PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Advent 2011 (B)
1e
zondag van de advent: Jes.63,16b-19b.64,3b-8; Mc 13,33-37
|
27
november 2011, Henk Jongerius OP |
|
In
de laatste zondagsvieringen hebben we vernomen hoe
belangrijk het is om waakzaam te leven. De laatste zondagen van het
kerkelijk jaar herinneren ons aan het einde van de tijd. Eens hoeven we
niet meer op de klok te kijken. De tijd is dan voorbij en het tijdloze,
maar ook het onbegrepene is aangebroken. Wat moeten wij mensen zonder
tijd? Wat moeten wij zonder geschiedenis? Wat moeten wij zonder eerder
en later, toen en nu, verleden, heden en toekomst? Dat is
onvoorstelbaar. En wat moeten we aan met onze wereld? Onze generatie
zal het einde van de aardbol misschien niet meemaken, maar onze kennis
van het heelal is inmiddels zo ver geëvolueerd dat we weten
dat onze aarde maar één van de ontelbare planeten
is die door de kosmos vliegen. En eens zal zoals ieder hemellichaam ook
onze aarde vergaan. Is het zo vreemd dat er mensen zijn die zeggen: na
ons de zondvloed? Of anderen die beweren: dood is dood? Wie geen waarde
hecht of hechten kan aan het vertrouwen in een God, die mensen nabij is
en bekommerd om hun welzijn, heeft weinig houvast aan het onderricht
van Jezus Christus, die spreekt van eeuwig leven, een koninkrijk van
God, een altijddurend bruiloftsmaal. Maar hoe zit het dan met allen,
die wel op God vertrouwen? Hoelang zwoegen en ploeteren wij al niet
voort op de moeizame weg die de Schriften ons wijzen? Hoe is het
gesteld met ons vertrouwen, onze volharding, onze goede moed? Er is
weer een kerkelijk jaar voorbij. Zo juist hebben we
één kaars ontstoken, zegge en schrijve
één kaars. Alsof we terug zijn bij af. We
beginnen opnieuw, alsof het nog nooit Kerstmis, Pasen, Pinksteren,
Hemelvaart of Allerheiligen is geweest. We doen hetzelfde als de Joden
van oudsher doen. Als er een nieuw liturgisch jaar begint slaan ze de
Schriften open en beginnen het boek Genesis te lezen: in het begin
schept God de hemel en de aarde. En ze lezen heel de Tora tot aan het
einde van het boek Deuteronomium. Voor Mozes sterft ziet hij vanaf de
berg Nebo hoe zijn volk de Jordaan oversteekt en binnengaat in het
beloofde land. En als hij is gestorven is het jaar voorbij en beginnen
ze weer met ‘in het begin schept God de hemel en de
aarde’. Zo doen wij ook. We vierden Christus Koning, die
vanaf de rechterhand van God de plaatsen open houdt voor hen, die het
koninkrijk van God trachten binnen te gaan. Dan is er weer een jaar
voorbij en is het donker. We wachten op de komst van de Christus, alsof
het nog nooit Kerstmis was. Één kaarsje.
We zijn er nooit! En je vraagt je af: komt er nog iets van? En weer
horen we
Jezus zeggen: weest waakzaam. Maar ik vertaal liever: wordt wakker!
Wordt eindelijk eens wakker. Waarom laat je weer gedachteloos een jaar
voorbijgaan? Als je zegt: weest waakzaam, kan dat klinken als
“blijft waakzaam”. Maar waren we dan waakzaam in
het jaar dat achter ons ligt? Waren we dat echt? Was het niet eerder
wat aandoezelen, aansuffen, alles bij het oude laten en hier en daar
wat verplaatsen om even van het gezeur af te zijn? De wanorde en de
chaos zijn er nog altijd. En wie durft te beweren dat ze minder erg
zijn dan een jaar eerder? Soms lijkt het tegendeel het geval. Een
wereldwijde crisis en een uiterst smal perspectief. Neen, Jezus zegt
niet ‘weest waakzaam’ maar ‘wordt
wakker’! ‘Het gaat niet goed met de kerk’
zeggen we. Dat doen we al een hele tijd. Het gaat dus steeds slechter.
De kerk is verdeeld. De kerk is het volk van God, de gemeente, de
broeders en zusters die zijn samen geroepen. Is dat theorie of
werkelijkheid? Het ziet ernaar uit dat het veel theorie en weinig
werkelijkheid is. We zeggen dat we ons tot God willen keren, bekeren.
Maar je tot God bekeren
|
stelt niets
voor als we ons niet tot elkaar
keren, bekeren. En dat laatste lukt ons maar niet. Woorden te over,
riten
en gebeden genoeg, maar daden des te minder. Het is niet ‘jij
dwaalt’ of ‘ik dwaal’ maar het is
‘wij dwalen’. Wij zijn als volk van God de weg
kwijt en we zijn zo wanhopig dat we alleen nog de ander de schuld
kunnen geven. Daarom moeten we terug naar de woorden van de eerste
lezing. Daar hebben het óók gehoord. Luister nog
maar eens:
“Waarom laat ge ons dwalen, o ENE, weg van uw
wegen, verstokt ge ons hart, weg van uw vreze? Keer terug, omwille van
wie u dienen, de stammen van uw eigendom!
Waarom mochten boosdoeners uw heiligheid kleineren, onze verdrukkers uw
heiligdom vertrappen? Wij zijn zo geworden alsof U nooit over ons hebt
geheerst, over wie uw naam nooit is uitgeroepen”.
Is deze klacht niet onze klacht? En moeten ook deze woorden van Jesaja
niet de onze zijn als hij namens ons allen uitroept: “we zijn
als een besmette, wij allen, als een gewaad door maandstonden bezoedeld
al onze gerechtigheden; als een afgevallen blad verwelken wij allen,
onze ongerechtigheden dragen ons weg als de wind. Geen die uw naam
aanroept, die wakker wordt om zich vast te grijpen aan u; want
verborgen hebt ge uw aanschijn voor ons, ge laat ons wegkwijnen in de
greep van ons onrecht. Toch, ENE: zijt Gij onze Vader, wij zijn het
leem, gij onze formeerder, maaksel van uw hand zijn wij
allen”.
Wat me treft in deze klacht van Jesaja is dat in zijn
woorden heel het godsvolk zich uitspreekt. Er wordt nergens gesproken
van priesters, geleerden, voorgangers en profeten aan de ene kant en
van het volk aan de andere kant. Als het over bekering gaat is er geen
hoger of lager, geen meer of minder. Ik kan me niet herinneren wanneer
heel de kerk op de knieën is gegaan, al zijn er van hogerhand
dagen en tijden van boete voorgeschreven. Of heb ik zitten slapen? In
dit verband moet ik denken aan een droom, die ik eens had, en ik wil
die graag aan u vertellen.
In mijn droom kon ik vliegen. Ik heb daar soms last van. Eens vloog ik
in habijt en zwarte mantel over het sint Pietersplein in Rome. Het
plein stond propvol mensen, maar ook alle straten rond het plein waren
volgestroomd. Allen droegen donkere kleding. Het was doodstil.
Zo’n stilte als alleen in dromen voorkomt. Ik vloog naar de
gevel van de Pieterskerk, naar het balkon. Maar dat was leeg.
‘Waar is de paus?’ dacht ik. Ik zag hem daar niet.
Maar er waren ook geen andere hoog- waardigheidsbekleders te bespeuren.
Toen vloog ik langs de trappen van de kerk en het voorplein. Geen rijen
van rode en paarse mannen. Geen liturgische gewaden. Waar waren ze? Ik
ging lager vliegen. Toen zag ik in mijn droom dat ze links en rechts
tussen de mensen stonden, verstrooid tussen het volk,
één met hen allen. En na nog een rondje vliegen
zag ik ook de paus. Ook hij was gekleed als alle anderen en hij bevond
zich in een zijstraat. Wij allen stonden daar. En terwijl ik ineens
omlaag viel en tussen het donker geklede volk terecht kwam, hoorde ik
eerst murmelend, maar geleidelijk aan steeds duidelijker deze woorden
opklinken:
“Niemand die uw naam aanroept, die wakker wordt om zich vast
te grijpen aan u; want verborgen hebt ge uw aanschijn voor ons, ge laat
ons wegkwijnen in de greep van ons onrecht. Toch, ENE: onze Vader zijt
gij, wij zijn het leem, Gij onze formeerder, maaksel van uw hand zijn
wij allen”. Toen werd ik wakker!
