| 1e
zondag van de advent: Jesaja 2,1-5; Matteus 24,32-44 |
2 december 2007, Henk Jongerius
OP |
|
De
afgelopen zondagen hebben wij het een paar keer in ons slotlied
gezongen: 'Daar kennen ze de route van de vrede, daar is een nieuwe
aarde neergedaald'. Het klinkt met blijdschap op als mensen naar
Jeruzalem gaan waar de wijsheid woont.
Daarover gaan ook de woorden van het visioen van Jesaja dat wij vandaag
mogen horen. Er wordt het verlangen in uitgedrukt naar een God die ons
de goede levensweg zal wijzen waarover wij kunnen gaan om toekomst te
vinden. Die goede woorden, die wegwijzer, ontvangen wij in de Wet van
Mozes, dat goede boek met alle verhalen die ons leren hoe God met
mensen omgaat en hoe wij met elkaar kunnen leven in deze wereld.
Het geheim van al die woorden en verhalen is dat je die niet met je
verstand moet aanhoren, want dan kunnen ze verdwijnen in de
woordenvloed waarmee wij alle dagen overspoeld worden. Nee, de woorden
van de Wet moeten gezongen worden want dan ontstaat de 'Vreugde om de
Wet' als een kostbaar boek dat ons leven richting geeft.
Zingen is meer dan een kwestie van schoonheid, zingen is een verhevigde
manier van spreken. In mensen die zingen komt er een verbinding tot
stand tussen hoofd en hart, in hen ontwaakt een voelbaar verlangen naar
een ander leven, zoals wij gezongen hebben: 'Naar U gaat mijn
verlangen, Heer, ik ben zeker van U'. In het huis van de liturgie komen
wij in Jeruzalem aan, toeven wij een uur op de berg
|
van God.
Hij wordt de 'God van Jakob' genoemd, want wij kunnen alleen aangeraakt
en geroerd worden door een God die zijn Naam aan mensen verbonden
heeft, een God die met mensen omgaat.
Waar wij zingenderwijze de woorden over God en mensen door ons heen
laten gaan, doorbreken wij de dodende cirkelgang van de
vanzelfsprekendheden zoals die aangeduid worden in de woorden van Jezus
in het evangelie van vandaag. Waar alles vanzelfsprekend is en de
verwondering niet meer in ons woont, zullen wij door de vloed
overweldigd worden en levend dood zijn, mensen zonder hoop, verlangen
en visioen. Maar waar wij ons in de liturgie de woorden van God te
binnen zingen en zodoende ons hart geraakt wordt, zal het visioen van
een goede wereld en mensen in vrede opnieuw in ons ontwaken. Daar
worden wij mensen die niet langer sterven en ongelukkig zijn maar
aangeraakt worden door een mens die de Naam van de Levende in zijn hart
draagt en die in zijn leven ons de echte levensweg getoond heeft. Hij
heeft ons leven in al zijn donkerheid en uitzichtloosheid gedeeld maar
als zoon van de Thora vastgehouden aan de roep die van eeuwigheid tot
ons klinkt: 'mens, waar ben je en waar is je zus, je broer'. In die
paar woorden wordt het visioen en het verlangen bewaard en worden wij
meegevoerd op zijn weg die ons in de nacht van onze wereld aan elkaar
verbindt. Zo wordt liturgie een plaats waar de oude woorden ons
uiteindelijk leren om lief te hebben en wij weten het: ieder die
liefheeft kent God, want de Levende is liefde! Komt, laat ons wandelen
in dat vriendelijk licht!
|
| 2e
zondag van de advent: Jesaja 11,1-10; Matteus 3,1-12 |
9 december 2007, Ernt Marijnissen OP |
Wat is er eigenlijk gebeurd,
daar bij de Jordaan? De Joden, die in de tijd van Jezus in Palestina
leefden, werden overheerst door de Romeinen. Ze bevonden zich in de
woestijn van een kil bestaan. Tegelijkertijd verkeerden zij in de
droogte van het versteende geloof van hun kerkleiders. In die situatie
klinkt de oproep om de gevestigde orde te verlaten. Wij moeten ons
bekeren, wordt er geroepen! Anders kunnen we het Woord niet horen, dat
de weg wijst naar de vrijheid en een inspirerende geloofsbeleving.
Hoe zullen mensen reageren als zij deze oproep vernemen? Daar moet je
niet zo pessimistisch over denken. Wat in de eerste taal een eenmalig
feit lijkt (Johannes roept en doopt en mensen komen naar hem toe, zo'n
tweeduizend jaar geleden) wordt in de tweede taal een wereldbreed
visioen voor alle tijden en iedere dag: toen liep Jerusalem en heel
Judea en heel de streek rond de Jordaan naar hem uit. Ze lieten zich
door hem dopen in de rivier de Jordaan, en bekenden openlijk hun
zonden. De mensen kwamen, komen en zullen blijven komen uit hun huizen,
wegtrekken uit de plaats van het vastgelopen en vastgeroeste bestaan.
Ze trekken naar de Jordaan zoals eens het volk ging naar de Rietzee op
doortocht naar de Sinaï, waar de tien goede Woorden zouden
klinken. Ze gaan door het water, ze worden weggeleid uit de chaos. Heel
het Joodse land en alle Jerusalemmers moeten leren opnieuw hun land
binnen te trekken. Daarom verlaten zij eerst hun steden en dorpen en
zoeken naar Johannes, die doopt. Zoals heel Israël uit Egypte
trok en er niemand achterbleef, zo trekken allen naar de dopende
profeet. In het visioen is nu heel het land en gans Jerusalem leeg
gelopen. Daardoor liggen land en stad weer open voor een nieuwe intocht
van het godsvolk. Eerst hebben zij stad en land verlaten, zoals eeuwen
eerder Israël Egypte verliet. Vervolgens trekken ze door de
Jordaan na het doopsel van omkeren uit de hand van Johannes te hebben
ontvangen, en staan opnieuw in de woestijn. Daar keren ze zich om opdat
zij het land weer onbevangen kunnen binnengaan. Zo immers trok eeuwen
eerder Israël onder leiding van Joshua door de Jordaan het
land van belofte binnen. Daarom is het thans wachten op de nieuwe
Joshua, die Johannes zal aanwijzen.
In dit mooie verhaal worden twee bewegingen bijeen gebracht. In de
eerste plaats moet er een weg gebaand worden. Deze weg zal een weg zijn
door de woestijn: de weg van lijden, ontbering, vrees, ont-zetting, een
doortocht samen mét de Levende. Deze is daar - in wolk en
vuur - met het Woord en houdt ons op de been. In de tweede plaats is er
sprake van intocht: er moet een weg gebaand worden
náár Jeruzalem toe. De eerste, die deze weg zal
gaan, is Jezus Messias. Zo hebben de profeten het steeds aangekondigd:
de Messias, de lijdende dienaar, breekt de eindtijd open
(Jes.52,13-15).
Johannes verricht dus een groter werk dan alleen maar aankondigen. Hij
is er op uit om de mensen tot luisteren bereid te maken. Daarom moet je
eerst omkeren. Hij roept niet enkel: hij komt! Hij schreeuwt de
toegestroomde schare toe om toch vooral in de juiste richting te gaan
staan. Het waterbad van de omkering, deze doop, moet de mens vernieuwen
en verfrissen. De poriën moeten schoon, de verstopte oren en
vertroebelde ogen weer open.
