PREKEN VAN DE
DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Advent 2008 (B)
| 1e zondag van de advent: Jesaja 63,
16b-64,7; Marcus 13, 33-37 |
30 november 2008, Theo
Koster OP |
|
Als
u vanmorgen bij het opstaan opeens de ingeving gekregen had, dat u
vanavond om 8 uur plotseling zult sterven, was u dan nu ook hier
geweest? Laat het tot je doordringen…. Zeg je volmondig
'nee', als ik wist dat ik vanavond om 8 uur plotseling zou sterven, had
ik hier nu niet gezeten, dan schrikt u in tweede instantie wellicht van
Jezus' woorden. Tot drie keer toe zegt Jezus immers in het stukje dat
we hoorden: weest waakzaam, want gij weet niet wanneer het ogenblik
daar is; wie weet komt het nog vóór het slotlied.
We weten niet wanneer het Rijk Gods definitief tot voltooiing komt, en
het einde van deze wereld dus is aangebroken. Zijn we er klaar voor?
Jesaja in de eerste lezing ziet uit naar God. De ballingschap is net
voorbij. Wat er nog over is van het volk van God komt terug uit
Babylon. Thuis, in Israël, Jeruzalem, stad van God, is het een
puinhoop. De mensen die er wonen zitten niet te wachten op de
thuiskomst van deze ballingen. Ze zijn niet welkom, worden vijandig
bejegend, als vreemdelingen, binnendringers.
En dan horen we Jesaja terugkijken en klagen: waarom greep Jij niet in,
God, waarom liet Jij ons destijds afdwalen, liet Jij toe dat we onze
eigen gang gingen, alsof jouw naam nooit over ons werd uitgeroepen?
Waarom werden wij mensen met een hart van steen, liet Jij toe, dat
ieder respect voor Jou uit ons weg sijpelde, wij ons gedroegen als was
er geen God. Je bent kwaad op ons omdat we zondigden.
Allemaal hebben we bloed aan onze vingers, en dat weten we.
Dus niemand
die zich nog tot Jou durft wenden, jouw naam aanroepen, niemand heeft
de moed om nog op Jou te steunen. In deze, onze wereld, ben Jij
onzichtbaar geworden. Je hebt je teruggetrokken, hebt ons overgelaten
aan ons lot, aan de puinhopen die wij van ons leven gemaakt hebben.
Het zijn grote, zware woorden die Jesaja gebruikt. Toch overdrijft hij
niet. Hij blijft heel dicht bij zichzelf, bij zijn volk wiens ellende
hij verwoordt in een groot waarom: hoe konden wij zo diep wegzakken, en
waarom liet Jij God dit gebeuren, greep Je niet in, toen Jij ons zag
losslaan, alsof we onszelf kunnen redden. Het is nauwelijks nog een
vraag, meer een constatering.
Wellicht gebeurt met jullie wat met mij gebeurt, Jesaja horende: dat je
jouw eigen situatie, ons eigen staan hier en nu in deze wereld onder
ogen gaat zien. We zijn betrokken bij wat afgelopen dagen in India
gebeurde, weten dat de kredietcrisis ons
|
eigen werk is, worden persoonlijk geraakt door ziekte, dood, ouder en
gebrekkig worden, en toch zitten we niet bij de pakken neer, noch doen
we alsof er niets aan de hand is. Er is ellende om ons heen, waarvoor
we onze ogen niet sluiten, waarvoor we verantwoording dragen, ook al
kunnen we veelal niets eraan doen.
Ellende, onheil, sloeg ook of slaat in ons eigen leven toe; we voelen
pijn, verdriet, wanhoop, onmacht. En wellicht nog erger: zelf doen we
mensen pijn, veroorzaken we verdriet, roepen we onmacht en wanhoop op.
De wereld waarin we leven is onze wereld; we hebben deze wereld ons
toegeëigend, het eigen bestaan, en de wereld waarin ons
bestaan zich afspeelt. Maar ieder van ons, en de wereld die we bewonen,
blijft ook een schepping van God.
Jesaja spreekt deze God aan met vader. Dit gebeurt maar zelden in het
Oude Testament. Jesaja spreekt deze God aan met onze vader, de
enige keer dat dit gebeurt in het Oude Testament. Zijn klaagzang,
waarin Jesaja zichzelf noch het volk spaart, het grote waarom? werkt in
het aldus aanspreken van God louterend en bemoedigend. Ook al is jouw
ellende nog zo groot, je kunt je eigen vader toch niet in de steek
laten? En waar niets Israël, waar niets ons meer kan redden,
de trouw van God, onze vader, zal groot genoeg zijn om ons te helen.
We weten, dat Jezus bij voorkeur God aansprak met 'onze vader'. En zo
heeft God zich naar Jezus toe ook gedragen. Dat is bemoedigend, maar
het neemt niet weg, dat wij God veelal ervaren als de afwezige, een
mens die in het buitenland vertoeft. Toen Jezus zijn vader het hardst
nodig had, op het kruis, leek deze afwezig. Jezus heeft dit niet
geslikt, zich niet bij de feiten neergelegd, zich beklaagd, deze feiten
onder ogen gezien en zich beklaagd. Het helpt ons zijn drievoudige
oproep tot waakzaamheid goed te verstaan.
Als het ons goed gaat, en als het ons slecht gaat, in beide gevallen is
er de bekoring je in jezelf op te sluiten: zelfgenoegzaam enerzijds of
als het grote slachtoffer anderzijds. Jezus prikkelt ons om in beide
extreme situaties onze ogen open te houden. Als je werkelijk in God
gelooft, spreek deze dan in goede en kwade tijden aan als je moeder, je
vader. Zij zal je helpen je eigen daden, jouw eigen gedrag onder ogen
te zien als een deel van een veel groter geheel: jouw medemensen, Gods
schepping. Hij zal je helpen je te verwonderen, te verbazen, als het
ons goed gaat; je ellende uit te spreken, je te beklagen, als het ons
slecht gaat, met andere woorden: Gods Rijk met open armen te ontvangen.
|
| 2de zondag van de advent: Jesaja
40,1-11; Marcus 1,1-8 |
7 december 2008, Henk
Jongerius OP |
|
De
manier waarop Marcus zijn evangelieverhaal begint is heel bijzonder,
want hij plaatst Jezus van meet af aan in de grote reeks van de
profeten die vanouds mensen hebben opgeroepen tot bekering. Beter dan
dit woord zouden wij het woord ommekeer moeten gebruiken en dat dan ook
in de meest letterlijke zin van het woord. Alleen wanneer mensen zich
omdraaien en een andere kant opkijken dan die welke zij gewend zijn,
zullen zij gevoelig worden voor wat er op hen af wil komen. Dat wordt
in de taal van de Bijbel het koninkrijk of de heerschappij van God
genoemd. Wat versta je daaronder? Dat niet wij het zijn die koning
kraaien over onze wereld en haar kunnen manipuleren en inrichten naar
onze inzichten, maar dat de aarde ons is toevertrouwd opdat wij er een
woning van mensen van maken. Er is een stille, bijna onhoorbare stem
die klinken wil in ons hart, in ons geweten, en die gehoord wil worden:
'mens, waar ben je en waar is je broer, je zus?' In bijbelse
bewoordingen zeggen wij dan ook dat God de mens roept om een menselijke
woning van onze wereld te maken. Wanneer alle verhoudingen tussen
mensen recht zijn getrokken en wij elkaar niet meer langs omwegen
benaderen, als mensen elkaar recht in de ogen lijken en een plaats
geven onder de zon, dan woont de glorie van God onder ons, dan kunnen
wij zijn onzichtbare aanwezigheid in ons midden beleven als een bron
van menselijkheid. Zonder die stem en die stille aanwezigheid zouden
wij zijn als het gras dat verdroogt onder de zon. Dat is vanouds het
goede
nieuws dat profeten verkondigd hebben en in hun voetspoor maakt Jezus
met die verkondiging een nieuw begin! Daarom wordt
|
Johannes de doper
ook getekend als een nieuwe Elia, het toonbeeld van alle profeten, en
vereenzelvigt Jezus zich met de woorden van Jesaja die troost en
bemoediging verkondigt aan zijn tijdgenoten. In hun voetspoor roept Hij
ons op tot ommekeer, waarvan het doopsel een symbolische uitdrukking
is. En als wij ons dan omkeren, hoe zien wij dan de heerlijkheid van
God in ons midden?