En nu maar hopen dat deze droom geen bedrog is!
|
2e
zondag van de advent: Jesaja 40, 1-11; Marcus 1, 1-8
|
4
december 2011, Theo Koster OP |
|
Als
het Joodse volk destijds in Egypte gewacht had tot
de Rode Zee zich gesplitst had, zodat ze veilig de slavernij en ellende
konden ontvluchten, dan was de uittocht nooit begonnen, en hadden wij
hier niet gezeten om het woord van God te horen; dan was er geen woord,
geen bijbel geweest. Er is een sterk verband tussen het volk daar in
Egypte, de eerste lezing uit Jesaja, het evangelie en onze huidige tijd.
Vreselijk was het daar in Egypte, de uitbuiting, de tirannie, niet om
uit te houden. Het dreef het volk letterlijk de Rode Zee, de chaos in.
De een ging wellicht in de hoop aan de overkant een land te vinden
waarin wel te leven was; de ander werd uit wanhoop de zee ingedreven.
Ze kwamen die zee van moeilijkheden door en ervoeren aan den lijve: dit
deden we niet op eigen kracht; we werden geholpen. In de verhalen over
de uittocht in de bijbel horen we deze oerervaring terug in beelden
als: Gods arm die hen droeg, Gods hand die hen leidde.
Diezelfde beelden van arm en hand gebruikt Jesaja in de eerste lezing.
Vreselijk is ook daar de situatie van het volk. Verdreven van huis en
haard, kwijnen zij weg, in den vreemde, in vijandig gebied. De God die
zij ervaren hadden op hun tocht door de zee was nog niet volledig uit
hun leven verdwenen. Jesaja is zijn woordvoerder. Hij praat niet met
het volk mee, in de zin van: wat hebben we het toch moeilijk,
maar over troost, moed, goed nieuws. Hij benadrukt niet de crisis maar
heeft het over een weg banen. Niet God zal de moeilijkheden weghalen
die het volk ervaart. Zelf moeten zij in de benen komen, de Rode Zee
in, dit keer uitgedrukt als een weg door de woestijn, waarin dalen
gevuld, bergen geslecht moeten worden. Onderweg zullen zij merken, dat
God hen tegemoet komt, terwijl aan hun ballingschap een eind komt: een
veilig thuis komt weer in zicht. Net als toen bij de Rode Zee zullen
zij gaandeweg ervaren dat ze gedragen en geleid worden.
Vreselijk was ook de situatie in de tijd waarin Marcus zijn pen opneemt
en schrijft: “Begin van de blijde boodschap van Jezus
Christus, de Zoon van God.” Het land is bezet, dit keer door
de Romeinen. God was niet verdwenen maar opgeslagen in honderden ge- en
verboden, en schriftgeleerden en farizeeën lieten je
voortdurend zien en voelen, hoe goddeloos jij leefde. De kritieke
situatie is voelbaar, maar de nadruk ligt ook hier op hoop, op een weg
die gebaand moet worden, waarlangs God hen tegemoet zal komen. Niet
alleen de eerste lezing horen we terug en de godservaring tijdens de
uittocht. We horen ook flarden uit de psalmen en het boek Koningen. Het
hele Oude of eerste Testament komt terug, is het verband, waarbinnen
iets totaal nieuws gebeurt. Het belang van dit nieuws voor ons nu wordt
helder, als ik onze situatie eerst heb geschetst.
Ook onze situatie is vreselijk. Wij leven onder druk, zijn bezet; de
occupy- beweging wereldwijd stelt dit o.a. aan de kaak. Wij leven niet
in Egypte,
|
toch
ervaren velen van
ons slavernij. Wij zijn niet in ballingschap, en
toch voelen velen van ons zich van zichzelf vervreemd, niet thuis in
eigen huis. Het vreselijke van onze situatie zit niet in de
schuldencrisis, de eurocrisis, de crisis binnen Ajax, zoals de
journaals en kranten ons doen geloven. Onze vreselijke situatie hoorde
ik van de week verwoord door een groep studenten, toen ik bij hen de
druk aanstipte waaronder ik velen van hen gebukt meende te zien gaan.
Ik ben kei trots als het me lukt te voldoen aan alles wat van mij
verwacht wordt, reageerde er een, maar gelukkig voel ik me niet. Waarop
een ander zei: veel waardering krijg ik omdat ik het goed doe, maar
gelukkig maakt me dit niet. Voortdurend dreigt de paniek toe te slaan
van: red ik het wel, zei een derde. Er blijft geen tijd meer over om te
leven, een vierde waarop een vijfde aanvulde: als ik even niets doe
voel ik mij schuldig.
Studenten zijn, zoals velen in onze samenleving, voortdurend op weg
naar een doel, dat zij niet bereiken. De druk, ook wel stress genoemd,
is groot; overal zie je om je heen, voel je in jezelf de haast, is er
het gevoel: red ik het, haal ik het wel. We zijn onderweg, en velen
zijn niet gelukkig. De weg speelt in ons leven een even belangrijke rol
als in de lezingen vandaag.
Maar er is een belangrijk verschil. Waar bij ons de nadruk ligt op het
einddoel, op morgen, het hiernamaals zo u wilt, legt Marcus alle nadruk
op het onderweg zijn. Waar het om gaat is onderweg, komt naar ons toe,
sterker nog: is al onder ons aanwezig. Het goede nieuws van degene die
na Johannes komt, Jezus, is: de tijd is rijp en het koninkrijk van God
is ophanden. Wat werkelijk de moeite waard is, God, die ik door enkele
studenten van de week aangeduid hoorde met ‘gelukkig
zijn’, is net als wij onderweg, en zal onderweg gevonden
worden. Het verbaast me dan ook niet dat Jezus zich later ‘de
weg’ noemt, de eerste christenen aanvankelijk aangeduid
werden als ‘mensen van de weg’.
Het totaal nieuwe dat we vandaag bij Marcus horen is, dat in Jezus ons
onderweg zijn naar God en Gods bewegen naar ons bij elkaar komen: Jezus
Christus, de Zoon van God. Durven wij daarop te vertrouwen?
Ons samenzijn hier, met als hoogtepunt het breken en delen, waarin
Jezus als de Christus voelbaar wordt, kan ons vertrouwen wakker houden.
Maar minstens zo belangrijk is het leven van alledag. Wij zijn mensen
van wie sommigen volop onderweg zijn. Staar je niet blind op het
einddoel, hoor ik Marcus hen zeggen, maar kijk om je heen; dan ontgaan
je onderweg de momenten niet die genoten willen worden. En kun je
nauwelijks meer lopen, loopt je leven ten einde, tegen hen hoor ik
Jesaja zeggen: “Wat zal ik roepen?” Zeg het tegen
God, tegen jezelf en de momenten waarin je Gods aanwezigheid ervaren
hebt zullen je te binnen schieten; laat de generaties na jou van jouw
verhalen genieten.
|
3e
zondag van de advent: Jesaja 61,1-11; Johannes 1, 6-8+19-28
|
11
december 2011, Henk Jongerius OP |
|
Het
is een wonderlijk gesprek dat daar plaats vindt aan
de overzijde van de Jordaan! Tot driemaal toe zegt Johannes wie hij
niet is! Hij geeft daarmee te kennen dat het niet om zijn persoon gaat
maar om het licht waarvan hij kwam getuigen. Hij noemt zichzelf een
'stem' en dat brengt ons terug bij het begin van de Bijbel waar het
evangelie van Johannes naar verwijst als wij lezen: Sinds het
begin is er het spreken, ja God zelf is dat spreken.