Het zicht op Johannes wordt scherper, en we beginnen te zien wie hij
is. Het verhaal van zijn kleding verwijst naar het tweede boek van de
|
koningen. Op een vraag van koning Achasja naar het uiterlijk van
de
profeet, waarover in zijn tijd werd gesproken en aan wie
hij het land had, antwoorden zijn boden (in 2 Kon.1,8): een harige man,
zijn lenden met een leren riem omgord. De koning sprak: het is Elia de
Tischbiet. Het vermelden van het kemelharen kleed is derhalve geen
modepraatje, maar een invulling van Johannes als een ware profeet, die
verwijst naar diegene die de eindtijd metterdaad in gang zet: de
Messias.
Maar Johannes wijst óók op de woestijn: hij eet
namelijk sprinkhanen en wilde honing. De weg naar het volmaken van de
eindtijd ontrolt zich door de woestijn en je zult je voeden met wat je
daar vindt. Anders gezegd: we moeten het doen met dit leven, met ons
leven.
Door de verwijzing naar Elia weten wij nu wie Johannes is, want in de
Joodse traditie is Elia de voorloper van de Messias. Zo moeten dus ook
wij naar Johannes kijken en luisteren.
Nu we wat nauwkeuriger hebben toegezien gaan we horen wat hij ons met
zijn oproep te zeggen heeft. Hij zegt: 'ik doop jullie in water met het
oog op bekering. Maar hij, die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben
niet waardig om hem zijn sandalen te brengen. Hij zal jullie dopen in
heilige Geest en vuur'. Hier blijkt de dienstbaarheid van de profeet
aan het woord. Het aanzeggen van het Woord, dat komt, dát is
zijn enige reden van bestaan. Daarom heeft het evangelie Johannes de
doper bijna vereenzelvigd met die plaats aan en in de Jordaan! Hij
maakt zich geheel onderhorig aan de Tora, de wet en de weg. Het gaat om
een nieuwe weg of de voorzetting van de aloude weg, maar dan op een
nieuwe manier. Dat moet de profeet roepen en aanwijzen. Als profeet
vraagt hij altijd weer: doe je wat je hoort? Is wat je aan het doen
bent wel in overeenstemming met wat je hoort of horen moet? Hij staat
in dienst van het Woord, dat groter is dan de profeet. Daarom wordt er
niet alleen verkondigd dat Jezus groter is dan Johannes, want dat is
binnen het raam van het koninkrijk niet van belang. Belangrijk is het
onderricht dat Jezus het Woord is. Daarom is hij groter dan Johannes.
Vervolgens horen we, dat het eerste doopsel ( met water) een voorwaarde
is tot het tweede doopsel (met heilige geest). Als mensen gehoor
schenken aan de profeet, de voorloper, richten zij zich op in de
donkerte en de chaos van hun bestaan. Er is nog geen orde en samenzijn,
en de geest kan nog niet neerdalen (Gen.1,2) De mensen moeten eerst
worden doordrongen van de adem en de kracht van het Woord. Wanneer de
profeet spreekt over de toekomst, verschijnt er hoop in de harten van
hen, die zuchten in ballingschap, in de catacomben, de
vluchtelingenkampen, in de ontreddering van de sa-menleving. Eerst het
horen van het Woord voert tot het juiste doen: mensen raken op drift en
gaan op weg. Zo lopen we van chaos naar orde, van duisternis en leegte
naar het land, heilige grond, nieuwe aarde. Dat wordt bewerkt door
Jezus: hij doopt in heilige geest.
Als wij de Bijbel openen wordt ons eerst verteld dat de
Geest van God over hemel en aarde zweeft om het leven in vreugde en
vrede te brengen over allen, die bestaan en zullen bestaan. Zoals bij
de eerste leerlingen van Jezus, die eensgezind en in gebed verzonken,
samenscholen in de zaal van het laatste avondmaal, zo zal de Geest op
ons neerdalen, waarna we op weg durven gaan in dienst van de blijde
boodschap. Deze doop wordt aangezegd aan ieder, die zich bekeert en het
land van God wil binnengaan. Daar heeft Johannes op gewezen, toen hij
zei, dat degene, die na hem kwam, sterker zou zijn dan hij.
|
| 3de
zondag van de Advent: Jesaja 35,1-10; Matteus 11,2-11 |
16 december 2007, Antoon
Boks |
We
hebben
allemaal wel eens gehoord van de brede weg, geplaveid met goede
voornemens, die leidt naar de hel en de smalle weg, die uitkomt bij de
nauwe poort. Vandaag horen we van mensen, die thuis komen over de
gebaande weg, die 'Heilige weg' wordt genoemd; allen die verlost zijn
zullen daar gaan.
Het volk van God was verstrooid en dat geldt niet alleen
voor de mensen, die naar Babylon in ballingschap hadden moeten gaan. We
kunnen denken, dat deze tekst geschreven is naar aanleiding van de
conferentie van Bali. De natuur is omgevormd. De woestijn wordt een
echte tuin. In andere lezingen hebben we al gehoord, dat mensen en
zelfs wilde dieren veranderd zijn, maar nu doet de hele natuur ook mee,
opdat het leven gemakkelijker wordt. Niet alleen in vroegere tijden
waren er mensen, die het niet meer zagen zitten op fysiek, emotioneel
en geestelijke gebied; die mensen zijn er nog steeds.
Aan ons is een blijde boodschap verkondigd, jaren geleden, want aan ons
is de "glorie van de Heer" geopenbaard. God is tussen beide gekomen en
heeft een gebaande weg klaar gemaakt voor ons thuisreis. Je zou kunnen
zeggen, dat wij mensen gelukkig door de voordeur binnen kunnen, want de
ellende probeert het vege lijf te redden en weg te komen via de
achterdeur!
Op die thuisreis mogen we elkaar helpen. We zijn
allemaal samen op reis. Laten we dan maar eens om ons heen kijken en
zien wie een helpende hand nodig heeft; het kan natuurlijk ook een
helpend woord zijn of een welkomstwoord in onze gemeenschap.
We hebben het allemaal meegemaakt of hebben het zelf
gedaan: kinderen vallen, hebben pijn en een ouder pakt het kind op, zet
het op de knie en spreekt lieve woordjes. Ook al horen we dat alles
goed zal komen, het is nog niet zover. We zijn nog in een tranendal,
maar we horen hopelijk wel de lieve woorden die God tot ons spreekt
door onze buurvrouw of buurman.
Natuurlijk weten we ook, dat het niet allemaal goud is
wat er blinkt. Teveel mensen leven in onze wereld ongelukkig, of om het
mooi uit te drukken in een emotionele, fysieke of geestelijke woestijn,
maar dat is zeker niet alles. Hopelijk zegt niet alleen onze buurvrouw
of buurman, maar ook God tegen ons: "Alles sal reg kom". Zover is het
nog niet, maar we horen wel dat God van plan is zijn werk aan de
schepping af te maken met een zegen, een stortvloed van liefde en
genade. God wil ons de kans geven op alle goeds en helpen om het kwade
uit te roeien.
Dan mogen wij niet achterover leunen en wachten tot God de problemen
van de wereld voor ons oplost. Iedere keer lezen we in de Bijbel en
horen we in goede preken, dat we zelf met Gods genade mee moeten
werken. We mogen zeggen, dat we in een tussentijd leven, maar de
toekomst is al begonnen. Profeten, Jezus
Christus en goede predikers hebben ons verteld hoe de
wereld er uit ziet, die God wil.
|
Jezus Christus en goede predikers hebben ons verteld hoe de
wereld er uit ziet, die God wil.