Op een ontroerende manier schetst Jesaja het verschijnen van God onder
ons in het beeld van de herder die zijn schapen weidt en een lam op
zijn arm draagt. Is er een mooier beeld voor de genegenheid die de Ene
en Onzichtbare voor mensen? Is er een beter beeld te tekenen van hoe de
mens bedoeld is als precies dit beeld van de herder? Wij worden
geroepen om zo met mensen om te gaan als God dit doet met ons.
Alleen in oprechte bekommernis en zorg voor elkaar wordt de wereld
bewoonbaar, zullen wij mogen ervaren waartoe mensen bedoeld zijn en wat
waarachtig levensgeluk is. God toont zich niet in grote en
ontzag-wekkende tekenen of gebeurtenissen. Hij komt niet als een
donderslag bij heldere hemel, maar licht de sluier van zijn
aanwezigheid op als mensen elkaar behoeden en gaande houden op de
levensweg. Gelukkig zijn we als wij zulke mensen in ons leven ontmoet
hebben: zij voeren ons, misschien zonder het te weten, binnen in een
nieuwe wereld van vrede, in een wereld zoals zij bedoeld is.
Daar schijnt het vriendelijk licht waarin wij warmte en hoop vinden
voor altijd. Laten wij onze ogen openen voor het verschijnen van dat
Licht in ons leven en waakzaam zijn op de stille stem van een god die
ons wil bereiken en kracht geven! Dan wordt ons leven goed en nieuw,
alle dagen die ons gegeven worden.
|
| 3de zondag van de advent: Jesaja
62,1-11; Johannes 1,6-8+19-28 |
14 december 2008,
André Lascaris OP |
|
Een klein economisch onderzoek
levert op dat sommige mensen wel de recessie ervaren en anderen niet.
Inmiddels weten we allen wat de oorzaak is van de huidige
financiële crisis: geen geheimzinnig economisch gebeuren, maar
een gebrek aan vertrouwen. De banken, dus de mensen, hebben geen
vertrouwen in elkaar en in de toekomst. Dat gebrek aan vertrouwen is
algemener dan alleen in de economie. Er is weinig vertrouwen in de
regering. Mensen binden zich niet gemakkelijk meer; ook wanneer zij
gaan trouwen. We voelen ons onveilig. We leven in een samenleving
waarin wantrouwen sterker is dan vertrouwen
Te midden van dit alles horen we die tekst uit Jesaja. Die is
geschreven rond 538 v. Chr toen de joden mochten terugkeren naar hun
eigen land. Ze waren immers in 580 getransporteerd naar Babylon. Je zou
verwachten dat ze ook Babyloniërs zouden worden. Maar dat
gebeurde niet. Integendeel, je kunt zeggen dat juist in die hopeloze
situatie het geloof van Israël vorm kreeg. In die tijd begon
de bijbel te ontstaan. Ze bleven vertrouwen dat er toekomst voor hen
was.
Die bevrijding uit de ballingschap hebben ze ervaren als een nieuw
begin, een nieuwe schepping. De geest van God rust op mij - dat
herinnert aan het verhaal van de schepping wanneer God zijn geest, zijn
adem in de mens blaast zodat deze gaat leven. God heeft mij gezalfd als
een nieuwe koning. God zendt mij om vrijheid te verkondigen voor de
mensen van Israël. Jesaja ziet nog niet heel duidelijk dat die
vrijheid alle mensen moet bereiken. Het einde van de ballingschap is
een nieuw begin als op een trouwdag, als een eerste lentedag. Kortom,
de schrijver ziet dat God een nieuw begin gemaakt heeft. Hij ervaart
dat zijn vertrouwen terecht was.
Dat vertrouwen dat God een nieuw begin maakt hoorden we ook in de
tussenzang. We zongen een gedeelte uit het lied van Maria. Maria is
hier een symbool van onvruchtbaarheid, van een leven zonder toekomst,
dat echter onverwacht toekomst krijgt. En dat leven in de eerste eeuw
was hard: de Romeinse dictatuur was genadeloos. Maar in dit lied wordt
uitgesproken dat er toekomst is voor de armen en hen die geen macht
hebben. God blijft zijn mensen altijd trouw.
Johannes is een getuige van degene die nog komen moet. Hij doopt - en
dat is ook een nieuw begin, Want door de Jordaan heen trok het volk van
Israël ooit het beloofde land
|
binnen. Zo herinnert hij iedereen eraan wat zijn taak en opdracht in
het leven moet zijn. In een tijd van dictatuur en van een door geboden
en verboden beheerste godsdienstbeleving, zegt hij vooral wat hij niet
is. Neen, hij heeft niet de pretentie de Messias, de nieuwe koning te
zijn. Hij is Elia niet, die grote profeet uit de tijd van nog voor de
ballingschap. Hij is niet de profeet die weer anderen verwachten. 'Ik
ben niet…', zegt hij telkens. Dit staat in schril contrast
met Jezus die van zichzelf zal en mag zeggen in het vierde evangelie:
ik ben het licht, de waarheid en het leven. Ik ben de goede herder, ik
ben de verrijzenis en het leven, ik ben… Johannes is een
voorloper en getuigt dat de Messias komt als een machteloze, als een
lam verschijnt Jezus. En juist die machteloosheid zal de wereld
bevrijden van de zucht over anderen te heersen, van het verlangen voor
God te spelen en te denken dat je de wereld naar je hand kan zetten.
Johannes leeft en doopt in en bij de woestijn. Hij is een soort balling,
Jezus, die na hem komt zal onder de mensen leven. Hij zal niet tegen de
zondaars, bedriegers zoals de tollenaars, zeggen, allereerst, bekeert
U, maar: God heeft ook jou lief, God blijft ook jou trouw, God schenkt
je zijn vertrouwen. En als je dit vertrouwt, als je dit gelooft, dan
zul je vanzelf goed handelen en een einde maken aan alle pogingen
jezelf groter te maken dan je bent.
Vertrouw erop dat God je lief heeft, dat je hem ter harte gaat. Dat is
geen waarborg voor een gelukkig leven of een geslaagd leven wat dat ook
moge zijn. Maar dit betekent wel dat zelfs op de eventuele puinhopen
van je leven God een nieuw begin kan maken. Misschien geen spectaculair
nieuw begin zoals bij Jesaja. Maar ook het verschil tussen Johannes en
Jezus lijkt maar klein en toch zijn we met Jezus in een andere wereld.
Wanneer we kerstmis vieren, de geboorte van Jezus, worden we eraan
herinnerd dat God trouw blijft en een nieuw begin kan maken.
'Vertrouw je niet, dan houd je het niet', zegt de profeet Jesaja elders
(7, 9). Wij zijn geen voorlopers van Jezus, maar nalopers. We worden
uitgenodigd met hem en hen die hem en ons voor gingen te vertrouwen op
God. Vanuit dat vertrouwen kunnen we anderen, elkaar, leren vertrouwen.
Niet vertrouwen op economische wetmatigheden, maar vertrouwen op
mensen. Als iedereen iedereen durfde te vertrouwen, zou heel onze
wereld ingrijpend veranderen. Hier en nu, vandaag, kunnen we een nieuw
begin maken . We kunnen dan voorlopers zijn van het rijk van God dat
zich nog moet ontplooien in volheid.
|
| 4de zondag van de Advent: 2 Samuel 7,1
- 16; Lucas 1,26 - 38 |
21 december 2008, Ernst
Marijnissen OP |
|
Als we de eerste bladzijde van
de bijbel openslaan, vernemen we dat de Geest van God heen en weer
waait over en grenzeloze chaos. Er is geen plaats om neer te dalen, te
landen. Het is alles onrust, lawaai, een woelende en woedende aan
zichzelf geketende wereld. Daar is geen wachten op God. Alles is
duisternis. God moet schreeuwen om licht en zelf eerst orde op zaken
stellen.
Wachten op God. Dat beeld wordt in de evangelielezing juist
wél opgeroepen. Zo hebben veel kunstenaars en verkondigers
Maria uitgebeeld en getekend: een zittende of knielende jonge vrouw; de
handen gevouwen of opengelegd om te ontvangen. Zij wacht niet zo maar.
Het is een actief verwachten, want de Schriften liggen open, heel
dikwijls op haar schoot. Zij hoort en leest vol aandacht en probeert te
verstaan. Alles is geordend voor een scheppend gebeuren: het neerdalen
van de Geest.