Als je dat met eigen woorden zou moeten zeggen, dan betekent het dat
het eerste woord aan God is, die zichzelf uitspreekt en aan mensen te
kennen geeft. God zoekt ons mensen tot op vandaag!
Als Johannes zich 'een stem' noemt dan verwijst hij naar dat
spreken van de Eeuwige waarvan hij de getuige is! Hij roept opnieuw
wakker wat er over God is gezegd door profeten. Zij hebben door de
eeuwen heen gesproken over Gods trouw aan mensen, over zijn
beloftevolle Naam die altijd weer licht ontstoken heeft waar duisternis
en chaos was. De God die sprak 'er zij licht' heeft in mensen
vanouds de verwachting gewekt van een nieuwe aarde waar gerechtigheid
heerst, waar geslagen harten troost vinden en er bevrijding komt voor
allen die vastgeketend zijn.
Ook de plaats waar de Voorloper over zichzelf getuigt is van belang.
Die plaats roept de herinnering op aan de grote bevrijding die het volk
onder Mozes heeft beleefd, toen zij uit de onderdrukking van farao weg
zijn getrokken en de vrijheid van een nieuw land tegemoet zijn gegaan.
Wanneer de Eeuwige mensen roept is dat om hen tot bevrijde mensen te
maken die leven in het licht en getekend worden door gerechtigheid. De
woorden die
|
Jezus
tot ons zal spreken zullen ons doordringen van zijn gezindheid en
dopen in zijn Geest.
Wanneer Johannes tenslotte zegt dat 'midden onder u Hij staat die gij
niet kent', dan roept hij zijn toehoorders van toen en ook ons nu op
omopnieuw te gaan horen naar die stem, de roepstem van God die ons tot
een nieuw leven uitnodigt.
Hij zegt het op een plaats die Bethanië heet en dat betekent
het huis van de arme', want juist in arme en niet door ons
geachte mensen - daar waar wij het niet verwachten - , wordt die stem
gehoord. In die stem klinkt mee het oeroude visioen van een goede aarde
voor mensen van Gods welbehagen.
Laten wij ‘arm van geest’ worden en ons openen voor
die stem, voor de aloude verhalen die vertellen van Gods omgang met de
mensen!
Laten wij opnieuw opengaan voor de woorden van de rabbi uit Nazareth
aan wie wij mogen horen en zien hoe de mens naar Gods hart er uitziet.
Wij zullen er mensen door worden die licht verspreiden en anderen een
plaats geven onder de zon. Wij zullen woorden tot elkaar spreken die de
gevangenissen, het isolement en de eenzaamheid waarin mensen terecht
zijn gekomen, weer openen. En waar ogen weer open gaan, verlamden weer
kunnen lopen en mensen herders worden voor elkaar, zullen wij diepe
vreugde in ons dragen omdat wij in vrijheid leven met en voor elkaar en
zo langzaam maar zeker de nieuwe aarde gestalte zien krijgen! Zo mogen
wij weten dat de onzichtbare God midden onder ons woont als een kracht
tot liefde, als een troost voor allen die treuren, als een bron van
vreugde en dankbaarheid voor alles wat wij om niet ontvangen hebben!
God moge ons allen die blijdschap geven.
|
4e zondag van de advent: 2 Samuel
7,1-16; Lucas 26-38
|
18
december 2011, Antoon Boks OP |
|
Vijfhonderd
jaar geleden had Antonio de Montesinos,een
van de vier Dominicanen in de stad van Dominicus op Hispaniola een
vraag voor de mensen in de kerk. Hij had gestudeerd in Salamanca waar
hun docenten hun hadden geleerd dat alle mensen als kinderen van God
rechten hadden en hij vroeg: “Zijn die inboorlingen dan soms
geen mensen?” De meesten van hun toehoorders geloofden dat
niet.
Wij gaan vandaag nog verder terug in de tijd:Tweeduizend jaar geleden
kwam de engel Gabriel met een boodschap voor Maria, nadat hij al eerder
aan Zacharia en zijn vrouw Elisabeth de geboorte van Johannes de Doper,
de voorloper van Jezus, had aangekondigd. Maria kreeg te horen, dat ze
de moeder van de Messias, van Jezus zou worden. Had zij of iemand
anders in die tijd meteen kunnen aannemen dat dit een blijde boodschap
was? Wij weten dat nu na meer dan 2000 jaar heel zeker.
Iedere keer dat ik in de Bijbel lees, merk ik dat er vaak een andere
afloop is dan wat eerst verondersteld werd. De teksten geven een
beschrijving van wat wij nodig hebben. Ze vertellen dat God in ons
leven binnen stapt om te doen wat wij alleen niet kunnen. De eerste
lezing van vandaag laat dat duidelijk zien.
Gedurende de tijd dat de Israëlieten door de woestijn trokken
reisde de ark met hen mee en stond in een tent. Ark en tent waren teken
van de aanwezigheid van God, want waar mensen ook gingen, daar was hun
God. De bescheiden tent onder arme nomaden was de plaats waar God en
mensen elkaar konden ontmoeten en was een teken van de aanwezigheid en
de bescherming van God. Is dat niet een prachtig beeld voor Jezus, die
als Gods Zoon onder ons tegenwoordig is en met ons mee reist.
Koning David had voor zichzelf een aardig paleis gebouwd en nu speelt
zijn geweten hem parten. Hij maakt daarom plannen om een tempel voor
God te bouwen, maar God heeft zijn eigen plan. David heeft bloed aan
zijn handen en daarom zal zijn zoon Salomo als mens van vrede die
tempel bouwen. Bovendien: de tempel die God wil is niet gemaakt van
steen en hout. Er zal een duurzaam koninkrijk komen voor Salomo en zijn
nakomelingen.
Zo laat ook de lezing van vandaag zien hoe God zijn plan gaat
vervullen: Hij zorgt voor een nieuwe tempel waarin Hij bij de mensen
wil blijven waar ze ook zijn.
Het belangrijkste wat we vandaag bij het bezoek van Gabriel hoorden is
het geloof van Maria en wat God in haar leven zal doen - zij is vol van
genade. Het verhaal, zoals veel Bijbelse verhalen begint met de liefde
van God, bij Hem is het initiatief. Dan begint een gesprek. God houdt
van Maria en zij antwoordt in vertrouwen. Zij vreest
niet. God vraagt
om haar geloof. Haar “ja” geeft God de kans aan het
werk
|
te
gaan. Met nadruk wordt het werk van de Heilige Geest
aangekondigd. Zo bouwt God een nieuwe en duurzame tempel voor
alle mensen. Een van mijn favoriete
verzen van de Bijbel staat in dit verhaal: bij God is niets onmogelijk.
Jezus’ woorden maken duidelijk wat het betekent om een
leerling van Hem te zijn. Het impliceert voor Jezus het opnemen van
zijn kruis en voor zijn leerlingen om Hem na te volgen door te houden
van alle mensen en hen te dienen. Dat is voor ons niet altijd mogelijk.
Vandaag horen we Maria na de woorden van Gabriel antwoorden: moge mij
geschieden volgens uw woord. Wij mogen ook ja zeggen tegen God en
geloven wat Gabriel ons vandaag vertelt, want bij God is niets
onmogelijk.
Maria spreekt in dit verhaal. Haar geloof is sterk, maar zij wil wel
weten hoe de woorden van Gabriel werkelijkheid zullen worden. De Geest
van God maakt ons geen passieve ontvangers van Gods genade en God
vraagt ons niet tot zwijgen in Zijn dienst. Het antwoord van Gabriel op
de vraag van Maria is geen verklaring aan haar over hoe alles zal
verlopen, hoe de zwangerschap zal plaatsvinden. Gabriel nodigt haar uit
om te vertrouwen op de heilige Geest. Maria weet niet hoe de woorden
van de engel werkelijkheid zullen worden, maar ze stemt in geloof toe.
God heeft daardoor de kans om te werken.
Over één week vieren we weer Kerstmis. Het
verhaal van Lukas over de komende geboorte van Jezus is vol van eerbied
en vrede - hoewel de vragen blijven.