Wij moeten liefhebben en de menselijke gemeenschap en de wereld van de
natuur beschermen, want daarin kunnen we God vinden.
We weten dat de toekomst aan God toebehoort, maar nu al
in ons eigen leven krijgen we een voorproefje van wat de toekomst met
God zal zijn. Tegenover de leerlingen van Johannes de Doper legt Jezus
uit wat onze toekomst inhoudt. Hij zendt een boodschap terug naar
Johannes waarin hij zijn eigen dienstwerk beschrijft: Jezus is begonnen
en wij moeten doorgaan met te doen zoals hij deed, totdat hij terug
keert. We moeten wegen vinden om blinden te laten zien. We moeten
proberen de mensen die in verzwakte omstandigheden leven op te laten
staan en door te laten gaan. We moeten die mensen binnenlaten die
buiten de groep staan en we moeten zelf goed nieuws zijn voor iedereen,
die het nog niet gehoord heeft. We moeten hoop op een nieuw leven zijn
voor de mensen die de moed hebben opgegeven.
Johannes vertelde dat het koninkrijk van God voor de
deur stond. Hij was een krachtig getuigenis van het woord van God. Hij
riep op tot berouw, maar kon nog geen vergiffenis geven.
Net zoals Johannes roept Jezus op tot berouw, en hij
bood ook genade en genezing aan. Johannes is in de gevangenis en kan
het niet aan Jezus zelf komen vragen, daarom stuurt hij zijn leerlingen
met de vraag: "Ben jij het die komen moet of moeten we nog op een ander
wachten?"
Het is wel zeker, dat Jezus niet de harde rechter was,
over wie Johannes sprak, maar de boodschap is wel belangrijk en
bemoedigend: hij is gekomen om het volk te redden door de vergiffenis
van God. Zo oordeelt God: door Jezus en vol genade. Het oordeel is
gekomen en de barmhartigheid is de beslissing van de rechter.
We zijn mensen die leven in de Advent van hoop en
vertrouwen op de belofte van God. We zijn als volgelingen van Jezus het
verlengstuk van zijn aanwezigheid in de wereld. Wij moeten nu
uitvoeren, wat hij zei over zichzelf en zijn werk zoals het genezen van
de blinden en de lammen en de melaatsen De teksten van deze viering
vragen van ons om het mysterie van Jezus te leven in onze tijd. Uit het
antwoord van Jezus aan Johannes blijkt, dat hij niet wil dat we een
kleine groep zijn van bevoorrechte mensen.
Hij confronteerde de slechtheid van de wereld door
genezing en vergeving te brengen. Toen de mensen Jezus ontmoetten, werd
de profetie van Jesaja werkelijkheid, Onze God is hier, deze is gekomen
om ons te redden. Wij moeten nu als de Kerk van Jezus op weg gaan en
vertellen wat we hebben gezien en gehoord, niet alleen praten, maar
vooral ook doen. Dat wordt werkelijkheid als we blinden laten zien; als
we kreupele mensen oprichten; als we blijven praten met iedereen die
door de Kerk en de maatschappij buiten zijn gesloten; als we wegen
vinden die waarde geven aan menselijk leven. Op die manier brengen we
goed nieuws aan armen en verdrukten, overal, altijd.
|
| 4de
zondag van de advent: Jesaja 7,10-14; Matteus 1,18-24 |
23 december, André Lascaris OP |
|
We hoorden
zo juist het verhaal van de geboorte van Jezus volgens de evangelist
Matteüs. Dit verhaal is ons vast minder bekend dan het verhaal
van de geboorte van Jezus volgens Lucas. Want dat wordt altijd in de
kerstnacht gelezen. En op kerstdag lezen we het begin van het evangelie
van Johannes: 'het woord is vlees geworden'. Er zijn overeenkomsten en
verschillen tussen Matteüs en Lucas.
Een opvallend verschil tussen beiden is dat bij Lucas Maria steeds naar
voren wordt gebracht als belangrijk: zij ontvangt de boodschap van de
engel Gabriël en zegt daarop 'Ja'. Zij gaat op bezoek bij haar
nicht Elizabeth. Zij wikkelt het pasgeboren kind in een doek en legt
hem in een voederbak, zij weet dat hij Jezus moet gaan heten. Ook
elders hebben Maria en andere vrouwen bij Lucas een grotere plaats dan
bij Matteüs. Je zou kunnen gaan denken dat Lucas
geëmancipeerder is, maar dat is natuurlijk een
terugprojecteren van onze tijd naar de tijd van Lucas en
Matteüs
In het evangelie van Matteüs staat Jozef centraal. Hij is
degene die handelt en actief is. Hij besluit zijn verloofde niet aan de
schandpaal te nagelen, hoewel hij denkt dat ze vreemd gegaan is.
Eigenlijk moest zo'n meisje gestenigd worden (Deut. 22, 20-21) of in
het openbaar verstoten met alle schande van dien, met grote kans
veroordeeld te worden tot bittere armoede en mogelijk het bestaan van
een prostitué. Want verloofd zijn was eigenlijk het begin
van het huwelijk. Jozef kent de wet, maar hij vindt barmhartigheid
belangrijker.Hij hoopt in stilte van haar te scheiden.
Hij is het, niet Maria, die een engel ontvangt, zij het in een droom.
Zoals je verwachten kunt want Jozef is genoemd naar de Jozef uit het
laatste stuk van het boek Genesis, het eerste bijbelboek, die 'de
dromer'werd genoemd. Hij is het die de naam van het kind hoort en deze
ook aan hem geeft. Hij legitimeert het kind, maakt hem zo zoon van
zichzelf en 'zoon' van David, terwijl Jezus tegelijk ook degene is
waarin 'God met ons is', 'Immanuël' en ons bevrijdt van het
kwaad, kortom 'zoon' van God..
Jozef als hoofdfiguur? Als we nauwkeuriger kijken, dan is het duidelijk
dat zijn rol toch marginaal is. Hij staat aan de rand van het gebeuren.
Het is niet zijn mannelijke potentie, niet zijn mannenkracht die de
geschiedenis gaat bepalen, de toekomst vormt. Matteüs maakt
duidelijk dat een andere kracht, geestkracht, toekomst geeft. Dezelfde
geestkracht die de leerlingen ontvangen na de dood van Jezus, een
|
geestkracht waarvan zij zeggen dat die van Jezus komt en dat Jezus
bezield is met die geestkracht, levenskracht van God. Diezelfde
geestkracht is met Jezus al tijdens zijn leven en zelfs al
bij zijn geboorte. Deze geestkracht, levenskracht die van God, bepaalt
de weg die Jezus zal gaan.
Het gaat hier niet om een concurrerende macht, een macht van dezelfde
soort en orde als van Jozef. Neen, het gaat hier om een heel andere
soort macht, een macht die geen macht is, een macht die altijd leven
brengt, in tegenstelling met die macht van het bevel dat een bedreiging
inhoudt de ander dood te maken. De mannenmacht van dwang en bevel wordt
onderuitgehaald en wordt getransformeerd in de goddelijke, niet
gewelddadige, niet dwingende macht van God.
