die jou draagt en liefheeft en dient. Bij de ander
in en door jouw leven het vermoeden oproepen van wie God is, zichbaar
maken wat Hem ter harte gaat: iedere mens, vriend en vijand, kerk en wereld,
verleden, heden en toekomst. Een Rijk van vrede.
Wie is mijn God? Wie is de God, die ik kan liefhebben? Het antwoord
zal ik in mijzelf moeten blijven zoeken. Zoals u bij uzelf. Ik kan het
antwoord slechts vinden zolang ik blijf horen en doe als Hij. Amen.
Paul Minke
5-11-2006
|
|
32e zondag door het jaar
1ste lezing: 1 Koningen17,10-16
2de lezing: Marcus 12,38-44
Het woord 'weduwe' geeft in de bijbel een bepaalde
groep mensen aan. De weduwe is de mens die alleen staat, niet de bescherming
en steun geniet van een sterk familieverband. Geen vast inkomen heeft
en het maar alleen moet zien te redden. Geen beschermer heeft in de vorm
van een echtgenoot of echtgenote die van wanten weet, geen netwerk heeft
van mensen op wie ze een beroep kan doen. Kortom de weduwe staat voor
de arme mens die 's morgens nog niet weet of ze 's avonds wel iets te
eten heeft. De 'weduwe' kan dus ook een man zijn, of een gehandicapte,
of een vluchteling, een kind. En een bijstandswet bestond niet in die
tijd. De sociale zekerheid had je in je familie - en als je een kleine,
zwakke, familie had of geen, dan kon je en moest je om alles bedelen.
Zij hadden de steun van anderen nodig om te overleven.
De twee weduwen die we in de twee lezingen tegenkomen, worden ons echter
niet geschilderd als mensen die ons nodig hebben om te overleven, maar
als weldoeners van anderen.Van object van zorg zijn ze subjecten, dragers
geworden van het leven van anderen. Een verklaring wordt niet gegeven.
Ze doen het gewoon.
De weduwe van Sarefat laat zich midden in de hongersnood raken door de
profeet Elia. Gelooft ze zijn belofte? Ziet ze in hem iemand die nog armer
is dan zij, iemand zonder dak boven zijn hoofd? Zij begrijpt van binnen
uit zijn situatie. Zij herkent haar eigen bestaansonzekerheid in de zijne.
Er is wederzijds begrip. En dan blijken de olie en het meel niet op te
houden omdat mensen met elkaar delen.
Dat is een oud thema. Een versleten thema? Kennelijk moet het nog steeds
gezegd worden. Recente cijfers laten zien dat rijke mensen in Nederland
minder geven aan goede doelen dan de gemiddelde Nederlander (1% tegen
1.1 %). En ik hoorde een verhaal over een weduwe in Amerika die de was
deed voor andere
|
mensen en toch zoveel spaarde dat zij tegen het eind van haar leven een
fonds kon oprichten voor jongeren die wilde studeren. Een klein fonds,
dat echter groot werd doordat op dat moment ook rijken er geld in stopten.
De weduwe in het evangelie geeft zelfs haar hele 'leven' - zo staat er
in het Grieks. Is dat wel wijs? Moet de tempel juist niet haar ondersteunen
ipv omgekeerd? Jezus waarschuwt tegen de schriftgeleerden, zeg maar de
theologen en predikers van die tijd, de mensen die de Schrift uitlegden.
Zij eten de huizen van de weduwen op. Zij overtuigen hen dat het beter
is hun weinige geld aan hen te geven of aan de tempel. In plaats van uit
te leggen dat de Schrift zegt dat de weduwen ondersteund moeten worden,
misbruiken ze de zwakke sociale positie van de weduwen voor geldklopperij.
Ook dat is van alle tijden. Evenals beleggingsfondsen voor de niet zo
armen hebben predikers armen overtuigd dat zij beter hun geld bij hen
konden 'beleggen'.