Nog een ander beeld dient zich aan. Ik zie de jonge kerk lang geleden
en bij haar prille begin in Jeruzalem bijeen. Ze leest de Schriften, er
wordt samen over gesproken, ze zingt en bidt. Ze wacht op God. Dan
daalt de Geest neer als een vuur. Harten worden in gloed gezet, mensen
worden als door een hevige wind van stof ontdaan, verfrist en in een
nieuw vel gestoken. Het Woord, dat zij hoorden in lezen en mediteren,
kan geschieden, dat wil zeggen werkelijkheid gaan worden in het leven
van elke dag. Dat Woord zet hen aan tot daden, die heil, dat wil zeggen
heling of genezing brengen.
Als de Eeuwige het huis van een nieuwe wereld bouwt, gaat dat gepaard
met een actief wachten. David was te snel. Hij was wel actief maar kon
niet wachten. Hij wilde snel een tempel in elkaar timmeren om zijn
schuldgevoel het zwijgen op te leggen, want hijzelf woonde immers in
een fraai huis, terwijl God, die hem zo gezegend had, in een tent
verbleef. Zo zag hij dat tenminste. De profeet helpt hem, aangespoord
door een Woord van de Levende, uit de droom. Als je over de toekomst,
het huis bouwen en het wonen van God spreekt, moet je van goede huize
komen, wil je daarbij een rol mogen en kunnen spelen. De profeet laat
David weten, dat de Levende zijn huis -dat is een gemeenschap van
levende mensen- zal zegenen en tot aanzien brengen. Als die gemeenschap
zich het Woord van God blijft herinneren en ernaar leeft, zal dat huis
zegen ontvangen, want het wordt tot het huis van God. Dat kost tijd,
veel tijd. Dat huis is namelijk zó onvoorstelbaar anders,
dat we ons maar over de kop zouden jagen ingeval we gaan denken, dat
wíj de bouw ervan vaststellen.
Wachten op God: zo kun je het komen en het tot stand brengen van een
samenleving aanduiden, die voor alle mensen leefbaar en genietbaar is.
Zo'n samenleving staat haaks op de wereld, die wij de onze noemen. In
onze dagen is het beeld van een wachtende, mediterende en luisterende
Maria niet erg populair. Actief wachten is achterhaald en economisch
een luxe aangelegenheid geworden. We hebben er zelfs geen oog meer
voor, dat het wachten van Maria vervuld was van zorg
|
voor de groeiende vrucht in haar schoot. We hebben geen tijd meer om
ons te realiseren, dat onder die vele afbeeldingen, waarover ik het
had, de Schrift op haar schoot ligt te rusten bovenop de vrucht en het
wassende leven van de toe-komst. De wereld, waarin wíj
leven, is eerder een gestaag wassende benauwenis.
Kúnnen wij nog wel wachten? Als ik rondzie in de wereld van
vandaag wijzen vele verschijnselen op heel iets anders. We zijn zo
gehaast en alles moet snel en steeds sneller, dat we geen tijd meer
hebben voor het heden. Het heden lijkt op een lastig obstakel, dat we
zo snel mogelijk uit de weg moeten ruimen. We reserveren ons geld voor
ondernemingen in de toekomst en hebben te weinig om de nood van vandaag
te leningen. Later, zeggen we, later wordt alles beter. Wie beschermt
ons nog tegen de tomeloze productiedrift van het bedrijfsleven? Als u
nauwelijks een nieuw apparaat heeft gekocht, van mobieltje tot computer
en auto, vallen de folders van een nog beter apparaat al bij ons in de
bus. Reclamespots loeien ons tegemoet. Een voortschrijdende
automatisering wordt ons door een toenemende concurrentiestrijd
opgedrongen. En dus ook het verlies van banen. Met luide woorden worden
u en ik verleid om deel te nemen aan een steeds onpersoonlijk wordende
samenleving, van tickets-automaten en betaalpasjes in veelvoud. We zijn
de gewillige prooi aan het worden van deze onverzadigbare hebzucht. De
zo geheten commerciële zenders beloven ons gouden bergen, maar
hun programma's bestaan slechts uit onderbrekingen voor het herhalen
van steeds weer dezelfde reclameboodschappen. Onze samenleving wordt in
toenemende mate opgevuld met lawaai, door elkaar pratende en niet naar
elkaar luisterende mensen én vooral naar het zoeken van
zondebokken. Terwijl het heden schreeuwt om warmte en nabijheid, maar
in brand staat door de ontelbare slachtoffers van een voortrazende
wereld, praten we over betere blusmiddelen in de toekomst. Maar wie het
heden verwaarloost verliest het vermogen om te toeven, te wachten, uit
te zien. Daarom stapelen de geestelijke en lichamelijke kwalen en
klachten zich op als bouwstenen van een zielloze kolos. Een grijsgrauwe
torenflat. Dat is geen huis om in te wonen en bij elkaar te toeven. We
bouwen als het ware etage op etage, hoger en hoger, maar aan de
fundamenten, die steeds grotere druk moeten verdragen, doen we niets.
Later, zeggen we, later als we er geld voor kunnen vrijmaken!
Onze tijd heeft grote behoefte aan die wachtende Maria. Ze staat voor
alles, wat wij eigenlijk óók wel willen maar niet
of te weinig doen. De kerstbomen zijn al binnen en versierd en de
kaarsen branden al. Het heden, de beleving van die prachtige en
indringende tijd van de advent, laten we verdampen.
Toch doen we er beter aan de tekenen en de woorden van God in de schoot
van onze gemeenschap te behoeden en te koesteren zoals een vrouw omgaat
met de vrucht van haar schoot. Ook wij zijn geroepen te wachten op God:
zie, hier ben ik, tot jouw dienst, God. Ik wil leven naar jouw Woord.
Leer ons wachten, bescheiden levend, op jouw komst.
|
| Nachtmis: Jesaja 9,1-6; Lucas
2,1-14 |
24/25 december 2008, Paul
Minke OP |
|
Op
5 december kopte Trouw boven een artikel: Braziliaanse wint
kindervredesprijs met theaterstuk over sloppenwijk. Haar naam is Mayra
Avellar Neves, oud 17 jaar, een meisje nog. Zij woont in Vila Cruzeiro,
een van de gewelddadigste wijken van het Braziliaanse Rio de Janeiro,
waar niemand, groot noch klein, veilig is, waar recht niet bestaat,
onderwijs ontbreekt, vrijheid en vrede onbekend zijn. Zij ontving de
prijs uit handen van Bisschop Desmond Tutu, die diep voor haar boog bij
de prijsuitreiking, uit eerbetoon, zoals eens herders en koningen het
hoofd bogen voor een vredesvorst. In een welhaast uitzichtloze situatie
zet zij, een jonge kwetsbare vrouw zich in voor de vrede, voor recht op
onderwijs, voor menswaardig leven en legt zij met haar toneelgroep de
onmenselijke leefomstandigheden bloot van allen, die dag in dag uit
geweld en angst moeten verduren. Toen ik dat verhaal in de krant las,
kwam voor mij het kerstverhaal tot leven.
Jezus werd geboren, zoals de traditie zegt, in een stal en gelegd in
een kribbe. Want voor hen was geen plaats in de herberg, zo weet Lucas
ons te melden. De herberg is de plaats, waar je geborgen bent, veilig
en beschut, de plaats ook waar je welkom bent en deel hebt aan
elkanders leven. Maar die plaats werd Jezus en zijn ouders geweigerd.
Buitengesloten. Zij werden de nacht ingestuurd, onwelkom waren zij,
zoals zo velen.
Dagelijks worden kinderen geboren in sloppenwijken en
vluchtelingenkampen in asielzoekerscentra, ouders van huis en haard
verdreven, dagelijks opgejaagd. Onder omstandigheden die te vergelijken
zijn met de geboorte van Jezus. Omstandigheden, die je de moed kunnen
ontnemen ook maar iets te doen. Omstandigheden die je het geloof kunnen
beroven dat er ook toekomst is. Voor hen is nauwelijks plaats in de
herberg van de wereld, geen tehuis. Het zijn wel de mensen, die mensen
uitsluiten, van de groten als keizer Augustus tot de kleine baasjes
zoals de herbergier die de deur dichtsmeet.