Zo is het al met het teken dat de profeet Jesaja geeft aan koning
Achaz.. Deze koning wordt bedreigd door de veel sterkere legers van de
koning van Syrië en van het Noordrijk. De profeet beschrijft
die twee als machteloze smeulende stukken hout: 'vertrouw je het niet,
dan houd je het niet'. En wat is het teken? Een jonge vrouw zal een
kind krijgen. Geen teken van mannelijk kracht dus, maar de diepe band
tussen vrouw en kind, beeld van zorg van de ene mens voor de ander.
Wanneer het over de macht van God gaat, zelfs over zijn almacht, dan
gaat het kennelijk over heel iets anders dan wat wij onder macht
verstaan. Een macht die niet dwingt, niet dreigt met de dood, niet
forceert, niet steunt op de dood, maar een macht die feestelijk leven
schept en herschept, een macht die niet knecht, maar doet opstaan. Het
is een macht waarvoor wij geen woorden hebben en die we ons nauwelijks
kunnen voorstellen.
In de bijbel zelf wordt met dat begrip geworsteld en wordt die vaak
niet of half begrepen. Wanneer we naar de geschiedenis van de Kerk
kijken, dan komen we overal mannen en hun macht tegen. Pas heel
langzaam krijgen wij oog voor die andere soort macht ten leven.
En laten we niet vorige generaties zwart maken of de leiders van de
Kerk. Dat is gemakkelijk. Maar onderzoeken we onszelf om te ontdekken
hoezeer ons eigen handelen door machtsuitoefening getekend wordt, vaak
op een heel subtiele manier Door je de mindere te voelen of te zeggen
dat je de mindere bent. Of door de baas te spelen. Of door je leven te
laten bepalen door teleurstellingen: omdat je 'het' met al je macht
toch niet gehaald hebt. Door anderen in te schatten en
strategieën te bedenken zodat jij je zin krijgt.
Misschien kunnen we vandaag daar even bij stilstaan. Of liever nog:
stilstaan bij die macht van Gods geestkracht waarvoor wij geen woorden
hebben. Want niet voor niet is Kerstmis het feest van de vrede.
|
| Kerstnacht: Jesaja 9,1-6; Lucas
2,1-14 |
24-25 december, Paul Minke OP |
|
Het
volk
dat in het donker wandelt, ziet een groot licht, met deze woorden geeft
de profeet Jesaja tegenover zijn tijdgenoten uiting aan zijn hoop en
vertrouwen, dat God trouw is en zijn woord jegens zijn volk nakomt. De
bevrijding, die de profeet met zoveel stelligheid aankondigt als nu
plaatsvindend is evenwel ver weg en laat nog op zich wachten. In feite
woonde het volk nog in het land van doodse duisternis. Het is
onderdrukt, is van zijn vrijheid beroofd, het is rechteloos. Toch, wat
Jesaja zong, was een danklied, een zegezang, een bevrijdingslied. Hij
zong het vanuit de overtuiging dat de voltooiing van Gods belofte zich
onherroepelijk zal voltrekken, hoe ondenkbaar dat ook toen leek. Het
juk zal worden gebroken, er zal weer volop geoogst worden. Voor Jesaja
gebeurt echter de bevrijding nu, zo groot was zijn geloof.
Het profetisch visioen is voor ons tegelijk een messiaans visioen, een
beeld wat God uiteindelijk voor ogen staat: redding van de wereld, want
een kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken met namen als:
wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst. We
hoorden van zijn geboorte in het evangelieverhaal van Lucas. Lucas
situeert zijn levensverhaal heel uitdrukkelijk in de
wereldgeschiedenis. Keizer Augustus en Quirinius dienen in het verhaal
als oriëntatiepunten. Tegelijkertijd met het noemen van hun
namen wordt het ons duidelijk, dat ook toen Israel een donkere nacht
doormaakte. Een juk drukte op het volk. Het waren de namen van hun
onderdrukkers, machthebbers van buiten. En ook in die nacht klonk een
lied, een lied vanuit den hoge, van hemelse boodschappers in de velden
van Bethlehem: Vreest niet, want zie: ik verkondig u een vreugdevolle
boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een redder
geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En de hoorders waren
de herders op het land, maatschappelijke randfiguren, mensen zonder dak
boven hun hoofd, zwervers zonder vaste woonplaats. Zo is begonnen, met
de minsten, wat wij nu in deze nacht vieren.
Zowel in het visioen van Jesaja als in het evangelieverhaal van Lucas
ligt een eenzelfde spanning tussen het "heden" en het "nog niet". De
duisternis van het heden en de beloftevolle voltooiing in de toekomst,
tussen het geweld en leed van het nu en de vrede
|
die ons wacht. De redder is gekomen. Met hem is het Rijk Gods
definitief aangebroken, maar de voltooiing van dat Godsrijk ligt in de
toekomst. Aan ons om in navolging van de herders in deze nacht, in
navolging van de wijzen uit het Oosten, en later in navolging van de
twaalf aan ons om die blijde boodschap door te geven aan ieder die
horen wil, aan ieder die zien wil, wat deze boodschap met ons gedaan
heeft.
En dit zal onze boodschap zijn: De genade van God, bron van heil voor
alle mensen is op aarde verschenen. In Jezus heeft God zijn
menslievendheid geopenbaard voor alle volken. Ons is de hoop
geschonken, dat ooit eens, wat heden begonnen is tot voltooiing zal
komen in het Rijk van vrede en gerechtigheid. Wat wij niet durfden
dromen wordt werkelijkheid in een kind ons gegeven en zijn naam is
Emmanuel, God-met-ons, eens en voorgoed, heden. Deze boodschap heeft
ons leven veranderd, doet ons leven met hoop en vertrouwen.
De kerstnacht is voor ons, die hier nu bijeen zijn, heilig. Waarom?
Omdat we de verhalen delen die wij hier hoorden en bezongen en de
boodschap van hoop en geluk, die erin besloten ligt, beluisteren. We
delen de woorden, hoe verschillend we ze wellicht persoonlijk verstaan
woorden als: Heden is u een redder geboren en: op aarde vrede aan de
mensen. Het zijn woorden, die in ons een groot en diep verlangen
loswoelen naar vrede en geluk, naar een aarde en een wereld zonder
angst en leed. Deze nacht beseffen we meer dan in andere nachten, dat
een mens eigenlijk geboren wordt voor geluk en vrede en liefde. Deze
nacht is onze zo heilig, omdat het ondanks wat we zien en meemaken aan
wereldleed, aan honger en geweld, aan armoede en verdrukking de hoop in
ons levend houdt, dat de vrede ooit eens geschieden zal.
Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Zalig zal het zijn wanneer u in
dit feest kunt zien en beleven het teken van Gods trouw, zorg en
liefde, mensgeworden in een kind, Emmanuel. Zalig zal het zijn wanneer
grote blijheid heerst in uw hart en gemoed, omdat in Jezus de milde
menselijkheid van God is verschenen. Zalig zal het zijn, wanneer u in
grote dankbaarheid kunt belijden, dat Jezus u en mij, ons allen
voorgaat naar de vervulling van onze hoop. Het licht en de vrede,
waarvan wij zingen, zullen niet slechts woorden zijn zoals zovele
woorden die vervliegen in de harde realiteit van alle dag, maar een
beloftevol visioen blijven, een blij perspectief. Amen.
|
| 1e
Kerstdag: Jesaja 52,7-10; Johannes 1,1-18 |
25 december, Antoon Boks OP |
|
Het is
geen nieuws, dat Kerstmis ons uitnodigt om te vieren, dat God zich met
mensen verbonden heeft met alles er op en er aan. Ik kan ook de woorden
gebruiken, die nog al eens uitgesproken worden bij een huwelijk: in
goede in slechte tijden. Het is wel heel erg goed nieuws, dat het
spreken, het doen en laten van God mens is geworden en bij ons heeft
gewoond. De gelovigen van het oude Testament hadden al heel lang
geleden gehoord, dat wij mensen waren geschapen naar Gods beeld en
gelijkenis. Door de manier, waarop God bij ons komt wonen, neemt God
precies het zwakke en het arme van deze wereld op zich. Hij draait een
flink aantal menselijke waarden om. Ook dat is geen nieuws, dat is al
vele eeuwen verkondigd, ook voor de geboorte van Jezus, maar opnieuw
het is wel goed nieuws.
In onze wereld moeten wij, Christenen, proberen twee lege plaatsen in
onze maatschappij te ontdekken: de kribbe en het kruis. Ook al zijn er
nog steeds vele mensen die met elkaar wedijveren. Ook al dromen veel
mensen er van om belangrijk te worden. Ook al hebben veel mensen er
heel veel voor over hebben om te stijgen op de maatschappelijke ladder,
toch wordt voor ons vrouwen en mannen van 2007 de liefde van God steeds
weer duidelijk. Bij de kribbe en het kruis, twee voor ons belangrijke
plaatsen, voelen we de kracht, waarmee God zich vertoont in de zwakheid
en daar geeft hij ons vrede en geluk.
Op welke manier kunnen wij ons verbinden met andere mensen, dichtbij en
veraf?
Die God, dat woord, dat in onze geschiedenis komt, is leven, licht en
komt dichtbij… Het is een scheppend woord en het zorgt voor
heil. Als we echt Kerstmis willen vieren in de volle betekenis van het
woord, dan zullen we boodschappers van vrede moeten zijn. In onze eigen
kerststal en in zoveel andere van de hele wereld kunnen we de armoede
en de kwetsbaarheid.
God is liefde en er is niets op de wereld, wat zo kwetsbaar is als
liefde.
God werd een pelgrim in onze geschiedenis, metgezel van een mensheid
die lijdt, droomt en hoopt. Dit is het woord, dat God ons deze Kerstmis
weer geeft. Een woord vol leven, licht en hoop. Dat dynamische en
scheppende woord, komt van de Vader en verblijft in de geschiedenis, om
een omhelzing te zijn, die verlost en heel maakt. Als we willen dat het
Kerstmis blijft, dan moeten wij echte mensen worden. Als onze
spiritualiteit geen vlees en bloed wordt heeft het niets te maken met
de God van Jezus, de Heer van het leven en de geschiedenis.
|
Als we kijken naar de minpunten van onze wereld op Kerstmis, dan zien
we veel ellende, maar we mogen gelukkig ook kijken naar de pluspunten.
Min- en pluspunten zijn er in overvloed. Wat kunnen wij doen opdat Gods
spreken ons menselijk hart verandert? Heel zeker en altijd hebben we de
"voeten nodig van de boodschapper, die vrede aankondigt" (Jes. 52,7),
met woorden en daden, in ons dagelijks leven in dienst van de zwaksten.
We moeten proberen die "lege" stoel van de kribbe te pakken en
doorgevers te zijn van het leven, dat de kribbe uitstraalt.
In onze wereld zijn zoveel oorzaken van verwarring, indoctrinatie,
bronnen van leugens, verleiding en duisternis. De lezing en het
overdenken van het spreken van God en het doorgeven daarvan zullen een
bron van licht zijn en ons helpen in onze keuze voor het leven. Moge
deze Kerstmis een uitnodiging zijn om meer te lezen in de Blijde
Boodschap en ons voor te nemen om die lezing iedere dag een beetje meer
in praktijk te brengen.
Jezus kwam thuis. Hij komt iedere dag bij ons voorbij met zoveel
verschillende gezichten: in de mensen van ons huis, in die van onze
straat. Hopelijk hoeven we niet de woorden van Johannes te herhalen:
"Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet
ontvangen". Doordat er geen plaats was in de herberg werd de liefde van
God zichtbaar op een andere plaats. Hopelijk hebben wij een hart
waarvan de deuren wijd open staan en weigeren we niemand om daar binnen
te komen.
Mogen wij Jezus ontvangen gedurende deze Kerstmis, want hij is de
hoofdpersoon. Vele mensen beleven gelukkig deze aanwezigheid heel
intens en wij mogen vandaag weer onze verbintenis met de Blijde
boodschap vernieuwen. Maar zelfs wij lopen het risico, dat we afgeleid
worden door de versieringen, de geschenken, reizen en feesten, die
niets te maken hebben met Kerstmis. Wij hebben het ook nodig, dat
Bethlehem ons met Gods leven, licht en liefelijkheid verbind.
Moge dat ons er toe brengen om geboren te worden, om licht te zijn, om
te delen wat we zijn en hebben met de armen van de wereld. Dat is de
echt de bron van geluk en vreugde. Om het Kind te ontmoeten in de
kribbe, om dit mysterie van God te begrijpen, moeten we op de een of
andere manier voelen, dat we te kort komen. Alleen op die manier kan
een grote allesomvattende liefde werkelijkheid worden. Moge de Zoon van
God, de zoon van Jozef en Maria ons net als Maria vol maken van genade,
zodat we dit aan ons gegeven geschenk aanpakken. Dan kunnen we ook aan
onze vriendinnen en vrienden en aan de hele wereld zeggen: Zalig
Kerstmis. Dan weten we in ieder geval ook, wat we die ander toe wensen,
want dan zijn wij allemaal nog steeds beeld en gelijkenis van God.
|
| Handelingen
6,8-10 + 7,54-60 |
26 december 2007, Henk Jongerius OP |
|
In
het evangelie van Lucas staat op een paar plaatsen geschreven dat
'Maria al deze woorden in haar hart bewaarde en ze bij zichzelf
over-woog'. Dat is het geval wanneer de herders van de plaats van
Jezus' geboorte naar huis terugkeren en ook wanneer zij met Jozef hun
kind terugvinden als hij achtergebleven is in de tempel.
Dit bewaren en overwegen van wat geschiedt is, maakt Maria tot beeld
van de kerk die immers als taak heeft om te verkondigen hoe God met
mensen omgaat. Daarom zien wij haar ook in het midden van de leerlingen
als zij zich verborgen hebben in de bovenzaal na de hemelvaart van
Jezus. Het zal ons als predikbroeders zeker aanspreken omdat immers de
opdracht van ons leven is om 'te overwegen en dat wat door onszelf is
heengegaan door te spreken aan anderen'.
Wij mogen alleen spreken over de dingen van God als zij eerst door
onszelf zijn heengegaan, ook al is dit niet welgevallig aan de
kerkelijke overheid. Wij horen dat vandaag in het verhaal over
Stephanus. Hem wordt door sommigen uit de synagoge verweten dat hij
lasterlijke woorden heeft gesproken tegen Mozes en God. In het boek van
de Handelingen houdt Stephanus dan een toespraak waarin hij te beginnen
bij Abraham heel de geschiedenis voor de ogen van zijn gehoor laat
passeren en daarin laat zien hoe God aanwezig is in het verhaal van
Abraham, Mozes, van Jakob en zijn zonen. Hij maakt zijn toehoorders het
verwijt dat zij heel de wet niet op zijn juiste
|
betekenis hebben ingeschat en de woorden ervan niet werkelijk
´in hun hart bewaard hebben´. Dit verwijt snijdt
door hun ziel en zij stenigen deze getuige dood, zoals hun vaders
eertijds ook met de profeten hebben gedaan.
