![]() DominicanenHet voorland van de DominicanenDe Dominicanen behoren tot de oudste apostolische orden en zijn voort- gekomen uit de traditie van monniken (mannen) en monialen (vrouwen). Deze wonen levenslang op een vaste plek (abdij). Hun voornaamste taak is de behartiging van het Opus Dei, het werk Gods. Dat bestaat uit gebed en meditatie. Ze bidden samen in het koorgebed en doen dat zingend zeven maal per dag (de getijden). Ze leiden een beschouwend leven. De begrippen monnik en moniaal zijn afgeleid van het Griekse monos, ‘alleen’. Naast het gemeen- schappelijk gebed en de maaltijden leven ze op zichzelf. Hun zoeken naar en leven met God heeft een uitgesproken en persoonlijk bedoeld karakter. DominicanenDe ontwikkelingen in het Europa van de twaalfde en dertiende eeuw vroegen om nieuwe initiatieven van de religieuzen. Een daarvan was aandacht voor de verkondiging. Daarom stichtte Dominicus in 1216 de orde van predikbroeders. Ze leven in gemeenschap. Het bidden van de getijden werd ingekort door niet alles te zingen maar te reciteren, want er is tijd nodig voor studie. Bovendien moeten de Dominicanen erop uit trekken om te preken. Ze verlaten regelmatig hun klooster en zijn ook niet aan één gemeenschap gebonden zoals de monniken. De basis van hun werk is het religieuze leven. Hun werkterrein bestaat uit studie en verkondiging. Basis van hun spiritualiteit‘Contemplare et contemplata aliis tradere’. Dit motto is de dominicanen dierbaar, en betekent ‘schouwen en wat beschouwd wordt aan anderen meedelen’. Het schouwen is voortgekomen uit de oude traditie van de monniken en monialen. Maar Dominicus stelde deze schouwing in dienst van een specifiek doel: de verkondiging naar buiten. Schouwen omvat meditatie én studie, waarbij de Schrift de belangrijkste bron is. Verkondiging betreft natuurlijk het preken in dienst van Gods volk in strikte zin, maar groeit in de loop van de tijd uit tot lesgeven, schrijven en vormen. Kort samengevat betekent dat: mensen inzicht verschaffen in wat er werkelijk gebeurd. Dominicus
|