Wat het kerstverhaal ons leert is: Jezus treedt de wereld binnen als
een vreemde, als een naamloze aan wie men gastvrijheid weigeren kan en
dat is dan ook gebeurd. Als een weerloze, die men straffeloos vervolgen
kan. En dat gebeurt. God kiest ervoor de kant te kiezen van de kleinen
en machtelozen, kiest ervoor lotgenoot te zijn van wie onbeschermd en
kwetsbaar zijn kiest ervoor het leven te delen met wie te veel en
overbodig zijn. Opdat wij weten, dat zij op de eerste plaats komen bij
God. Opdat wij weten, dat God op de eerste plaats God van de armen is.
Opdat wij weten, dat wie God verkiest te geloven en hem te volgen, dat
wij dan zijn keuze hebben te beamen en te doen als dit kind. Maar het
kerstverhaal leert ons meer.
|
Het verhaal neemt een wending. In die nacht verkeerden ook herders,
mensen die in laag aanzien stonden. Zij werden gemeden, buitengesloten,
vreemd volk was het, onbetrouwbaar. En dan plotseling, een helder
licht, een engel des Heren, een boodschap: Heden is u een redder
geboren, Christus de Heer, in de stad van David. Eer aan God en op
aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft. Herders, zij,
in hen heeft God welbehagen, zij zonder aanzien bij mensen maar zij
genoten wel aanzien bij God. Hen gold de groet uit den hoge: Vrede.
Welbehagen heeft God in mensen zonder aanzien: armen en vluchtelingen,
mensen niet in tel, kinderen, levend in angst en duisternis, zonder
hoop. welbehagen heeft God in dat jonge meisje van 17 in Rio de
Janeiro.
Maar ook wij mogen ons aangesproken weten door de woorden van de engel.
Ook wij kennen duistere nachten. Is het niet omwille van onszelf, om
wat ons overkomt, dan om wat anderen overkomt aan leed, verdriet en
verlatenheid. Ook ons wordt vrede aangezegd, wij die ons tot zijn volk
mogen rekenen. Woorden als "Heden is u een Redder geboren" en "vrede op
aarde" zijn woorden die in ons een groot en diep verlangen loswoelen
naar vrede en geluk, naar een aarde en een wereld zonder angst en leed,
naar een saamhorigheid, die niet wordt verstoord door jaloezie, nijd,
begeerte en egoïsme. Deze nacht beseffen we meer dan in andere
nachten die we doormaken dat een mens eigenlijk geboren wordt voor
geluk en vrede en liefde. Deze nacht is ons zo heilig, omdat we ondanks
wat we zien en meemaken het de hoop in ons tot leven wekt, dat de
verlossing ook geschieden zal. God wil het. Wij verwachten het nu God
in dit kind het leven met ons deelt. Deze nacht, het stilstaan bij de
geboorte van dit goddelijk kind maakt ons onrustig en zet ons aan op
zoek te gaan naar tekenen die van Gods nabijheid getuigen, van zijn
zorg en liefde onder ons. zoals eens ook de herders, die op zoek gingen
naar dit kind in de kribbe. Zo'n teken als van die jonge vrouw, die
licht bracht in 't leven van mensen daar.
Met de geboorte van dit kind breekt het Godsrijk van vrede en recht
door. Het volk dat in het donker woont, ziet een groot licht, zo zingt
Jesaja uit. Dat het in feite nog donker is, berooft hem niet van de
vreugde, die hij voelt. Waar voor hem aanzet tot bevrijding is: de
geboorte van dit kind, Daar zal de voltooiing onherroepelijk plaats
vinden, hoe ongelooflijk ook. In zijn beleving was het al voor Jesaja
gebeurd. Vandaar zijn gejubel. Vanuit die zekerheid had voor hem de
actuele realiteit zijn verschrikking verloren.
Zo mogen ook wij nu, heden, in het leven staan, met dat nieuwe
per-spectief, een toekomstverwachting, aangeduid met woorden als
redding en bevrijding, met woorden als vrede en: Gods menslievendheid
is onder ons verschenen. Moge dit teken van Godswege: - een pasgeboren
kind, in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe - ons overtuigen,
dat God welbehagen heeft in ons, ons draagt bij alles, ondanks alles en
ons voeren zal naar de definitieve bevrijding in Jezus Christus. Ik
wens u alles een Zalig kerstfeest.
|
| 1e kerstdag: Jesaja 52,7-10;
Johannes 1,1-18 |
25 december 2008, Antoon
Boks OP |
|
Steeds
weer opnieuw vieren we Kerstmis, of laat ik me wat meer theologisch
uitdrukken: we vieren, dat Jezus mens geworden is. Dat is ook het jaar
thema voor de Orde van de Predikers in 2009 -"In het begin was het
Woord" (Joh 1,1): Dominicus als prediker van de Genade".
Is er iets eerder dan het begin? Toen was er al het Woord. In feite
hebben alle profeten steeds weer het woord genomen en dat uitgesproken.
Ze waren geen voorspellers, maar zieners; ze spraken niet over de
toekomst, maar eerst en vooral preekten ze om iets te zeggen over de
tegenwoordige tijd. Zij keken verder dan hun neus lang was, en zagen
dingen, die vele andere mensen niet zagen.
Zo brachten in het verleden profeten hoop voor vele mensen in moeilijke
tijden.
Niet alleen profeten als Jesaja durfden mensen op te roepen om te
geloven in de toekomst, of om het met andere woorden te zeggen:
profeten durfden mensen op te roepen om de handen uit de mouwen te
steken en te beginnen. Licht zal schijnen in het duister. Dat is waar
700 jaar voor Christus. Dat geldt ook voor het begin van onze
jaartelling en voor de tijd van Dominicus en dus ook voor onze tijd.
Licht zal er komen; vreugde is groter dan droefheid; vrede is sterker
dan oorlog; onderdrukking zal eindigen.
Het is voor ons zelfs niet nodig om te komen met grote woorden, maar
het moeten wel woorden zijn, die waar zijn, die uit ons hart komen.
Dan mogen we niet alleen op de achtergrond, maar heel duidelijk horen
dat God belangrijk is. Het is niet nodig, dat we allemaal de Alleluja
uit de "The Messiah" van Handel zingen of zelfs maar op de achtergrond
horen.
Veel mensen proberen dat naar voren te brengen, laten we luisteren naar
de boodschap van bepaalde zangers en dichters, dan kunnen we onszelf en
andere mensen hoop geven.
Vannacht hoorden we van een keizer en onderdanen, die aan hem moesten
gehoorzamen, maar deze morgen zijn er woorden, die werkelijkheid maken:
het zijn de woorden van God, maar wij als beeld en gelijkenis van God
mogen steeds weer opnieuw woorden spreken en dan maar hopen, dat ze ook
vruchtbaar zijn, dat ze ook scheppend zijn.
God is aan het werk en die keert alles om. Het begin van een nieuwe
schepping wordt aangekondigd. Niet alleen Jozef en Maria, maar ook
ontelbaar velen van ons, gewone mensen, dragen iedere dag ons steentje
bij, want wij lezen niet uit een geschiedenisboek, maar uit een
heilgeschiedenis boek en daarin zijn wij door Gods genade de
hoofdrolspelers. Johannes de Doper en Johannes de Evangelist brengen
Gods beloften naar voren. Die beloften gaan maar door en worden
vervuld. Het begon
|
met de eerste twee mensen en het ging door, Abraham en Sara, Maria en
Jozef. Door al die gelovigen, die ons voorgingen zullen alle naties
zegen ontvangen. Er is goed nieuws, niet alleen voor de herders, niet
alleen voor de wijzen, maar voor ons allemaal. Alleen we moeten er wat
aan doen, of liever gezegd, we moeten er alles aan doen. Wij krijgen
een blijde boodschap, die waar gemaakt moet worden. God beloofde en God
maakt het waar, door middel van ons.
Op verzoek van velen is de Kerststal in onze kapel weer als vanouds.
Jammer! A.s. zaterdag is er weer een kerststallentocht in Lingewaard.
Kinderen lopen of rijden dan met hun ouders - het is een zaterdag - of
met hun grootouders van stal naar stal, maar laten we niet alleen
kijken naar mooie Kerststallen: we moeten of mogen het verhaal
werkelijkheid maken in onze dagen. Laten we eerlijk zijn: er zijn
helaas nog steeds mensen, die dakloos zijn, die net als de herders geen
mensen waren die op het einde van het jaar bonussen krijgen. De herders
waren arm en hun werk zorgde er voor, dat ze hun religieuze
verplichtingen niet konden nakomen. Het waren mensen, die meer dan eens
te horen kregen, dat ze moesten maken dat ze weg kwamen. Zelfs de
wijzen waren echt niet de koningen waar we soms zo gemakkelijk over
praten.