Wij zullen de ware betekenis van het kind dat in Bethlehem geboren is
onderkennen als wij hem, zijn woorden en daden, plaatsen in het grote
verhaal van God met de mensen, wanneer wij gaan ondervinden hoe alles
wat geschreven is in Wet en Profeten in deze mens in levende lijve
onder ons verschenen is, kortom hoe God een levende realiteit in ons
leven is geworden. Daarom zal Jezus ook aangeduid worden met
´de ware zoon van Abraham, de nieuwe Mozes!
Het zal erom gaan om met Stephanus in verwondering terug te kijken en
te onderkennen hoezeer God in het leven van mensen een werkelijkheid is
geweest waarin zij een nieuw begin, bevrijding uit onderdrukking,
verlichting in nood en benauwenis hebben ondervonden.
Dat kan ons ertoe brengen om ook in ons eigen leven de sporen van Gods
aanwezigheid te gaan zien, die wellicht heel anders aan ons verschijnt
dan wij gedacht hadden.
In ons hart bewaren wat er ook in ons eigen leven allemaal gebeurd is,
zal ons met de dichter van psalm 66 laten zingen ´Lof zij God
die mijn bede niet afwees, die mij nooit zijn genade ontzegd
heeft´.
Daartoe moge deze moedige getuige van Jezus´komen onder de
mensen ons een lichtend en bemoedigend voorbeeld zijn.
|
| H.
Familie: Jesaja 61,10-62,3; Lucas
2,22-40 |
30 december, Ernst Marijnissen
OP |
|
De
Schriftlezingen van deze zondag hebben in elk geval
één thema gemeen. De mens, die zich houdt aan de
Wet, de Tora, zal ondanks lijden en tegenslag het geluk van God
binnengaan. Zo'n mens zal anderen tot licht en troost zijn. Dat geldt
voor Gods eigen volk. Dat geldt op bijzondere wijze voor Jezus van
Nazaret.
Jezus is geboren onder de wet. Tot vijfmaal toe wordt in het verhaal
over de opdracht van Jezus in de tempel de Wet des Heren, de Tora,
vermeld. In het Lucasevangelie blijkt Jezus de weg te zijn, omdat hij
de Wet tot vervulling brengt. De Wet vervullen is als een exodus, een
uitweg voor alle mensen uit welke vorm van slavernij en onderdrukking
dan ook. Het is de weg naar Jerusalem, de stad waar overeenkomstig de
visioenen van vele profeten, met name Jesaja, eens alle volken der
aarde zullen samenstromen in het huis, de tempel van God. Want heel de
aarde is Gods eigendom. Zo wordt Jezus, die behoort in de dingen van
zijn Vader te verblijven, in de tempel aan God opgedragen, om uit te
beelden 'wie' hij is én tot 'wat' hij is geroepen. Nu wordt
Jezus aan God opgedragen, maar eens zal - zoals Jesaja heeft
geprofeteerd - dat gebeuren met alle volken.
De oude Simeon is de vertolker van een oude en eerbiedwaardige
traditie. Daarom roept hij dat 'wie' en 'wat' luid en duidelijk uit.
Israël blijft Israël, de wortel van de
Christusgemeente, de bruid, aan wie de bruidegom, de God van de
Sinaï, zijn liefde heeft bekend. De bruid is de jonkvrouw
Sion, waarop Jerusalem is gebouwd, en zij is rechtvaardig naar de
volken en eerbiedig levend naar de Heer, haar bruidegom. En altijd is
zij, als de Geest op haar rust, in verwachting van het heil, dat is .
de bevrijding der volkeren uit onderlinge strijd en eigen vernietiging.
Terreur en zelfdestructie zullen voorbij zijn.
|
In Jezus zien ook wij, in navolging van Simeon, het heil voor alle
mensen. Daarom is hij, en ook de Christusgemeente, het licht voor de
ganse wereld en vervult hij - en zullen ook wij vervullen - de luister
van Israël. Zoals van Simeon wordt verteld dat de Heilige
Geest op hem rust, zo horen we dat Anna een profetes is. Zij behoort
tot die mensen in de geschiedenis van Gods heil, die wijzen op het
Woord en aansporen en aanroepen tot het in praktijk brengen ervan. Heel
haar lange leven als weduwe verbleef zij in de tempel, waar zij in
vasten en gebed God diende. Daarmee schaart zij zich in die
eerbiedwaardige rij van de vrouwen van Israël, die steeds aan
de poort stonden van een nieuwe fase in Gods geschiedenis met de
mensen. Als we goed de Schriften lezen ontdekken we dat de ontrouw van
Israël of de agressie van de wereld de heilsweg dreigen te
blokkeren. Maar altijd, als naar menselijke maatstaven de weg van het
heil doodliep, en dood en vernietiging dreigden, kwam er een nieuw
begin. Daar, bij zo'n begin, treffen wij de vrouwen van Israël
aan!
De uitdrukking, dat de vrouwen dienst doen aan de poort van de tent der
samenkomst (Ex.38,8; 1 Sam.2,22), wijst niet alleen op een lokale
plaats, maar vult veeleer hun unieke positie in het verbond in. De
geboortehelpsters in Egypte voorkwamen dat het volk Israël
werd uitgemoord (Ex.1,17). Zo kon Mozes uit het water bevrijd worden en
werd hij de leider van het wegtrekkend volk uit de slavernij. Het
eerste boek Samuel opent met het verhaal van Hanna, die God smeekt om
een zoon en belooft deze aan Hem toe te wijden (1 Sam.1,11). In die
dagen namelijk was een woord des Heren zeldzaam, zegt de Schrift. De
oude Eli, rechter van Israël, was blind en zag het niet meer
zitten, want het ging niet goed met Gods bruid. Dan roept God Samuel,
de zoon van Hanna. Zo gaat het ook met Elizabeth en Johannes
(Luc.1,5-9), met Maria en Jezus (Luc.1,26-33) en de vrouwen bij het
graf (Matt.27,55-56).
Zo komt ook Anna tot Jezus en sluit zich aan bij de lofzang van Simeon.