Jezus is geen voorstander van de tempel. Eerder in het evangelie (Mk 11,
1-25) vergelijkt hij de tempel met een onvruchtbare vijgenboom. Denk ook
aan de tempelreiniging. En aan zijn stelling dat men geen tempelbelasting
hoeft te betalen. (Mt 17, 24-26) Waarom prijst hij de weduwe? Omdat ze
bereid is haar heel leven te geven, zoals Jezus gaat doen. De weduwe geeft
haar eigen leven, in de tempel nemen de gelovigen het leven van dieren.
Het gaat erom je eigen leven te geven, en je doet dat door zoals de weduwe
van Sarefat, met elkaar te delen, door je niet af te sluiten op grond
van je bestaansonzekerheid, maar door juist daardoor open te gaan naar
anderen.
Ik wil U, ons driedingen toewensen: 1] dat onze eigen bestaansonzekerheid
ons zal openen voor anderen ipv ons afsluiten.
2] Dat we ons eigen leven geven en niet de lasten afwentelen op anderen.
3] Dat we nooit anderen of onszelf opofferen aan een religieus gevoel,
of voor wat we aanzien als onze God. God wil slechts dat wij delen; dan
zal het ons aan niets ontbreken. (ps 23)
12-11-2006, André Lascaris o.p.
|
|
|
33e zondag door het jaar
1ste lezing: Daniël 12,1-3
2de lezing: Marcus 13,24-32
De verschrikkingen waarop Jezus doelt heeft hij in
het voorafgaande geschilderd:
oorlogen en oorlogsgeruchten, dwaalleraren, vervolging en marteling, geweld
tussen volken, en zelfs binnen het gezin, destijds en ook nu voor velen
van ons dé plek van geborgen zijn. Schokkende dingen gebeurden
in zijn generatie, zoals ze ook nu gebeuren. Wat we hiervan zien en horen
in de media is vreselijk; we staan er niet te lang bij stil; morgen zal
het weer meer van hetzelfde zijn. We zijn eraan gewend geraakt en gaan
over tot de orde van de dag, totdat de verschrikking in ons eigen leven
toeslaat, of iemand als Jezus op je weg komt.
Sommigen van ons hebben verschrikkingen in hun leven ervaren: de macht
van geweld, vernedering, de onmacht van ziekte, een handicap die je overkomt,
het verlies van een partner, of moet meemaken, dat jouw kind sterft. Moeten
we ellende die je overkomt vrezen? Ik heb dit lang gedacht, maar het leven
leerde me, dat verschrikkingen niet het ergste zijn. In grote ellende
die je overvalt kan het gebeuren dat je ervaart de geweldige vitaliteit
die in jou als mens steekt; wie had gedacht dat ik dit aankon, hoor je
mensen soms achteraf zeggen. Of je ervaart in die ellende de kracht die
uitgaat van mensen in jouw directe omgeving, die als een warme deken blijkt
te zijn, iets wat je niet had kunnen dromen.
De God in wie psalm 16 zijn vertrouwen uitspreekt, komt niet uit de hemel
vallen.
Deze God blijkt al dichtbij en meer op ieder van ons gericht, dan geld,
complimenten, succes, en al dat andere geluk, dat je eerst verdienen moet.
Is eerst ellende nodig om jouw ogen voor God te openen? Nee, dat komt
me te dicht in de buurt van het goedpraten van de ellende die mensen treft.
Erger dan de hel is de angst voor de hel. Vreselijk is het mensen te horen
zeggen:
wanneer je dit of dat doet of niet doet kom je in de hel, of: dan zal
God jou straffen.
Wee de mensen die deze angst als wapen gebruiken. Mensen die werkelijk
ellende ervaren hebben, onder ogen gezien, zullen dit wapen niet hanteren.
Jezus was zo'n mens. Jezus maakt niet bang noch legt hij zich neer bij
ellendige feiten. "Wanneer je deze dingen ziet gebeuren, dan weet
je dat het einde nabij is, hoorden we. Wat mogen wij dan verwachten? In
mijn ogen blijft Jezus vaag in
|
het antwoord op deze vraag. Hij heeft het over de komst van de Mensenzoon,
een beeld van Daniël, dat Jezus op zichzelf toepast. Deze Mensenzoon
zal bij zijn komst zijn uitverkorenen verzamelen. Hij zegt dit alles in
kleine kring, aan Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas, de leerlingen
die hij het eerst geroepen had. Dit neemt de vaagheid voor mij niet weg,
maar de intimiteit van deze kleine groep geven zijn woorden kracht. In
de kring van vertrouwden laat Jezus het achterste van zijn tong zien.