De almachtige God werkt voor en onder alle mensen, armen en rijken, ook
al zijn ze onbelangrijk in de ogen van veel mensen. God heeft ons
allemaal geschapen en vindt ieder van ons belangrijk.
In de tijd van de geboorte van Jezus, maar ook toen hij gekruisigd werd
scheen Rome het voor het zeggen te hebben, maar de tijden zijn
veranderd: we tellen niet meer sinds de stichting van Rome, maar sinds
de geboorte van Jezus. De genade van God, het Woord van God herschept
de wereld voor iedereen die ogen heeft om te zien, of oren om te
luisteren naar de goede berichten, het goede nieuws, dat ook vandaag
weer wordt verkondigd aan ons.
Alle mensen zijn schepselen van God. We mogen zijn genade ontvangen. We
lezen geen geschiedenis, zelfs geen bijbelse geschiedenis, we krijgen
een blijde boodschap te horen. Want die blijde boodschap is er voor ons
vandaag en morgen, zoals die er ook was in het verleden. God is niet
verleden tijd, die iets belangrijks deed lang geleden in een ver af
gelegen land. God is echt hier en nu genadig met ons bezig. God is
tegenwoordige tijd. We hoeven maar even onze ogen af te wenden van de
krant en de Televisie met hun grote show van macht en wereldlijke
belangrijkheid en we zien waar het werkelijk om draait. Mensen zoals u
en ik zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Mensen zoals u en
ik mogen het woord van God herhalen. Wij mogen genade betekenen voor
onszelf en onze medemensen. De blijde boodschap van Jezus kan ons
helpen onze ogen te richten op het grote geluk en onze oren te openen
voor het goede nieuws, dat aangekondigd wordt voor alle mensen. Dat
wordt VANDAAG werkelijkheid.
|
| 2e kerstdag: Handelingen 6, 8-10; 7,
54-60 |
26 december 2008, Theo
Koster OP |
|
Op het eerste gezicht, bij de eerste ontmoeting kan Stefanus overkomen
als een irritant mannetje; je krijgt geen vat op hem. Wat hij doet, er
is sprake van grote wondertekenen onder het volk, doet hij krachtens
zijn geloof in Jezus van Nazareth, dus in de geest van Jezus. Voor wie
dit geloof niet deelt is Stefanus niet te begrijpen. Dat is irritant
voor zijn gesprekspartners en het leidt tot redetwisten, een hele groep
tegenover Stefanus alleen. Maar zij konden niet op tegen de wijsheid en
tegen de geest waarmee hij sprak, hoorden we. Wie, zoals Stefanus,
leeft uit vertrouwen hoeft zich niet te bewijzen. Die vertelt slechts
uit eigen ervaring. Vertellen uit eigen ervaring is ontwapenend, en kan
daarin voor mensen die ermee geconfronteerd worden uiterst irritant
zijn. Wijze mensen, en dat zijn mensen die putten uit eigen ervaring,
zijn immers niet uit op gelijk. Zij vertellen en zijn niet te vangen in
het nog steeds populaire spel van gelijk hebben, gelijk krijgen, een
vorm van je eigen bestaan afdwingen. In het verhaal over Stefanus komen
twee werelden met elkaar in botsing: Kennis komt in aanvaring met
wijsheid, zekerheid botst op vertrouwen. Het resultaat is eveneens
tweeledig: Moorddadig geweld tegenover een bede om vergeving. Kennis en
wijsheid zijn twee vormen van bewustzijn; zijn dus familie van elkaar.
Zekerheid en vertrouwen liggen zelfs zo dicht bij elkaar dat we ze door
elkaar gooien. Als ik tegen u zeg: ik ben zeker van u, dan bedoel ik in
feite: ik heb een groot vertrouwen in u. U hoort mij dit niet zeggen;
daarvoor ken ik u onvoldoende. Wellicht vindt u dit irritant. Het zij
zo. Zelfs al zou ik alle gegevens van u krijgen, uw hele doopceel
kennen, het zou geen reden zijn mijn vertrouwen in u uit te spreken.
Vertrouwen kun je niet afdwingen. Vertrouwen kost tijd, veronderstelt
regelmatige omgang met elkaar. Hetzelfde geldt voor wijsheid. Wijsheid
kun je niet zoals kennis verwerven achter je bureau, uit de boeken.
Wijsheid groeit door te leven, ervaringen op te doen, deze te verwerken
en te bevragen. Kennis en zekerheid geven macht, wijsheid en vertrouwen
maken
|
je krachtig. Het vertrouwen in Jezus, waaruit Stefanus leeft en
handelt, is niet gestoeld op feiten, maar op eigen omgang met Jezus.
Hoe kan dat, vraagt u zich nu misschien af; wie zegt dat Stefanus Jezus
heeft gekend? Ja, de kans bestaat, dat Stefanus Jezus nooit persoonlijk
heeft ontmoet, zoals dat ook voor ieder van ons geldt. Geloof in
mensen, in God, vertrouwen dus, ontstaat niet uit harde feiten, hoe
belangrijk deze ook zijn, maar uit verhalen. De naakte feiten kun je
terugvinden in een geschiedenisboek of kroniek. Een beeld van iemand
krijg je pas uit de verhalen die over hem of haar verteld worden. Ieder
van ons kent wel mensen die je nooit ontmoet hebt, maar die je
vertrouwd zijn geworden uit de verhalen. Zou je zo'n iemand ineens
ontmoeten, dan zou je hem direct herkennen; niet aan zijn gezicht, want
gezichten zijn vervangbaar, maar aan zijn doen en laten. Het beeld dat
Stefanus van Jezus heeft is zo concreet, dat hij Jezus ziet staan aan
Gods rechterhand. Uit verhalen van profeten was Stefanus vertrouwd met
een mensenzoon zittend aan Gods rechterhand. Zijn vertrouwen in Jezus
brengt dit beeld tot leven: Jezus is opgestaan om zijn getuige Stefanus
in een bedreigende situatie moed in te spreken. En als Stefanus dan
gestenigd wordt schenkt hij deze Jezus zijn geest, en handelt hij als
deze Jezus: Heer, reken hun deze zonde niet aan. Hier is op geen enkele
manier sprake van gelijkhebberij, van zekerheid. Vertrouwen keert zich
niet tegen mensen; vertrouwen neemt mensen mee, werkt aanstekelijk als
de irritatie voorbij is. De periode tussen de dood van iemand en zijn
begrafenis wordt doorgaans door mensen achteraf als heel goed
beoordeeld; vanwege de vele verhalen die boven komen. Door deze
verhalen blijf je in contact met de overledene. Wacht niet met elkaar
de verhalen te vertellen na het overlijden. Begin er nu al mee en je
zult merken, dat verhalen, al of niet aangedikt, de wereld menselijker
maken, en de hoorders en vertellers krachtiger, vervuld van heilige
Geest. De Geest werkt in en door mensen, in en door hun verhalen, en
wordt zo zelf een krachtig verhaal.
|
| Onnozele kinderen: 1 Johannes 1,5-2,2;
Matteus 2,13-18 |
28 december 2008, Mies
Singendonk OP |
|
Wie was Jozef, de man van
Maria? Er worden niet veel woor-den aan hem gewijd. Maar wat wordt er
eigenlijk wél over hem gezegd? En wat kunnen we nog meer
over hem te weten komen?
Jozef is een rechtvaardig man; Maria is zwanger.
Een schande en een ontering van de familie! Omdat Jozef een
rechtvaardig man is blijft hij bij haar en beschermt hij Maria's eer.
En echt hij het kind in haar buik. Ook al is het een oeroud verhaal,
het blijft ongewoon. In zijn dromen wordt Jozef geroepen tot moeilijke
en risicovolle opdrachten. Maar we horen geen woord van protest van
hem. Hij handelt met vaderlijke zorg. Hij roept niet: dat kan ik niet,
er zijn veel machtiger mannen dan ik, laat die het maar doen. Hij moet
met knikkende knieën op weg zijn gegaan met Maria en Jezus.
Net als zijn verre voorvader die ook Jozef heette, is hij genoodzaakt
in Egypte zijn toevlucht te zoeken.