Met hem staat zij aan het begin van een nieuwe fase in de redding van
de wereld. De vrouwen: zij blijven ook in onze tijd de
geboortehelpsters van het Woord.
|
| Driekoningen:
Jesaja 60,1-6; Matteus 2,1-12 |
6 januari 2008, Paul Minke OP |
|
Drie wijzen
volgen een ster op zoek naar bron van het licht: Jezus Christus. Wijzen
zijn mensen, die reiken naar inzichten die verder gaan dan het
alledaagse, voorbij de eigen beperkte horizon, mensen die vragend in
het leven staan. Het zijn mensen, die zich verwonderen over al wat is,
over al wat gebeurt. Het zijn mensen, die zich niet beroepen op dat
iets altijd zo is geweest. Zoals alle wijze mensen kwamen ook deze drie
in beweging, zijn zij zoekende naar dat wonderlijke verschijnsel, dat
zij op hun weg tegenkwamen. Geïnspireerd door de Schrift
worden de wijzen koningen genoemd en hebben zij zelfs namen gekregen:
Caspar, Melchior en Balthasar. Zij kwamen, geleid door de ster, aan in
het land Israel, in Jeruzalem en hier raakten zij het spoor bijster en
zochten raad bij de overheden. "Waar is de pasgeboren koning van de
Joden." De hogepriesters en de schriftgeleerden verschaften hen ook
raad. Zij kenden de Schrift en het antwoord was: Bethlehem in Juda. Zij
wisten het maar kwamen zelf niet in beweging. Het waren dan ook geen
wijze mensen. Ze deden niets met hun kennis. Er was geen verwondering,
geen vraag naar de wijzen toe hoe het toch kwam, dat zij vreemdelingen
toch, onbekend met de Schrift, dat zij weet hadden van een pasgeboren
koning van de joden. Hoe vertrouwd de schriftgeleerden ook waren met
wat in de Schriften staat, zij waren niet bij machte de tekenen van de
tijd te verstaan, niet in staat de draagwijdte van de vraag van de
wijzen te doorzien. Dit in tegenstelling met de wijzen, die, hoewel
onbekend met Gods woord wel oog en oor hadden voor wat er gaande was in
de wereld, dat er een God is, die bekommerd is met het lot van mensen.
Zij begrepen, dat hier en nu God zich openbaart in een kind.
De reactie van de hogepriesters moet bij ons wel verwondering wekken.
Hoe is het mogelijk, dat de koning en de religieuze leiders slechts
gealarmeerd raakten door de vraag van de wijzen in plaats van opgetogen
en verheugd te zijn? Het land snakte naar een redder, maar zij zelf
blijkbaar niet. Hun eigen gevestigde posities lijken belangrijker dan
welke bevrijding ook. Hoe is het mogelijk, dat bij de koning Herodes en
de andere overheden niet de gedachte boven kwam, dat de redding door de
aangekondigde Messias, aangekondigd door Jesaja en zovele andere
profeten, verder strekte dan Israel, het eigen land en volk, maar heel
de wereld en alle volken betrof? Hoe is het mogelijk, dat koning en
priesters zich niet verwonderden over het feit, dat God ook mensen
roept, die geen weet hebben van de Schriften? Was hun duisternis zo dik
en donker, dat zij het licht van de ster verduisterden?
|
De wijzen gingen weer op weg en eenmaal buiten de stad zagen zij weer
de ster. En zij brachten het kind hun hulde en boden het huin
geschenken aan: goud, wierook en mirre. In zijn eigen huis was Jezus
gekomen en zijn eigen mensen hebben hem niet erkend, zo schrijft
Johannes in de aanhef van zijn evangelieboek. Maar de volkeren,
vertegenwoordigd door de drie wijzen uit het Oosten kwamen af op uw
licht, koningen op de luister van uw dageraad. Aldus Jesaja
De wijzen uit het oosten vertegenwoordigen al die talrijke mensen, die
eerlijk op zoek zijn naar de zin van het leven, naar de kracht van het
goede, naar de bestemming van hun levensweg. Het is een moeilijke
zoektocht. Ook wij weten dit uit eigen ervaring. Het is een weg van
vallen en opstaan. Soms is het hen duister, soms zien zij licht en
wordt hun tocht verlicht. Kostbaar is voor hen, als zij op hun tocht
mensen ontmoeten, die hun een hand toesteken, met hen meetrekken, hun
licht laten schijnen. En zijn wij niet die mensen, die verrijkt met de
kennis van de Schrift, hen nabij kunnen zijn en hen doen delen in ons
geloof en onze hoop?
En dringt dit niet des te meer in onze tijd, in onze wereld? Onze
samenleving is veelkleurig. Naast onze westerse cultuur en gewoontes
komen we in aanraking met culturen en gebruiken die wij niet kennen.
Dat brengt spanningen mee. We weten er geen goed raad mee. Het maakt
het leven ook veel gecompliceerder, schept veel verwarring. Het is niet
gemakkelijk je weg te vinden of zelfs staande te blijven. Er ontstaat
agressie, er is angst, intolerantie neemt toe. Geweld ook. Het groeiend
individualisme draagt ertoe bij je niet in te laten met een ander en je
minder of niet te bekommeren om wie je vreemd en onbekend zijn. Het tij
moet worden gekeerd, richting verdraagzaamheid en tolerantie, richting
respect en waardering voor het leven, ook als dat ons vreemd is. Ligt
het niet op onze weg om daarin voor te gaan nu wij weten en belijden,
dat God zijn zorg niet beperkt tot een kleine groep van uitverkorenen,
dat God zich openbaart aan de wereld en het heil wil voor alle volken?
Ligt het niet op onze weg ons te keren tegen allen, die oproepen tot
vreemdelingenhaat en af te wijzen iedere vorm van discriminatie? Ligt
het niet op onze weg ons aangesproken te voelen door de oproep, die
deze week in dagblad TROUW verscheen: Benoemen en opbouwen?
Het verhaal eindigt met ons te vertellen, dat de wijzen langs een
andere weg terugkeerden. De enig begaanbare weg niet alleen voor ons,
maar voor allen om ons heen, vriend en vreemdeling. De weg van heil en
redding. Aangeraakt door het licht van Jezus Christus vonden de wijzen
de weg die hen en ons uiteindelijk voeren zal naar het Rijk Gods. Amen.
|
| Doop
v an de Heer: Jesaja 42, 1-7; Matteüs 3, 13-17 |
13 januari 2008, Theo Koster
OP |
|
Een
themawoord in het evangelie volgens Matteüs is
'gerechtigheid'; we hoorden het zojuist vallen in het antwoord van
Jezus aan Johannes: Gods gerechtigheid vervullen. Ook in de eerste
lezing viel het woord enkele keren: gerechtigheid en het recht doen
kennen. Twee hoofdstukken verder, wanneer het gaat over de vele zaken,
waarover wij mensen ons zorgen maken horen we Jezus zeggen: "Zoek
liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid dan zullen al
die andere dingen je erbij gegeven worden."
De gerechtigheid die Jezus voor ogen stond en in praktijk bracht is een
kenmerk van het koninkrijk van God, eveneens een themawoord bij
Matteüs. Gerechtigheid kun je verstaan als het je houden aan
allerlei normen en regels. Dat is lekker makkelijk. Als je je maar
houdt aan wat hoort en is afgesproken zit je goed en kan je niets
gebeuren. Ken je de normen en wat hoort nog niet, dan hoef je slechts
om je heen te kijken. Lang zijn we zo met vreemdelingen omgegaan die
zich hier in Nederland vestigden: kijk om je heen, en pas je aan,
hielden we hen voor. We doen hen en onszelf hiermee te kort. We leren
op deze manier elkaar immers niet kennen, raken opgesloten in de eigen
wereld alsof dat dé wereld is, worden bang voor elkaar in
plaats van te genieten van elkaars eigenaardigheden. Als je je maar
houdt aan wat hoort mag dan makkelijk zijn, het gaat ten koste van onze
identiteit;
we worden minder mens door ons zo te gedragen, verliezen onze
menselijkheid.
Als ik een groep jongeren ontvang in Onder de Pannen zeg ik hen bij het
verwelkomen: veel regels waaraan je je moet houden hebben we hier niet.