In ieder Bijbels verhaal ontdekken we Gods genade. Die geeft ons wat
wij als mensen niet kunnen bereiken. Het verhaal van de Aankondiging
nodigt ons uit om met Gods genade mee te werken, want bij God is niets
onmogelijk.
Laat ik daarom tot slot deze vraag stellen: wat vinden we in ons leven
onmogelijk om te doen? Geven wij Gods genade een kans en durven we ons
over te geven aan God? Lukas zal in zijn versie van de Blijde Boodschap
blijven vertellen van God die door de woorden en daden van Christus
steeds weer werkelijkheid wordt. Wanneer het verhaal schijnt te
eindigen bij het graf en alles op een mislukking lijkt uit te lopen,
zal God opnieuw spreken en zal Jezus uit de doden opstaan. Het verhaal
dat wij vandaag horen staat in het begin van het Evangelie volgens
Lukas en het zal later werkelijkheid worden voor de leerlingen, als de
Heilige Geest die leven geeft ook hen overschaduwt.
Bij ons doopsel en vormsel is ook op ons de Geest neergedaald en nu
zoeken wij manieren om die actief te laten zijn in ons leven. Hopelijk
zullen ook wij wanneer wij hindernissen en ontmoedigingen tegenkomen in
ons leven de woorden van het evangelie van vandaag horen: voor God is
niets onmogelijk. Amen.
|
Nachtmis
2011: Jesaja 9,1-6; Luvas 2,1-14
|
24
december 2011, Paul Minke OP |
|
Toen
ik als pastor werkzaam was in Eindhoven, in de
jaren tachtig, ging ik menigmaal voor een kerststallentocht naar
Noord-België, naar het Vlaamse land, waar nagenoeg ieder dorp
of stad een kerststal had op de markt of kerkplein, levensgroot en vaak
ook levensecht. Soms eenvoudig met beelden, staaltjes van mooie
volkskunst, soms ook overweldigend met levende beelden van mensen en
dieren. En altijd waren er drommen kinderen, kwetterend en vragend, en
ouders die op hun manier het kerstverhaal aan hen vertelden. Het was
ontroerend hen bezig te horen in het sappige Vlaams en die stralende
ogen te zien, hun wijzende vingers en soms, hun stilte. Hier wordt de
wereld met al zijn laagheid en kwaad buitengesloten. Al wat ik hier
zag, hoorde, al wat ik hier met groot en klein intens beleefde riep
weer in mij wakker een diep verlangen, dat we allen hebben, naar een
wereld die vreedzaam en goed zou moeten zijn, waar we geborgen en
veilig zijn, naar een wereld van rust en ontferming, van licht en
liefde. Welnu, het kerstverhaal boodschapt ons: Laat dat verlangen er
zijn, geef die verwachting niet op, dat het ervan komen zal. God is met
ons.
Het zou jammer zijn als u het kerstverhaal alleen maar zou verstaan als
een gebeurtenis uit een ver verleden. U doet uzelf dan veel tekort. De
suggestie wordt wellicht gewekt wanneer Lucas het verhaal begint met:
"In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus…" maar
daarmee heeft Lucas willen aangeven, dat Jezus, Gods veelgeliefde, niet
bedacht is maar even werkelijk is als u en ik het zijn en dat hij deel
uitmaakt van de wereldgeschiedenis: in hem zijn hemel en aarde voorgoed
verbonden. Met wat Lucas zo schilderachtig beschrijft, daarmee wil hij
in beeld brengen de openbaring van Gods menslievendheid in de persoon
van Jezus Christus. Wie is menslievend? Dat is diegene, die zijn hart
opent voor ieder ander, oor en oog heeft voor de ander wie hij/zij ook
is, tot de meest weerloze mens. Menslievend is diegene, die zichzelf
kwetsbaar maakt en er voor jou is. Hoe kwetsbaar was hij, Jezus. Voor
hem was geen plaats in de herberg. Hij werd geboren in de nacht. Hij
werd gelegd in een voederbak. En wie is die 'jou' voor wie de
menslievende er is? Voor Jezus bent u dat en ik.
Wie is de mens, naar wie zijn liefde uitgaat? Laat ik het anders
vragen. Hoe ziet u uzelf alle dagen van het jaar? Hoe zou u uzelf
beschrijven? Een mens, vaak druk, soms nutteloos, soms leeg, soms moe
en moedeloos, soms blij en gelukkig, soms onbegrepen en overbodig, soms
heel alleen? Een mens met een verbrokkeld leven, met een gevoel geleefd
te worden? Heeft kerstmis, de geboorte van Jezus, in dat geval een
boodschap voor u? Hoor, wat Jesaja profeteert voor het volk dat lijdt
onder de onderdrukking. Hoor, wat hij profeteert voor u, die vaak ook
onder zorgen gebukt gaat: Het volk, de mens, die in het donker wandelt,
ziet een groot licht; een licht straalt over hem/haar in hun doodse
duisternis. Jij, God,
|
hebt
zijn blijdschap vermeerderd,
haar vreugde vergroot. Het juk, dat zwaar op hem/haar drukte heb Jij
gebroken. Want een Kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken.
En horen wij hiervan niet de echo in wat de engelen zongen, de herders
toezongen op de duistere donkere vlakten van Bethlehem? Heden is u een
redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. Vrede op aarde
onder de mensen, jullie, Gods lievelingen.
Vreugde laat zich niet afdwingen, is de ander ook niet op te leggen,
vreugde bloeit open als we ons kunnen verheugen om wat is geschied, in
die dagen, in onze dagen, heden, in de nacht waarin wij leven, om wat
ons geschonken wordt: een kind, hoop, toekomst, leven. God dank. Ik
hoop, dat u die vreugde toe kunt laten, hoe anders u zich wellicht
voelt. Laten we ons die vreugde niet ontnemen door wat er in de wereld
gebeurt aan zinloos angstigmakend geweld, dat mensen sceptisch maakt en
schouders doet ophalen bij het horen van Jezus en zijn evangelie. Laten
we ons die vreugde ook niet ontnemen door wat in de kerk gebeurt en
mensen de kerk de rug doet toekeren en die haar voor gezien houden.
Want de persoon van Jezus Christus, zijn boodschap aan u en mij zegt
ons, dat de gevoelens van vreugde, verwachting en hoop gerechtvaardigd
zijn. U mag geloven dat de wereld te redden valt en vrede voor de mens
is weggelegd. Wat onmogelijk lijkt, dat maakt de geboorte van Jezus
voor mij en u mogelijk. Namen die hem gegeven zijn bij monde van de
profeet Jesaja stemmen hoopvol: wonderbare raadsman, goddelijke held,
eeuwige vader, vredevorst.
Nee, ik wil niet wegkijken van de verschrikkingen in de wereld, onder
de volken, honger, armoede, geweld, de angst en het verdriet omdat er
machthebbers zijn, die geen verantwoordelijkheid kennen en zich
misdadig laten gelden. Nee, ik wil niet wegkijken van de pijn, de
vernedering, het geschonden-zijn van mensen, die in hun kinderjaren
zijn misbruikt door mensen van wie je het niet verwacht. Zij vragen ons
gebed, onze inspanningen om het wereldleed te leningen. Zij vragen onze
bewogenheid, begrip, al wat hun welzijn ten goede komt. Maar vannacht
wil ik met u in gedachten een kerststallentocht maken, wil ik me de
blijheid herinneren, de hoop en het verlangen, de vrede en zoveel meer
die vallen af te lezen van de gezichten van ouders en kinderen en alle
anderen. Het is de afglans van Gods menslievendheid, verschenen in het
kerstkind. Vannacht wil ik hervinden het geloof, dat de wereld, wij
mensen op aarde, redding nodig hebben van Godswege en dat God die ons
ook schenken zal. Vannacht wil ik aangesproken worden door God en zijn
zoon Jezus Christus, horen, dat Hij u en mij, ons allen, liefheeft en
ons leven delen wil ten dode toe. Ik wens u allen een Zalig Kerstfeest.