Voordat het zover kwam kregen de drie Wijzen een
waarschu-wende droom om niet terug te keren naar Jeruzalem. In
Jeru-zalem is immers Herodes die bevreesd is voor zijn macht en niet
kan wachten om te horen waar die zogenaamde nieuwe koning dan wel mag
zijn. Pas nadat de Wijzen via een andere weg zijn vertrokken ontvangt
Jozef de opdracht om met Maria en Jezus naar Egypte te vluchten. Waarom
in godsnaam naar Egypte? Israel was toch ooit door Mozes bevrijd uit
Egypte? Maar Jozef doet wat hem gezegd wordt. Hij wordt wakker en gaat
onmiddellijk met Maria en het kind op weg. Het was nog nacht staat er.
Ze gaan door de nacht op weg naar Egypte. Om daar opnieuw een
vreemdeling te zijn. Het is een omgekeerd paasverhaal. In het verhaal
van de uittocht uit Egypte eten de mensen nog haastig wat ongegist
brood voor ze op weg
|
gaan. Jozef en Maria breken haastig op en gaan onvoorbereid, zonder
brood, met het kind op weg.
Van je plaats komen en het onbekende intrekken is angstig. Om dat te
kunnen heb je vertrouwen nodig. Een rotsvast ver-trouwen in: Emmanuel.
God met ons.
Wat weten we nu nog meer over Jozef? We weten dat hij Ma-ria met
respect behandelt, haar niet te schande wil maken. We weten dat hij een
rotsvast vertrouwen moet hebben in een tastbaar kind, genaamd God met
ons. We weten dat hij in de voetsporen treedt van aartsvader Abraham
die uittrekt uit zijn land. Hij treedt in de voetsporen van zijn verre
voorvader Jozef die zijn toevlucht in Egypte moet zoeken. Hij treedt op
als vroedvrouw bij de geboorte van Jezus. Zoals de vroedvrouwen Sifra
en Pua ooit hielpen om de kleine Mozes geboren te laten worden. En hij
treedt in de voetsporen van Farao's dochter die zich over de kleine
Mozes ontfermt. En hem opvoedt als haar eigen kind. In de wat kleurloze
Jozeffiguur zijn vele grote ge-stalten samengebald, mensen die tegen de
verdrukking in het buitengewone deden. Helden eigenlijk.
Geen held ontkomt aan tragiek. Want het leven is
grillig. Zoals Mozes het beloofde land niet kon betreden, zo moest
Jozef onder ogen zien dat Herodes uit wraak en uit angst voor
machtsverlies talloze kleine jongetjes had laten doden.
Maar we moeten de gestalte van Jozef echter niet
alleen laten samenvallen met die tragiek. Maar vooral zien als het
voor-beeld van een mens "wandelend in Gods licht": in Gods waar-heid..
In de 1e brief van Johannes wordt gezegd: wie zegt in het licht te
wonen en zijn broeder of zuster haat, verkeert nog altijd in het
duister. Wie zijn broeder of zuster liefheeft woont blijvend in het
licht. Jozef leert ons dat je naaste liefhebben ook betekent dat je je
naaste behoedt voor smaad. Door Jozef hebben we toegang tot Jezus, door
Jezus toegang tot Mozes en alle vaders en moeders van ons geloof. Het
zijn al deze gestalten die ons toegang hebben gegeven tot Gods licht.
Amen
|
| Nieuwjaar: Numeri 6,22-27; Lucas
2,16-21 |
1 januari 2009, Ernst
Marijnissen OP |
|
De herders op het veld bij
Bethlehem werden volkomen overrompeld. Want opeens, zonder dat een mens
het vermoedt of afdwingt, verschijnt de heerlijkheid van de Eeuwige.
Lucas, die voor niet-joden schrijft, vertelt dat in het beeld van
engelen, die bekendmaken dat eindelijk de Messias is geboren. Maar
iedere Jood begrijpt dat hij spreekt van de schekinah, de wolk, die de
aanwezigheid en het handelen van God symboliseert. De bijbel verhaalt
van deze wolk, dit verschijnen van een God, die heelt en heil brengt,
bij de tocht van Israël door de woestijn, bij de inwijding van
de tempel van Salomo, bij het gesprek van Jezus met Mozes en Elia op de
berg Tabor. Deze wolk vertelt ons dat niet wij maar de Eeuwige de gang
van het heel maken en het bevrijden van onze samenleving ter hand
neemt. Soms klinkt er een stem uit die wolk zoals in die koude nacht op
het veld: heden is in de stad van David jullie een verlosser geboren.
Hij is de Messias! Natuurlijk raken de herders overstuur bij deze
goddelijke aanwezigheid en dit hoge spreken. Zo is het ook
Israël vergaan toen het de wolk zag neerdalen op de
Sinaï, en de stem klonk: Ik ben de Eeuwige, júllie
God! Ik heb jullie weggeleid uit het slavenhuis! Zo verging het de
leerlingen op de Tabor, toen diezelfde stem klonk: déze is
mijn liefste zoon, hoort naar hem! Als de wolk verschijnt ontmoeten
twee werelden elkaar: de wereld die de mens probeert te maken, en de
wereld, welke God voor ogen staat. Daar moeten we soms bij slikken en
daarom wordt er ook gezegd: weest niet bang! Het gaat namelijk om
leven, toekomst en ruimte, niet om dood en vernietiging. Toch is het
waarschijnlijk dat de herders het meest zijn geschrokken van de
boodschap zelf: de Messias is geboren!
De Messias is geboren! Ik heb soms wel eens de
indruk dat het ons christenen niet zoveel doet. Ja, met kerstmis vieren
we de geboorte van een kind, en Jezus is zijn naam. Dat weten we nog
wel. Maar is dat zo opmerkelijk? Er zijn in de loop van de geschiedenis
toch talloze mannen en vrouwen geboren, die evenals Jezus wonderen van
goedheid hebben bewerkt, grote tekenen van mensenliefde hebben gesteld,
geleden hebben voor hun politieke overtuigingen, en gemarteld zijn om
hun
|
godsdienst. En dat is nog steeds zo. Als je het evangelie leest als het
levensverhaal van een goed en wijs mens, kom je nooit bij de blijde
boodschap uit. -- De blijde boodschap aan de herders is dat de Messias
is geboren. Daarom zegt iedere evangelist dat hij de blijde boodschap
verkondigt dat Jezus de Christus is. Dat na tweeduizend jaar moeizaam
geloven in voor-messiaanse tijden, op een klein stukje aarde, het land
van Israël, eindelijk de vliezen van Wet en Profeten gebroken
zijn, en een kind hebben gebaard, dat de lang verwachte Messias van God
is. Dat met zijn komst een wereldwijd godsvolk wordt geboren. Wij
noemen hem daarom de Christus. Jij bent de Messias belijdt Petrus
namens ons allen. Beide namen betekenen Gezalfde. Christus is geen
achternaam, zoals velen denken, maar een titel en een signaal van
Godswege! De Gezalfde van God is zijn beeld, zijn stem, zijn woord,
zijn daad, kortom: hét beeld en dé gelijkenis van
de Eeuwige: dé zoon. De liefste, gelijk Jozef dat was voor
Jakob! Met de komst van de Messias is de wereld een nieuwe toekomst
ingegaan. Niet wij zullen bepalen wat goed is maar de Eeuwige, want dat
stijgt ver uit boven de mogelijkheden van ons denken, ons technisch
vernuft en onze specu-laties. De komst van de Messias betekent dat maar
één verhaal zal standhouden. Gods heerschap-pij
van vrede en geweldloosheid zal altijd weer alle menselijke verhalen,
beschouwingen, theorieën, en uitvindingen achterhalen en
voorbijstreven. Daarom horen we samen met de herders de blijde
boodschap: er is ons een verlosser geboren, de Messias van de Eeuwige.
Daarom worden de herders in de 'nacht van het niet weten' aangesproken.
Daarom worden wíj aangesproken. Daarom gaan de herders zien.
Daarom gaan wíj zien. Wij willen, ja moeten weten dat het
waar is. Want wij zijn geroepen niet alleen om herders en hoeders te
zijn van hen, die met ons geloven, maar vooral van hen, die daarbuiten
staan. Zo mogen we onze wereld duidelijk maken, dat God bekommerd is om
heel onze samenleving en om ieder mens persoonlijk, die daarvan deel
uit maakt.