Er gaat geen enkele dreiging vanuit. Als je reden had voor Jezus bang
te zijn toen hij rondtrok met zijn leerlingen, dan moet je wellicht ook
nu zijn wederkomst vrezen. Als hiervoor geen reden bestaat is de belangrijkste
zorg, dat je klaarstaat wanneer hij komt. Niemand weet precies wanneer
dit zal zijn, alleen de Vader, maar dat hij komt, en dat deze generatie
dit zal beleven, staat vast.
Een mens kan zichzelf niet gelukkig maken; een mens kan ook een ander
niet werkelijk gelukkig maken
. Niemand kan je immers zeggen hoe
je dat doet, hoe je leven moet: niet de kerk, niet de politiek, niet de
wetenschap, de economie of de media. We moeten het doen met mensen, die
net als Jezus niet schromen het achterste van hun tong te laten zien:
hun pijn, hun verdriet, hun zorgen, hun angst uiten, en daarin tegelijk
het vertrouwen laten zien dat in hen steekt.
Toen een zoon aan zijn vader die dodelijk ziek was vroeg: kan ik nog iets
voor je doen, zei deze: bid maar voor me. Waarop de zoon reageerde: dan
had je me dit wel moeten leren. De vader vertelde het me met een lach
in zijn ogen, kort voor hij stierf. Werelden van verschil liggen tussen
deze vader en zijn zoon, maar wat een intimiteit in zo'n hopeloze situatie.
Iets soortgelijks mocht een aantal van ons afgelopen weken ervaren, bij
het dodelijk ziek zijn en sterven van David. Als er niets meer is om je
aan vast te klampen, bidden geen houvast biedt, en niet omdat je dit niet
geleerd hebt, je alles los moet laten of door ervaring wijs geworden loslaat;
als er niets meer is om je aan vast te klampen kun je ontdekken en de
weldaad ervaren van gedragen te worden.
Daarvan getuigt Jezus vandaag en daartoe nodigt hij ons uit, om te vertellen
uit onze levenservaringen zoals hij zelf dit doet.
Ellende, ja zelfs de hel op aarde bestaat; we weten het, we zien het elke
dag om ons heen, ervaren het soms aan den lijve. Sluit je ogen er niet
voor, maar sper ze dan juist open: nu ga je ervaren wat je niet denken
of geloven kon: Ik ben er, zoals Ik er steeds voor je was.
19 november 2006 Theo
Koster o.p.
|
|
Feest van Christus Koning
1ste lezing: Daniël 7,13-14
2de lezing: Johannes 18,33b-37
Wij hebben net zo goed als de mensen van het verleden
hoop nodig in moeilijkheden. Misschien zeggen we het alleen op een andere
manier. We gebruiken niet zo gauw de taal van dromen, visioenen en symbolen
om te zeggen, dat we hopen dat goedheid het zal winnen van kwade machten.
Maar we hopen wel op God.
Daniël vertelt een "visioen," maar dat is niet een droom
die hij de vorige nacht had gehad en die hij vertelt aan een vriend tijdens
het drinken van een kop koffie. Integendeel: hij spreekt woorden van hoop
voor zijn tijdgenoten. Hij schreef om zijn volk te bemoedigen hun geloof
niet te verliezen door de gewoonten en gebruiken van de heidenen aan te
nemen.
In Amerika is afgelopen vrijdag, soms al om 12 uur
's nachts het kerstseizoen begonnen! Bij ons mag dat pas na Sinterklaas.
Natuurlijk zitten wij niet onder de duim van een heidense wereld, maar
de commercie en het materialisme drukken toch wel erg hard door. We zien
en horen allerlei advertenties over wat iedereen echt moet hebben. We
zullen de druk voelen om mee te doen en er zal heel wat geld uitgegeven
worden. Heel wat mensen maken schulden om deze heidense godheid te dienen.