Amen.
|
Dagmis
Kerstmis: Johannes 1,1-18
|
25
december 2011, Henk Jongerius OP |
|
De
mens zoals hij in de Bijbel beschreven wordt, kijkt nooit achterom maar
altijd vooruit, verzekerd van een dak boven zijn hoofd en grond onder
zijn voeten! De Bijbel is helemaal niet geïnteresseerd in hoe
onze wereld ontstaan is, maar veelmeer in de bedoeling en de zin ervan.
En als er één ding heel duidelijk gezegd moet
worden dan is het dat er van meet af aan een spreken is, een roep, een
vraag aan ons: ‘mens, wie ben je en waar is je broer, je
zus?’
Dat spreken van God is het roepen van licht en ruimte voor de mens om
te leven en daarom begint Johannes de evangelist zijn evangelie met te
verwijzen naar het begin van de Bijbel, het boek van de Schepping of,
zoals het in de Joodse traditie wordt aangeduid het boek ‘In
den beginne’.
Van meet af aan leven wij dank zij het licht dat uit de chaos wakker
geroepen is en ons de weg wijst op aarde om haar te maken tot een goed
en veilig huis voor alle mensen die leven onder de zon. Johannes
getuigde van dat licht en wijst ons de mens aan die zal gaan zeggen
‘Ik ben het licht voor de wereld’. Ja, het spreken
van God heeft stem en gezicht gekregen in een kind, geboren in ons
midden, waarvoor geen plaats was in de wereld. Zoals er ook geschreven
staat over het licht dat God geroepen heeft van den beginne:
het schijnt in de wereld maar de mensen hielden meer van de duisternis
en willen zich niet toevertrouwen aan het licht. Toch hoedt het roepen
aan, tot op de dag van vandaag: het wenkt ieder van ons om vertrouwen
te hebben in de stem die ons roept om kinderen van het licht te worden
en alle duisternis te laten wijken uit ons bestaan. Zoals Johannes kwam
om te getuigen van het licht dat in Jezus Messias zou opgaan in onze
wereld, worden wij opgeroepen om ook getuigen te worden
van dat licht. Dat zal niet met grote woorden moeten gebeuren
maar door op
de eerste plaats ons vertrouwen te stellen op deze mens en in zijn
woorden, die ter harte te nemen en metterdaad te doen.
Als wij
herders worden voor elkaar en andere mensen het licht in de ogen gunnen
worden wij de stille getuigen van een manier van leven die anderen om
ons heen,
|
de
kerkgemeenschap en onze wereld weer hoop kan geven dat een nieuwe
wereld mogelijk is. Dat zal een wereld zijn waarin mensen betrouwbaar
zijn in hun woorden en geloofwaardig door hun daden, een wereld waarin
er licht schijnt en mensen elkaar in de ogen kunnen zien, het duister
verdrijven van geweld en haat en elkanders gezicht opdelven. Dat is de
wereld zoals zij bedoeld is van in den beginne: zij kan elke dag
geboren worden in ons leven, een wereld van waarachtige mensen van
vlees en bloed voor wie liefde het laatste en beslissende woord is in
hun leven. Als lied klinkt het zo:
In het begin was er een spreken:
licht dat voor ons aan wil breken,
ruimte voor de mensen schept
en een antwoord in ons wekt.
In het begin was het te horen
in een stilte zonder woorden
die aan onze deuren klopt,
ons een wederwoord ontlokt.
In een kind gaat het beginnen:
licht zal chaos overwinnen,
roept ons tot verwondering
in een lied vol huivering.
In een kind dat wordt geboren
wil de Ene bij ons horen,
toont Hij ons zijn aangezicht,
wonen mensen in zijn licht.
|
2e
kersdtdag: Handelingen: Handelingen 8, 8-10; 7, 54-60
|
26
december 2011, Theo Koster OP |
|
De
kans dat Stefanus Jezus gekend heeft is niet veel groter dan dat een
van ons de historische Jezus gekend zou hebben, al is de tijdsafstand
tussen Jezus’ optreden en de navolging van Stefanus veel
kleiner dan die tussen Jezus’ optreden en wij hier in deze
kapel. Toch zíet Stefanus niet alleen Jezus, staande aan
Gods rechterhand, maar hij herkent Jezus ook als de mensenzoon.
Gisteren vierden we de geboorte van Jezus. Vandaag horen we een verhaal
uit het boek Handelingen, het boek dat beschrijft hoe het de eerste
leerlingen vergaat na de dood en verrijzenis van Jezus. Er is verband
met kerstmis. We horen hoe Jezus opnieuw geboren en herkend wordt,
geboren wordt zoals hij ook heden onder ons geboren wil worden.
Jezus is het vleesgeworden goede nieuws, dat God een God van mensen is,
wiens koninkrijk met de geboorte van Jezus in onze wereld is
doorgebroken. Via de kerk weten we van dit koninkrijk, weten we van
Jezus, ervaren we in het breken en delen van brood en wijn, dat we deel
uitmaken van zijn lichaam, zijn leven.
Dit weten en ervaren is nog geen nieuwe geboorte. Stefanus, een
volgeling van Jezus vanuit de Grieks sprekende joden, wordt belaagd en
uiteindelijk vermoord door hen die het dichtst bij hem stonden: Grieks
sprekende Joden. Iets soortgelijks gebeurt binnen de kerk. Mensen van
wie je dit niet verwacht omdat ze zo dicht bij je staan gebruiken en
misbruiken hun zusters en broeders, en letten daarbij zelfs niet op
leeftijd. Net zoals we dit in de lezing hoorden weten we, hoe ook in
onze kerk geweld is en wordt gebruikt, mensen niet voor reden vatbaar
zijn, hun oren dichtstoppen, wegkijken, en daar ook nog prat opgaan:
‘wij gaan immers voor de leer van de kerk’;
‘Jezus was destijds duidelijk en verwacht dit ook van zijn
volgelingen’. Dit is niet het zien en herkennen van Stefanus,
maar een verlangen
|
naar
bevestiging en waardering van hen, die hun mantels neerleggen aan
de voeten van Saulus, de latere Paulus. Het is niet moeilijk
ons in hen te herkennen; daarvoor hoef je niet om je heen te kijken,
maar slechts bij jezelf te rade te gaan. Wij zijn het immers zo vaak
zelf, het zijn onze zusters en broeders met wie en door wie deze dingen
gebeuren.
Gelukkig zijn er ook nu mensen als Stefanus; mensen die niet alleen
gehoord hebben van Jezus en hem ervaren hebben in het breken en delen,
maar hem ook daadwerkelijk zijn nagevolgd. Kijk maar om je heen. Ik
noem geen namen, want dat leidt maar af. Kijk om je heen, in je eigen
omgeving en je zult zien: zij waarschijnlijk, of hij misschien. Hier in
deze kapel kun je Jezus ervaren, in zijn woorden, in het breken en
delen. Maar wil je hem zien, aan de rechterhand van God, dan zul je
toch daarbuiten moeten zijn: daar, in het leven van alledag, wordt hij
opnieuw geboren.
Stefanus laat zijn zusters en broeders die hem vermoorden niet vallen,
net als destijds Jezus. Zij horen hem roepen: “reken hun deze
zonden niet aan.” Begrijpen kun je zoiets niet; het heeft te
maken met dat diepgevoelde verbonden zijn met Jezus. Mocht het de
moordenaars van Stefanus niet te denken hebben gegeven, dan doet het
dit ons. “Heer Jezus, ontvang mijn geest”, bad hij
ervoor. Jezus verbond in zijn leven mensen met zichzelf, met elkaar.
Hij blijft, zo horen we, dit ook na zijn dood doen, ook hier en nu.