In die zin hopen wij toch, zusters en broeders, dat wij dit nieuwe jaar
gezegend worden, zodat we noch onszelf verloochenen noch anderen laten
vallen. Dat we werkelijk zien wat er in mensen leeft en omgaat. Dat wij
ieder, die wij ontmoeten en met onze mogelijkheden kunnen helpen, van
dienst zijn. Een nieuw jaar om het weer te proberen. Een gezegend jaar!
|
| Driekoningen: Jesaja 60, 1-6;
Matteüs 2, 1-12 |
4 januari 2009,
André Lascaris OP |
|
Volgens de joodse traditie,
mag je over elke tekst in de bijbel vragen stellen.
Toen ik eerder deze week naar de teksten van vandaag keek, het feest
van de openbaring van Jezus, van God in Jezus, aan de heidenen, aan
ons, kwamen er twee vragen in mij op.
Wanneer gebeurde dit verhaal over de wijzen uit het oosten eigenlijk,
en wat hebben wij ermee te maken?
En: waarom zoveel aandacht besteed aan koning Herodes in dit verhaal.
En wat heeft die aandacht met ons te maken?
De eerste vraag lijkt wat onnozel en onbelangrijk. Er staat toch in het
verhaal zelf wanneer het gebeurde? Tijdens de regering van koning
Herodes, na de geboorte van Jezus in Bethlehem.! Dat denk ik toch niet.
Want verder lijkt dit gebeuren geen rol te spelen in het verdere leven
van Jezus. Wat hier en in de eerste lezing beschreven staat, gebeurde
na de dood en de verrijzenis van Jezus. Toen namelijk mensen uit het
heidendom zich gingen aansluiten bij de joden die in Jezus geloofden.
Heidenen sloten zich aan bij de joodse traditie, gingen de bijbel lezen
en sloten zich aan bij de interpretatie van Jezus van de Thora, de
bijbel. Zij erkenden dat in Jezus God aan hen werd geopenbaard als de
liefdevolle kracht die hun leven richting ging geven. In dat gebeuren
hebben de christenen vervolgens de vervulling gezien van Jesaja 60:
heel de wereld trekt op naar Jeruzalem om de Thora te leren, en er zal
geen oorlog meer zijn. De schrijver van het evangelie heeft dit
indringende gebeuren als in een film teruggeprojecteerd naar het begin
van het leven van Jezus om zo uit te drukken dat het toelaten van de
heidenen tot de christelijke gemeenschap echt bij Jezus behoort, al
vanaf toen hij nog een kind was.
En dit toetreden tot de christelijke en joodse religieuze traditie
gebeurt ook nu nog. Nog steeds voegen zich ongelovige mensen bij de
christelijke traditie. Zeker, de waarheid gebiedt om te zeggen dat er
meer mensen het christendom verlaten en opgeven dan dat erbij komen. En
dat heeft ten dele te maken met die andere vraag over de rol van
Herodes in het verhaal.
Jezus laat een God zien die betrokken is op mensen, een God die
vergevend nabij is voordat je zelf een hand naar hem hebt uitgestoken,
een God, die ons uitnodigt elkaar te accepteren zoals we zijn. Maar
daarmee prikt Jezus door datgene wat wij als vrede beschouwen, als
rechtvaardig, als normen en waarden. In de tijd van Jezus werd de rust
die Herodes met zijn geweld afdwong als een tijd van vrede gezien. Maar
de bedreiging die van Jezus uitgaat naar Herodes is veel groter dan
Herodes kan vermoeden. Jezus is niet zo maar een andere koning: heel
het
|
systeem van koningsschap, van de staat, van de samenleving wordt door
hem onder kritiek gesteld, want hij laat een andere God zien dan die
mensen gewoon waren.
Door het openbaren van een God die liefde is en die in Jezus bereid is
het leven neer te leggen om ons te dienen, wordt ons ook openbaar hoe
het kwaad midden onder ons en in onszelf aanwezig is. Het wordt ons
helder dat Herodes in ieder van ons in een of andere vorm aanwezig is.
Hoe egoïstisch wij zijn, hoe beducht voor anderen we zijn, hoe
zeer we de ander zien als een rivaal, welke slimmigheden we gebruiken
om goed over te komen, terwijl we in feite bezig zijn de poten onder de
tafel van de ander weg te zagen. We zien onszelf met nieuwe ogen, we
zien de samenleving met andere ogen. We namen altijd aan dat
rechtvaardig zijn betekende ´gelijk oversteken´,
maar we leren door de openbaring van God in Jezus dat rechtvaardig zijn
kan betekenen dat wij geven zonder iets terug te eisen, en dat we
durven ontvangen zonder ons verplicht te voelen het zogenaamde
evenwicht in onze relaties te herstelen.
Kortom Jezus openbaart de goedheid van God, en als gevolg daarvan wordt
het zichtbaar hoeveel kwaad er schuil gaat in onszelf, in onze
maatschappij en in onze kerk. De kerk blijkt en gemeenschap te zijn van
zondaars, van mensen die falen. De maatschappij blijkt bijeen gehouden
te worden door wapengeweld, door te denken in wij tegenover zij. Het
eigenbelang speelt, zo zien we, een grotere rol in ons leven dan we
willen aannemen.
Hoe ga je met deze openbaring om? Je kunt zoals Herodes proberen ten
koste van alles, d.w.z. ten koste van anderen dezelfde weg blijven
vervolgen die je altijd gevolgd bent: meer van hetzelfde, nog
egoïstischer, nog meer rivaliseren met anderen. Dat is de
keuze van Herodes, dat was de keuze van de farao van Egypte toen Mozes
het volk uit zijn slavernij wilde leiden. Dat is de keuze van zovele
leiders nu. Je kunt proberen vast te houden aan de verouderde, maar o
zo vertrouwde vormen van de kerk. Dit is de keuze van veel mensen die
zichzelf zien als wijs en verstandig.
Maar het is ook mogelijk een andere weg te nemen naar jezelf, de kerk,
de samenleving. Dat is de keuze van de wijzen uit het oosten. Het
omkeren op de weg die je bent ingeslagen en een andere weg kiezen,
speelt een grote rol in het geloofsleven van Israël. Hoe die
weg eruit ziet is vaak niet zo duidelijk; het is niet de vertrouwde weg
van het kwaad, van Herodes en van wie in zijn stijl. Die nieuwe weg is
misschien heel anders dan de weg die je in2008 gevolgd bent, of
misschien heb je al veel eerder een ommekeer in je leven gemaakt.
De nieuwe weg is een weg van het leven, de andere is die van de dood,
van het maken van slachtoffers.
4 januari 2009, André Lascaris o.p.
|
| Doop van de Heer: Jesaja 42,1-7;
Marcus 1,7-11 |
11 januari 2009, Paul
Minke OP |
|
Maatschappelijke
idealistische bewegingen, zo is mijn heilige overtuiging, vinden hun
oorsprong in een diep menselijke ervaring of een helder inzicht, dat
ineens over je komt als een openbaring, die je niet meer kunt loslaten.
Bewegingen als vredesbewegingen gaan terug op de ervaring van een mens
die diep getroffen is door het leed, dat geweld mensen en volken aan
doet en die hem zo geraakt heeft, dat hij niet meer stil kan zitten en
toekijken. Hij komt in beweging, onderneemt actie, inspireert mensen om
te doen als hij. Dat kan grootschalig gebeuren maar ook kleinschalig,
haast in het verborgene, zoals die vrouw, die zo bewogen werd door de
mensonwaardige behandeling van weeskinderen in Roemenie, dat zij zich
het lot van die kinderen aantrok en familie en vrienden en vele anderen
in haar actie wist te betrekken. Het zijn ervaringen, die je hele leven
veranderen, je een andere kant opsturen. Mensen weten zich geroepen. Ze
kunnen en ze willen niet anders meer.
Ook godsdienstige bewegingen komen voort uit diep ingrijpende
ervaringen. Godservaringen, die zich niet of nauwelijks, zo intens zijn
zij, laten beschrijven. Men grijpt naar beelden, symbolen, verhalen om
ze anderen mede te delen. Een mooi voorbeeld uit de bijbel van zo'n
Godservaring is het verhaal van Mozes. God riep hem, zo vertelt hij,
vanuit een brandende braamstruik in de woestijn, terwijl hij de kudde
van zijn schoonvader Jetro weidde. Hoe God hem riep naderbij te komen,
zijn sandalen uit te doen want de plaats waar hij stond is heilig. En
hoe God hem gezonden had om zijn volk te bevrijden uit de
onderdrukking. De ervaring raakte hem zo, dat niets en niemand hem
weerhouden kon om te doen wat God hem gevraagd had: het volk te leiden
naar het land van belofte. Het vuur v. d. braamstruik was naar hem
binnengeslagen en was niet te blussen.