Wie gaat deze strijd voor de harten en zielen van mensen winnen? Daniël
geloofde dat het goede in de wereld op het eind de overwinning zou behalen.
Hij drukte dat uit in zijn visoen van "...iemand die er uitziet als
een mens die op de wolken kwam". Die mens kreeg "macht, eer
en koningschap" over de hele aarde. Deze mens komt van God en heeft
de macht en eer van God. Deze regels blijven voor altijd. Stel je voor
goedheid blijft overal en altijd!
Het is de laatste zondag van het liturgische jaar.
Volgende week begint met de Advent een nieuw jaar en een nieuwe cyclus
van lezingen. Bij einde hoort begin. We mogen vandaag op de zondag van
de voleinding denken aan het begin van een nieuw kerkjaar. Het oude jaar
bijna voorbij en we kijken uit naar wat komt met hoop. Hopelijk is het
waar, dat we verder groeien als mensen gedurende het komende jaar. Hopelijk
is het waar, dat ik een paar van mijn
|
slechte manieren verander en meer vrijheid ervaar. Hopelijk is het waar,
dat ik voornemens maak die ik zal uitvoeren! We maken ieder jaar plannen
voor het nieuwe jaar bij het begin van januari. Hopelijk is het waar,
dat we er nu een paar kunnen maken voor het nieuwe liturgische jaar. We
hebben nog een week om daar over na te denken en dan is het niet nodig
aan te komen met wat meer lopen of wat minder te eten! Bewaar die voornemens
maar voor 1 januari. Onze geestelijke plannen kunnen we volgende week
meebrengen, want we hoeven die niet op eigen kracht uit te voeren. Als
we groeien in Christus, dan zijn we er van overtuigd, dat hij ons zal
vergezellen en sterken.
Deze zondag van de voleinding helpt ons om de zonde uit het verleden weg
te zetten en een beter leven te beginnen. Vandaag nodigt Christus ons
uit om "...bij de waarheid te horen". Hij nodigt ons vandaag
en hier uit om hem te kiezen als de stem waarnaar we luisteren en die
ons zal leiden. Wie was de baas over ons dit jaar? Naar wie of wat luisterden
we dit jaar? Wie volgden we? Zijn we beter af, rustiger en met onszelf
verzoend omdat we naar de goede stem van Jezus luisterden? Hopelijk wordt
het steeds meer in ons leven waar, dat het beter is om naar Jezus te luisteren
die tegen Pilatus en ons zegt, "Iedereen die bij de waarheid hoort
luistert naar mijn stem".
Jezus is de vervulling van onze hoop, van onze verlangen naar eeuwige
goedheid, eeuwig geluk. Hij is de mens, die God aan ons openbaart, die
waarheid spreekt tegenover de valse waarden en keuzes van de wereld. Hij
kiest niet de wegen van de wereld, macht, materiele goederen en de dingen
die ons aantrekken. Hij zegt, "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld".
'Die wereld' staat voor hen, die God verwerpen en meer van de duisternis
dan van het licht houden. Jezus geeft leven, bij hem is geen dood; Hij
kiest voor de waarheid, er zijn geen leugens. Jezus regeert, want hij
spreekt de waarheid en wie het ware en goede zoeken zullen die vinden
en hem aanvaarden. Hij staat voor Pilatus, machteloos, maar is iedereen
en alles de baas. Zo zullen wij leven voor eeuwig. Hij heeft geen leger
om voor hem te vechten. Maar alwie hem horen en zijn waarheid aanvaarden
behoren tot zijn koninkrijk-waar God regeert, niet door kracht, maar door
liefde.
Het liturgische jaar eindigt met ons uit te nodigen om opnieuw te kiezen
en ons aan Jezus en aan zijn manier van leven toe te vertrouwen. Hij herinnert
ons er aan dat zijn stem ons naar de waarheid en daarom naar het geluk
zal leiden.
Hopelijk is het waar voor ieder van ons, dat dit steeds meer werkelijkheid
wordt. Amen.
26-11-2006, Antoon L. Boks o.p.
|
|