Dit moge ons het vertrouwen en de moed geven om daarbuiten onze zusters
en broeders tegemoet te gaan en onszelf tegen te komen. Groot is dan de
kans dat Jezus niet alleen in onze wereld opnieuw geboren is, maar ook
herkend zal worden.
|
Nieuwjaar:
Numeri, 6,22-27; Lucas 2, 16-21
|
1
januari 2012, Antoon Boks OP |
|
Wij
weten wat er aan het evangelieverhaal van vandaag
voorafging. Er was geen ruimte in de herberg en daarom ligt het kind
Jezus in een kribbe. Het is alsof Lukas ons vertelt dat we in de wereld
die wij kennen met die drukte van het dagelijkse leven, het politieke
en economische zoeken naar macht en ja zelfs in onze kerkgemeenschap
geen ruimte voor de verlosser hebben – in ieder geval niet op
de manier dat Hij bij ons komt. De herbergen van onze wereld zijn te
vol om Hem binnen te laten. Als we Hem binnen willen laten moeten wij
heel wat meubilair in onze herberg herschikken en zelfs weggooien.
Er is geen ruimte voor Jezus in elke herberg waar mensen klaar staan
voor dure gasten en waar eenvoudige machteloze en geen stem hebbende
mensen worden weggejaagd. Terwijl mensen door elkaar en hun zaken in
beslag genomen worden, kan het kind in de kribbe niet gezien worden
achter deuren die alleen open gaan voor soortgenoten. Veel mensen leven
en doen zonder te weten wat God hen aanbiedt.
Ondertussen zit God niet stil. Hij is en blijft bezig met datgene wat
hij steeds gedaan heeft: zorgen voor ons heil: Hij ziet wat we nodig
hebben en doet er wat aan. Veel van die verhalen kunnen we lezen vanaf
de eerste bladzijde in de Bijbel. God heeft altijd aan ons gedacht,
vooral toen wij Hem nodig hadden en geen rekening met Hem hielden.
Er zijn heel wat mensen die wij bij die grote gebeurtenis van de
geboorte van Christus zouden hebben kunnen verwachten - maar zij waren
er niet. De koning en de priesters zijn er niet. De politieke
machthebbers kwamen niet, net zo min als de theologen. Al die mensen
die zo graag op de TV willen komen, misten deze gelegenheid. Waarom?
Kregen zij geen uitnodiging? God had speciale gasten op het oog. Ze
kwamen uit het veld. Zij hadden geen brievenbussen, maar onze steeds
vindingrijke God stuurde speciale boodschappers om de uitnodiging te
brengen.
Wie kan meer verrast geweest zijn dan de herders? Aan hen werd het
goede nieuws aangekondigd waar de wereld al zo lang op had moeten
wachten. Het was goed nieuws dat speciaal werd gebracht aan heel gewone
mensen; later in het evangelie komt die uitnodiging ook nog bij andere
mensen die ook in de hoek zaten waar de klappen vallen. De herders
waren een verdachte groep. Zij waren steeds in beweging en als ze naar
een ander weideplaats gingen controleerden heel wat mensen hun
bezittingen om te zien wat ze kwijt geraakt waren.
|
Toch
waren de herders
bij de kribbe. Wat hadden ze gedaan om deze gunst, een speciale
uitnodiging, van God te verdienen? Niets! En dat is nu net het
belangrijkste. Kerstmis gaat over geven. Het begint met God die de
minderbedeelden ziet en voor hen zorgt. Dit evangelieverhaal kan in
zijn details uniek zijn, maar in de kern openbaart het God die voor elk
van ons een goede boodschap heeft. Er is voor iedereen genade. Het is
er voor ons hoe dan ook.
Jezus werd geboren in het aan de Romeinen onderworpen uitverkoren volk,
in een harde wereld. Natuurlijk zijn er verschillen met onze tijd, maar
ook in onze wereld schijnt de duisternis soms sterker te zijn dan het
licht: er is armoede, oorlog, ballingschap, slavernij, eenzaamheid,
ziekte, uitbuiting en dood. Toch geeft zijn geboorte ons hoop, Christus
verzekert ons dat het nieuwe leven mogelijk is. Een verlosser is ons
geboren.
Wij sluiten ons aan bij Maria en mogen overdenken wat al deze dingen
voor ons en onze wereld kunnen betekenen. Wij mogen beginnen Jezus op
de onwaarschijnlijkste plaatsen te zoeken. Hij kan daar gevonden worden
net als in het verhaal van vandaag. De belangrijke mensen van die tijd
zouden Bethlehem hebben gevonden ook niet een dorp om rekening mee te
houden om maar helemaal niets te zeggen van wat zij over de stal en de
kribbe hadden kunnen denken als de geboorteplaats voor de verlosser!
Wij zijn kind van God geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, maar we
zijn niet volmaakt. God weet dat. In zekere zin zijn wij als die
herders, maar net als zij wel uitgenodigd.
Wij komen hier bij elkaar voor de Eucharistie. Wij komen bij elkaar met
heel wat verschillende achtergronden, soms vermoeid van het werk, soms
in beslag genomen door zorgen voor onze familie en de wereld, soms met
wonden aan de binnen of de buitenkant.
Wij voelen ons thuis rond de tafel met Maria, ons voorbeeld van een
liefhebbende moeder. Met haar onthouden wij al deze gebeurtenissen rond
Christus geboorte en zijn verdere leven en we overdenken ze. Zij wist
dat de uitnodiging van God ook voor ons bestemd was. Daarom zijn wij
hier samen in de Eucharistie om zelf nog een keer het goed nieuws te
horen en iedere keer dat we hier vandaan gaan mogen we aan andere
mensen het goede nieuws verkondigen dat God met ons is. Wat een genade
als we dat het hele jaar kunnen doen. Moge 2012 een gezegend jaar
worden voor ons en alle mensen.
|
Openbaring
des Heren: Jesaja 60, 1-6; Matteus 2, 1-12
|
8
januari 2012, André Lascaris OP |
|
Matteüs
schreef zijn evangelie in een heel
andere tijd. Het aantal christenen groeide als kool. Er waren wel
heftige disputen. De eerste christenen waren joden. Konden ook
niet-joden binnenkomen? Ja, zegt Matteüs vandaag. Die moesten
wel eerst kennis maken met de joodse traditie en geschriften, met de
Bijbel dus, omdat ze anders veel van Jezus niet zouden begrijpen, en
niet zouden verstaan wat God aan hen wilde laten zien..
Matteüs heeft een verhaal geschreven op grond van zijn
ervaring en hij maakte daarbij gebruik van de profeet Jesaja en het
boek Numeri (22-24) waar de heiden Bileam een ster ziet opkomen uit
Israël. Hij laat magiërs komen uit het oosten die
eerst bij de machthebber, het politieke hoofd van de joden, Herodes,
aankloppen om de weg te vragen, niet wetende dat deze Herodes een soort
farao is en zoals de farao van Egypte bereid is kleine kinderen te
vermoorden om te voorkomen dat iemand hem naar zijn kroon steekt. Maar
ze kunnen niet om Herodes en Jeruzalem heen. Ondanks alles kunnen ze
daar Bijbel lezen. Priesters en Schriftgeleerden wijzen hen in de goede
richting.
Wat zien deze wijzen bij hun aankomst? Wat wordt hen geopenbaard? Ze
zien een ‘kind met zijn moeder Maria’. Ze zien een
kind in relatie met zijn moeder. Een kindje is, eenmaal geboren,
volstrekt hulpeloos. Eenvoudig door er te zijn is het kind een oproep
om het hulp te geven, in leven te houden, te verzorgen en te doen
opgroeien zodat het zelf kinderen kan helpen, en niet alleen kleine
kinderen, maar iedereen die afhankelijk is, iedereen die zich niet
alleen kan redden, moederziel alleen. In feite kan niemand zich geheel
redden, iedereen heeft anderen nodig om te leven, gelukkig te worden,
mens te zijn.
En juist in deze relatie tussen kind en moeder, tussen de afhankelijke
en de verzorgster, juist in deze verbondenheid openbaart God wat mensen
tot mensen maakt, laat God zien wat de uiteindelijke zin is van het
leven, en meer nog: God laat zien welke God zelf is. Aan het kind als
zodanig is niets te zien, en aan zijn moeder evenmin, maar wat de
wijzen zien is hoe zeer kind en moeder op elkaar betrokken zijn. Zo is
ook God op iedere mens betrokken. God verschijnt uiteindelijk in de
zorg, de aandacht, de liefde van de ene mens voor de andere, vooral in
die van de sterke, gezonde, talentrijke voor de zwakken, de zieken, en
minder talentrijken.