In het evangelie horen we van een zekere Jezus, de zoon van een
timmerman, uit Nazaret, een onaanzienlijk dorpje in Galilea, het land
van de heidenen. Marcus heeft geen geboorteverhalen. Er zijn geen
engelen en sterren, geen herders en koningen. Jezus komt volledig
anoniem, een totaal onbekende Niets vermoedend of misschien toch wel,
begaf hij zich naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen,
zoals zo velen in die dagen. Johannes preekte een doopsel van bekering
riep mensen op tot inkeer, tot verandering van leven overeenkomstig de
geest van de Thora. En wat er toen gebeurde, toen hij uit het water
opsteeg, is niet te beschrijven. Marcus gebruikt beelden. Zoals: Boven
hem scheurt de hemel open, een beeld van Jesaja als hij bidt: "O, dat
de hemel toch openscheurt en je naam bekend gemaakt zou worden." En
waarom wij zongen in de advent: Scheur toch de wolken, kom. En de Geest
daalde neer op Jezus,
|
het zichtbaar liefdeswoord van de Vader, de stem uit de hemel: Gij zijt
mijn zoon, mijn veelgeliefde; in u heb Ik welbehagen. Wat er met Jezus
gebeurde, het wordt niet verteld, het valt niet te vertellen. Marcus
schrijft, Dat hij het zag en hij de stem uit de hemel hoorde. Hij
alleen. Het was een Godservaring, die zijn leven totaal en radicaal
veranderde.
Indachtig de woorden van Jesaja moet Jezus zich gesteund weten door de
Vader: Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn
uitverkorene, in hem vind ik vreugde.. Ik zal je bij de hand nemen en
je behoeden, ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en
maak je tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen om
gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de
gevangenis. Jezus weet zich van Godswege geroepen recht en vrede op
aarde te vestigen. Bewogen door Gods Geest, van Gods levenskracht en
wijsheid vervuld door de Vader gezonden, slaat hij van nu af met zijn
leven een nieuwe weg in.
De openbaring van de Vader, gold allereerst hem. Hij alleen hoorde de
stem. Maar geldt ook ons. In woord en daad getuigde Hij van de Vader
aan ons: van zijn liefde en barmhartigheid, zijn goedheid en trouw,
zijn mildheid en zorg. Hij maakte ons tot deelgenoten aan de beweging,
die hij in gang zette. De kerk is op de allereerste plaats een levende
en levendige gemeenschap, bewogen door diezelfde levenskrachtige en
stuwende Geest, die Jezus bezielde.
De levenspraktijk leert, dat bewegingen niet zonder struktuur en regels
kunnen Organisatie is nodig, willen bewegingen hun stichters kunnen
overleven. Bewogen levenservaringen worden op den duur vastgelegd in
geloofswaarheden. De Geest wordt gevangen in leefregels en de beweging
verliest haar elan. Ook de kerk ontkomt er niet aan. Ook zij wordt
noodzakelijkerwijs een instituut. Vandaag worden wij door de lezingen
mee gevoerd naar het allereerste begin, naar die Godservaring, waarin
God in zijn Zoon ons zijn heil openbaarde. Alleen zijn heil, en geen
dogma's, regels en voorschriften. Alleen heil, zijn liefde, en ook niet
de veroordeling van de wereld, een nieuwe verdelgende zondvloed.
Vandaag zijn wij getuigen van de Openbaring van de Heer, horen wij hoe
het begon Wij horen dat Hij Gods geliefde Zoon is, aan wie wij ons
kunnen toevertrouwen. "Het geknakte riet breekt hij niet af, de
kwijnende vlam zal hij niet doven." Vandaag worden we teruggevoerd naar
de ware bron van ons geloof: Jezus, die, gezonden door de Vader, alle
volken het recht bekend maakt. Staande bij het begin worden wij eraan
herinnerd te delen in een beweging te delen in een bevrijdingsbeweging,
die mensen echt vrij maken dat wij gemaakt zijn tot wegbereiders van
het Rijk Gods, een Rijk van vrede, dat wij in Jezus ook Gods
uitverkorenen zijn, in wie Hij vreugde vindt. Moge dit weten ons
geloven een nieuw en levenskrachtig elan geven, inspirerend voor
onszelf en voor anderen, een openbaring, tot zegen van velen. Amen
|
| Bruiloft te Kana: Jesaja 62,1-5;
Johannes 2,1-12 |
18 januari, Henk
Jongerius OP |
|
Wanneer je een schilderij
bekijkt waarop een scène met veel personen is afgebeeld,
zoek je onwillekeurig naar de 'sleutelfiguur' waardoor de be-tekenis
van het tafereel voor je opengaat. Als ik naar de schildering kijk die
Johannes ons vandaag laat zien, valt mijn oog haast onmiddellijk op de
vrouw die aangeduid wordt met de 'moeder van Jezus'. In heel het
gebeuren speelt zij een hoofdrol, want zij maakt hem erop attent dat de
wijn op is en zegt naderhand tegen de bedienden 'doe maar wat hij u
zeggen zal'.
Zij heeft geen naam, net zo min als de bruidegom en de bruid, en dat
doet ons al vermoeden dat wij hier met een bijzondere bruiloft te maken
hebben. In heel de bijbel, en wij hoorden dat ook al in de profetie van
Jesaja, staat 'bruiloft' voor de verhouding tussen de Eeuwige en zijn
volk. Het zegt ons iets over de bedoeling van onze aarde die immers een
plaats wil zijn waarin mensen op een feestelijke manier met elkaar
omgaan. Daar zal overvloed zijn van wijn en heerlijke spijzen, zoiets
als wij ons ook wel voorstellen van luilekkerland.
Het is de belofte die wij in het scheppingslied horen als er gezegd
wordt dat God op de zesde dag de mens riep tot zijn beeld en gelijkenis
om de aarde vol te maken, te dienen en te bewaren en vruchtbaar te zijn
in liefde. De zes kruiken op die bruiloft verwijzen ons naar die zesde
dag!
Hoe pijnlijk is het dan om te moeten constateren dat 'de wijn op is'.
Het betekent dat er van dat feest eigenlijk niets meer terecht komt,
dat het in het water is gevallen, dat de smaak eraf is.
|
In haar oplettende wijsheid ziet de vrouw dat en zegt het tegen Jezus,
maar die geeft een antwoord dat je van een zoon niet verwacht. Hij
verwijst naar de Eeuwige aan wie het alleen toekomt om tijd en uur vast
te stellen dat Hij van zich doet horen.
En dat doet Hij, want het is de derde dag, waarop vanouds aan het licht
komt hoe God met mensen omgaat. In alle grote verhalen in de Bijbel is
dat een vaststaande uitdrukking om onze oren en ogen wijd te openen
voor het verschijnen van God in ons midden. Als de bedienden doen wat
hij hen zeggen zal, wordt het bruiloftsfeest van de ondergang gered en
kan het feest van de schepping doorgaan.
Die vrouw is het beeld van de gelovige, het beeld van de
geloofsgemeenschap, zij is 'de moeder de kerk' en in haar gedrag mogen
wij aflezen wat de roeping van ons als kerk in deze wereld is: wij
hebben tot taak om 'te doen wat haar zoon ons te zeggen heeft'. De kerk
is er niet voor zichzelf, maar in haar beste verschijning is zij de
wijsheid in levende gestalte die ons ervan bewust maakt hoe het gesteld
is met onze wereld en waartoe zij bedoeld is en zo doende bereidt zij
ons voor op de zevende dag waarop wij gedenken waartoe wij als mensen
geroepen zijn op aarde: te leven in het besef dat er uit de hemel naar
ons wordt omgezien, dat er een Levende is die zich verblijdt om ons
zoals mensen die in liefde met elkaar verbonden zijn. Wij worden ook
geroepen om zo met elkaar om te gaan als de Eeuwige die zegt
Ík zal er zijn voor jou'. Dat is het begin van alle wijsheid
en vreugde, dat maakt ons tot kerk, tot moeders en hoeders van
elkanders geluk. Laten wij dan aan de tafel van Jezus de voorsmaak
proeven van het feest waarop wij allen genodigd zijn.
|
|