De schatten van de wereld wegen daartegen niet op. Geen goud, geen
wierook, zelfs niet de zorg voor je levenseinde, de mirre, of de
Egyptische piramiden, of de Romeinen familiegraven. Ze worden minder
belangrijk dan de levende
zorg
|
voor
elkaar. In die zorg laat God zien
wie God is. God laat zich niet zien in de geboden uit de joodse
traditie die vervuld moeten worden omdat ze geboden zijn, geboden
moeten wijken voor de zorg voor elkaar.
Evenals Jesaja en Matteüs zien wij stoeten mensen voorbij
komen. Zij
volgen een ster, hun ster, een idee, een ideaal, een verlangen. Velen
hopen dat de schatten die ze hebben meegenomen voor henzelf gebruikt
zullen worden. Ze hopen dat anderen hen zullen bewieroken, met goud
zullen decoreren en versieren, hun gedachtenis eeuwig in stand zullen
houden. Ze volgen hun verlangen, ze willen beroemd worden, door
iedereen aanbeden. Het zijn tegelijk eenzame mensen, ze dromen ervan
alleen op een voetstuk te staan.
Anderen zoeken - vaak heel echt – naar een weg om hun leven
te verdiepen. Ze gaan op zoek naar zichzelf; ze lenen activiteiten,
gedachten en vooral woorden van oosterse tradities. Ze slijpen die bij,
passen ze aan bij de westerse smaak en gebruiken ze. Ze zoeken naar
mystiek, een hogere graad van bewustzijn, een meer effectief zijn. Dat
zijn soms waardevolle schatten. Ze zijn niet te versmaden, maar ze
worden het meest waardevol als ze in verband worden gebracht met de
betrokkenheid van mens tot mens en van God tot mens.
Je ontkomt er niet aan mensen als Herodes te ontmoeten. Als je roem
zoekt verwacht je te leren van beroemde mensen, hoe beroemd te worden.
Je gaat dan de weg op van het geweld.
Of je ontmoet goeroes, coaches, spirituele begeleiders die zichzelf
aanprijzen. Je raakt je vrijheid aan hen kwijt en het kan je jaren van
je leven kosten om weer een beetje een vrij mens te worden.
Je kunt zelfs een Herodes ontmoeten wanneer je de weg van de Bijbel
opgaat. Je ontmoet mensen je willen dwingen dingen te doen en woorden
te gebruiken die een niet te dragen last voor je zijn.
Het kan je diep teleurstellen dat God zich openbaart in de relatie van
kind en moeder, van de hulpeloze en de helper en veel minder in de
pracht van een mystieke tekst. Christen zijn is niet zo interessant als
roem vergaren of oosterse of westerse wijsheid. De kerken lopen leeg.
Kerkgebouwen worden afgebroken of bestemd voor andere doeleinden. Maar
waren die ook vaak geen burchten die imponeren wilden?
Misschien laat het christendom zich meer zien in die kleine groepjes,
die ergens thuis bij elkaar komen. God openbaart zich in de zorg van
menen voor elkaar. Mogen onze ogen en die van anderen opengaan om dat
te zien.
|
Doop
van de Heer: Jesaja 42,1-7; Marcus 1,7-11
|
15
januari 2012, Paul Minke OP |
|
Mij
is de dankbare taak toevertrouwd gasten van de
communiteit te verwel komen. Ik leid ze rond door het klooster, maak
ze wegwijs in de koorboeken. Ik vertel ze hoe de dagdeling in elkaar
zit en wanneer wat er gebeurt. Al wandelend door het huis vertel ik
vaak over wie en wat wij zijn en komt van mij de vraag: wat bracht je
ertoe om een paar dagen hier te zijn? Soms is het studie, het schrijven
van een scriptie, de rust en de stilte. Soms ook: "Ik wil proberen mijn
leven wat op orde te krijgen." "Ik heb er behoefte aan over mijn
toekomst na te denken." "Ik ben de weg kwijt. Ik zoek God in de rust en
de stilte." Ik ontmoet dan mensen, die op zoek zijn naar zingeving en
spiritualiteit, naar licht in hun leven, uitzicht, een nieuwe
levenshouding, naar echtheid Het zijn mensen, die zoeken naar het
antwoord: Waartoe ben ik op aarde? Het zijn mensen, die in hun leven op
een keerpunt staan, een nieuw begin verlangen.
Wat hen beweegt om zich een paar dagen terug te trekken in het
klooster, deed mensen uit de landstreek Judea en Jeruzalemmers gaan
naar Johannes de Doper, die zoals Marcus schrijft, een doop van omkeer
predikte tot vergeving van zon- den. Zij stelden Johannes de vraag, zo
weet de evangelist Lucas ons te vertellen: Wat moeten wij doen? M.a.w.:
Wij willen een nieuwe manier van leven en doen, terugkeren naar de kern
van ons leven en de zin van ons bestaan kennen en ons opnieuw gaan
verstaan met God, de God van Abraham, Isaak en Jacob.
In de rij van godzoekers sluit Jezus vanuit Nazaret zich aan, als een
van hen. Plaatselijk is hij bekend als de zoon van de timmerman, verder
onbekend. Zijn leven speelde zich af in het verborgene in een
onbetekend plaatsje. Wie of wat dreef hem om naar Johannes te gaan om
zich te laten dopen? Was hij op zoek naar zijn levensbestemming?
Waartoe hij op aarde was? Had hij een vermoeden waartoe God, zijn
Vader, hem riep, hem zond? Sterker, wilde hij met zijn doop door
Johannes deze boodschap doorgeven, dat heel het volk van Israel zich
moest bekeren en terugkeren naar God? Op deze vragen krijgen wij een
verrassend en een niet te verwachte antwoord.
Jezus liet zich dopen in de Jordaan door Johannes en steeg meteen op
uit het water. Het doopsel van Johannes symboliseerde de doortocht door
de Rietzee van het volk, de tocht vanuit de onderdrukking, de slavernij
van Egypte naar de vrijheid. En nu: de afrekening van een verslavend,
zondig verleden naar een nieuw begin met God. Opstijgend uit het water,
beeld van de chaos, ziet Jezus de hemel open scheuren en de Geest op
hem neerdalen als een duif. Dit doet ons denken aan de eerste
scheppingsdag. "De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de
diepte. en de Geest van God zweefde over de wateren. De duif
is, dunkt me,
zichtbaar teken van Gods liefde, die de aarde wil herscheppen. Zo
openbaarde
|
God
Jezus' zending in de wereld, voor de volken, voor ons.
Hij werd geroepen om de wereld te herscheppen en de volken te bevrijden
om het aanzien van de aarde nieuw te maken tot een oord van vrede waar
de volken elkaar de hand reiken en elkaars welzijn dienen en bewaken.
Hij werd daartoe bezield door Gods Geest, werd doordrenkt van Gods
levenskracht. Hij werd daartoe bevestigd en bemoedigd door de stem, die
uit de hemel klonk: "Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik mijn
vreugde." Vanaf dat moment was God voor Jezus: Abba, vader, pappa.
Vanaf dat moment was God voor Jezus de getuige, waarop hij zich steeds
zal beroepen: Hij die mij zond, hij is het die van mij getuigt dat ik
de waarheid spreek. Vanaf dat moment wist Jezus dat God hem in dienst
nam voor zijn verbond en riep tot een licht voor de volken om blinden
de ogen te openen, om gevangen en wie in duisternis zitten uit die
gevangenis te bevrijden.
De doop, Gods stem uit de hemel bracht een wending in het leven van
Jezus. Vanuit de anonimiteit treedt hij nu naar buiten met de boodschap
van de Vader. En met een levenswijze, die mensen de ogen opent voor de
liefde van God: "Het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende pit
zal hij niet doven." Hij zal de weg gaan die God van hem verlangde,
zijn leven lang tot in de dood.
Johannes de Doper zei tot degenen, die hij gedoopt had in de Jordaan:
"Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met heilige
Geest." Wij zijn gedoopt met water en heilige Geest. Tot navolging van
Jezus. Bij de doop heeft ons leven een wending genomen al wisten we het
niet. Wij zijn vanaf dat moment geroepen tot een leven in de Geest van
Jezus Christus, tot getuigen in woord en daad van de waarachtigheid van
zijn evangelie. Op een gegeven moment in ons leven hebben we al of niet
bewust er zelf voor gekozen die weg te gaan en onze
verantwoordelijkheid ervoor genomen. Ervoor gekozen om dragers te zijn
van de Blijde Boodschap, en in de chaos van alledag de weg naar het
Koninkrijk van God open te houden voor onszelf en anderen. Het is een
weg die wij gaan met vallen en opstaan, onzeker en zoekend. Zoals ik
dat bij mezelf ervaar maar bv. ook in de ontmoetingen met de gasten. In
het vallen ervaren we onze zwakte, in ons opstaan de levenskracht van
de Geest. In de steun die we van elkaar ontvangen de bevestiging en
bemoediging van de Vader. Zo vertoont onze doop gelijkenis met de doop
van Jezus in de Jordaan en mogen we geloven dat ook wij kinderen van
God zijn, die in ons vreugde vindt. Gods liefde omringt ons, Gods Geest
vervult ons, Jezus Christus onderricht ons. In zijn woord ligt het
antwoord besloten op de vraag: Waartoe zijn wij op aarde? Zo openbaarde
de stem uit de hemel aan Jezus en ons, wie Hij is, wie wij zijn. Amen.
|
Bruiloft
van Kana: Jesaja 42,1-7; Johannes 2,1-12
|
22
januari, Theo Koster OP |
|
Op
de derde dag wordt er een bruiloft gevierd. Wie er
trouwen staat er niet bij, wordt verondersteld bekend te zijn. Wij
zouden het inderdaad mogen weten; dit verhaal gaat over ons. Zitten we
dan op een bruiloftsfeest? Ja zeker, en we zijn geen gasten; we zijn
zelf het feestvarken, de bruid. U gelooft toch in God, in degene die
naar ons omziet, die naar ons uitziet?
Onze voorouders in dit geloof, Israël, noemden zich volk van
God. Niet op eigen gezag; God had hen hiertoe uitverkoren. God had met
hen op de Sinaï een verbond gesloten, na de uittocht uit dat
vreselijke Egypte, en zij waren op zijn aanzoek ingegaan: een
wederzijds verbond van trouw. Maar dat is lang geleden.
Nu, in de tijd van Jesaja zitten we in ballingschap, verdreven van huis
en haard, in Babel. We willen graag geloven in een almachtige God, maar
we merken niets van hem, Hij grijpt niet in, laat zijn macht niet zien
aan Babel. Wat hadden we de pest in; we raakten verbitterd, en dat
maakte de ballingschap alleen nog maar zwaarder. Het duurde en het
duurde maar, en dit bracht ons tot inkeer.
Wij geloofden het wel, die almachtige God. Wij hielden ons strikt aan
de letter van het verbond, de Thora, maar vertrouwen, dat deden we
niet. We verlangden zekerheid; het lijkt op, maar is totaal anders dan
vertrouwen. In vertrouwen laat je de ander vrij zich te laten zien
zoals hij of zij is. En de Barmhartige liet zich zien toen wij ons
beeld van Hem hadden losgelaten, onze ogen open waren gegaan. Jesaja
vond hier de goede woorden voor. Die wij ons voorstelden als de
almachtige, laat zich zien in een dienstknecht, die niet roept, niet
schreeuwt, de kwijnende vlaspit niet uitblaast. Haar kracht is zacht,
geweldloos, ontwapenend,
en daardoor onweerstaanbaar voor wie er oog voor heeft: kinderen
vooral, jongeren in hun onzekerheid, en mensen die met vallen en
opstaan in hun leven geleerd hebben te vertrouwen, niet alleen met het
hoofd, ook met het hart, hun hele wezen.
Er zal een tijd komen waarop we deze God zullen zien, net zoals Mozes
hem zag. In de Messiaanse tijd zullen God en zijn volk hun trouw aan
elkaar uitspreken. Onze profeten gebruikten voor die tijd bij voorkeur
het beeld van een bruiloftsfeest, een feest dat vele dagen kan duren,
en waarop de wijn rijkelijk zal stromen.
Op de derde dag werd er bruiloft gevierd, hoorden we zojuist. De derde
dag is een begrip dat je in onze verhalen vaak tegenkomt. Het is de dag
van de doorbraak; nú gaat beginnen waar we al zo lang naar
uit hebben gezien. De moeder van Jezus is aanwezig. Opvalt dat geen
naam wordt genoemd, en dat zij er al is, alsof zij er hoort. Zij neemt
het initiatief, zoals destijds Mozes in Egypte en heeft iets te zeggen.
Zoals Mozes ons zei: houd je aan het verbond, doe de Thora, doe de wet,
zo horen we haar tegen de bedienden zeggen: doe wat hij zegt.
|
Vrouw, is dat soms uw
zaak, of anders vertaald: wat heb ik met jou te maken, zegt haar zoon.
Nú klinkt dat grof, maar destijds gaf deze uitdrukking
afstand aan. Het is de afstand die er is tussen twee mensen die met
elkaar trouwen. Hoe sterk de band ook is, de een kan de plaats van de
ander niet innemen. Vandaar het grote verdriet als de partner sterft.
Zo is het ook tussen God en mens. De doorbraak van de messiaanse tijd,
het koninkrijk van God, bepaalt God alleen; houd dus afstand;
respecteer jouw partner, ook als God jouw partner is.
Op de derde dag van een bruiloft die destijds een week kon duren is er
al geen wijn meer. Wij weten wat dat betekent: het uitzicht op de komst
van het Rijk van God was totaal afwezig. Ons geloven is een doen alsof
geworden. We houden ons wel aan de Thora; water om ons te reinigen,
zoals de Thora voorschrijft, is er in overvloed, maar we hebben geen
fiducie dat waar de Thora naar uitziet zal komen; het teken bij uitstek
van dit koninkrijk, de wijn, is er niet. De moeder verwoordt het; zij
is haar vertrouwen in de Thora, en waar de Thora voor staat, Gods trouw
aan zijn volk, niet kwijt. Als Mozes zegt ze: doe wat hij zegt. We
kennen het vervolg: het water wordt wijn. Het koninkrijk van God is
aangebroken, de Thora is vervuld, de Messias is geopenbaard. De
tafelmeester wist niet waar die goede wijn vandaan kwam. Wij weten het
wel: de wijn, de komst van Gods Rijk, komt van boven en is een totale
verrassing.
Wat doen wij met deze wetenschap? Als kerk hebben wij van onze omgang
met God een wetenschap gemaakt. Nog niet zolang geleden, toen de kerken
nog vol zaten, dachten we dat er buiten de kerk geen heil was. Deze
wetenschap is ontmaskerd; veel van wat als feit werd gepresenteerd
hadden we zelf verzonnen. Toch blijven we zingen: Hier wordt een huis
voor God gebouwd, hier wordt een tafel aangericht, hier delen wij het
levensbrood en worden nieuwe mensen. Waar het werkelijk om gaat is geen
wetenschap, biedt geen zekerheid; het wordt gedicht, verhaald, bezongen
en komt zo aanwezig.
Hier delen we ons lief en leed, getekend, soms zelfs gebroken door het
leven; hier breken we brood en delen wijn in navolging van Jezus en
ervaren, dat we opnieuw getrouwd, vertrouwd worden met de Vader en met
elkaar. In dit gebaar, waarin de oogkleppen van macht en zekerheid die
zo verleidelijk zijn wegvallen, laat de levende zich zien als de
Barmhartige, een knipoog, een por in je zij.
Hiermee zullen we doorgaan, niet omdat het moet of omdat het van ons
verwacht wordt, maar omdat we niet anders kunnen. Dit gebaar, ingebed
in de verhalen over God en onszelf, heel oude en ook steeds weer nieuwe
verhalen, houdt ons vertrouwen wakker.
|
|