Jullie zijn vrijwillig hierheen gekomen, en dat geldt ook voor de
gasten en bewoners van het klooster. Als jullie last hebben van elkaar
of de mensen in het klooster: zeg het, zodat deze rekening met je
kunnen houden. En als zij last hebben van jullie of een van jullie
krijg je dit ook te horen, zodat je rekening met hen kunt houden. Al
jaren gaat dit goed. Van jongeren die hier zonder begeleiders komen
hoor ik soms op het eind van hun verblijf: je krijgt hier veel
vrijheid. Dat was fijn, maar terugkijkend ook best zwaar. We zijn er nu
achter, dat we met die vrijheid ook een grote verantwoordelijkheid
kregen.
Inderdaad, in vrijheid samen leven betekent, dat je jezelf laat kennen,
anderen leert kennen en dat kost moeite. Omgaan met elkaar is riskant
voor mensen; er kan van alles gebeuren met jou, met de ander, tussen
jullie. We hoorden zojuist, wat in de ontmoeting tussen Johannes en
Jezus gebeurt: "Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar
mij?" Johannes durft te zeggen waar hij last van heeft, en doet niet
klakkeloos wat van hem verwacht wordt: de Messias, de zoon van God
dopen. Wanneer Jezus zich laat kennen met de woorden: "Laat het nu maar
gebeuren, want het is goed
|
dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen" neemt Johannes zijn
verantwoordelijkheid en doopt Jezus.
En dan gebeurt er iets bijzonders, iets wat we uit ervaring kennen. Als
ik geraakt word door een ander en vanuit dit geraakt zijn handel,
ervaar ik soms, dat een kracht in me aanwezig is die tot leven komt.
Het doet me goed deze kracht te ervaren, het maakt me meer mens. In het
evangelie gebeurt iets soortgelijks en tegelijk overstijgt het onze
ervaringen. De hemel gaat open, de Geest van God daalt neer op Jezus.
Deze Geest verbindt Jezus met God. De kracht die in hem werkt en het
hem mogelijk maakt de verantwoordelijkheid voor zijn taak hier op deze
wereld te dragen komt van God zelf, is God zelf. En dan horen we de
bevestiging: "Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde."
Waar hebben we dat eerder gehoord? Bij Jesaja, in de eerste lezing:
"Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in
hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld."
Matteüs verbindt de Messias als Zoon van God met de Messias
als knecht des Heren, die het geknakte riet niet zal breken, de
kwijnende vlam niet zal doven, in dienst staat van Gods verbond met de
mensen. Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen.
Dit recht, dat we terughoren in het woord gerechtigheid is een
relationeel begrip; het veronderstelt een persoonlijke relatie. De
persoonlijke relatie die Jezus en Johannes hebben met God laat zich
niet vastleggen in wetten en fatsoensregels. Steeds weer dient zich de
vraag aan: wie ben jij God, en wat wil je, verwacht je van mij? En
steeds weer speelt de vraag: wie ben ik zelf, wat beteken ik en kan ik
betekenen. De persoonlijke relatie met God nodigt uit, dwingt je bijna,
om zelf persoonlijk om te gaan met de mensen om je heen, allen een
geschenk van God.
De persoonlijk relatie met God geeft ieder van ons een geweldige
vrijheid. In deze vrijheid leven is zwaar, hoor ik jongeren in Onder de
Pannen verwoorden: het geeft je en spreekt je aan op je
verantwoordelijkheid als mens. Jezus ontdekte deze vrijheid en
verantwoordelijkheid in de context van Israël, het Joodse
volk, waartoe Jezus van harte behoorde. De gerechtigheid en het
koninkrijk van God beperken zich echter niet tot dit volk, zoals het
persoonlijk omgaan met elkaar zich niet beperkt tot dit klooster. God
overstijgt dit klooster, overstijgt het Joodse volk; God heeft een
boodschap aan ieder mens, met name de vreemdeling, de blinde, de
gevangene of de depressieve mens.
Dat is het onverwachte van het evangelie vandaag, dat is de
gerechtigheid die Jezus in praktijk bracht. Hij leefde zo, dat anderen
er beter, meer mens van werden. Tot dit leven worden wij als zijn
volgelingen uitgedaagd. Probeer het, en schrik niet als de hemel zich
opeens opent; God houdt immers van mensen en zal zich laten zien en ons
bijstaan in onze menswording.
|
| Bruikoft van Kana: Jesaja 62,1-5;
Johannes 2,1-11 |
20 januari 2008, Henk Jongerius OP |
|
Op de keper beschouwd klopt er van het hele
verhaal helemaal niets: 'op de derde dag' lezen wij dat er een bruiloft
was, maar als je let op het voorafgaande klopt te telling van de dagen
niet. En die bruiloft is ook een merkwaardige gebeurtenis, want wij
horen helemaal niet wie er met elkaar in het huwelijksbootje stappen en
waarom Jezus en zijn leerlingen daar genodigd zijn. De moeder van Jezus
is er al...
En dan het vreemde gegeven dat er geen wijn is: op elke behoorlijke
bruiloft, zeker in het oosten, is er altijd een behoorlijke hoeveelheid
aanwezig om het de gasten naar hun zin te maken, maar niets daarvan.
Een vreemde bruiloft, zou je zeggen en dat is ook zo.
Om het verhaal goed tot ons te laten doordringen zouden wij op de
eerste plaats onze oren goed open moeten zetten als er sprake is van
'de derde dag'. In de verhalen in de Bijbel komt die uitdrukking op
verschillende plaatsen voor en vormt dan de inleiding op een bijzondere
gebeurtenis. Daarom lezen wij ook dat 'het geschiedde..' De derde dag
is die waarop duidelijk wordt dat de Eeuwige erin zal voorzien als
Abraham zijn zoon Izaak ten offer gaat brengen en het is op de derde
dag dat Jezus 'uit de doden zal worden opgewekt'. Kortom: in dit
verhaal horen wij hoe God met mensen wil omgaan.
Dat kunnen wij het beste omschrijven met een al evenzeer diep in de
Schriften verankerd beeld, waarover wij de profeet Jesaja hoorden
zingen: De Eeuwige laat mensen niet aan hun lot over, maar wil met hen
verbonden zijn, zoals een bruidegom
|
en een bruid met elkaar verbonden zijn. Van dieverbondenheid en
vrolijkheid is de wijn het teken. Daarom lezen wij dat in het einde der
tijden er een feestmaal zal zijn met geurige wijnen en overvloedig eten!
Maar er is geen wijn, er staan alleen zes kruiken water en het getal
zes tekent de onafheid. Om de vervulling te brengen zegt de moeder van
Jezus dat er geen wijn is en Jezus spreekt een woord waardoor het feest
dat in het water dreigde te vallen toch door kan gaan.
'Doe maar wat hij jullie zeggen zal': alleen als wij de woorden van Wet
en Profeten waar tot ons laten doordringen en bereid zijn om die
metterdaad te volbrengen zal het ervan komen dat wereld, samenleving en
kerkgemeenschap die verwaterd zijn en een slechte afspiegeling vormen
van waar zij toe bedoeld zijn, weer nieuw zal worden!
De vrouw staat er als beeld van de Thora, de goede woorden van Mozes
die richting geven aan ons horen en doen. Maar het komt erop aan dat
wij haar als 'moeder' begroeten en naar haar luisteren, zoals Jezus dat
doet! Zij is er aanwezig, hoorden wij! Ons is in het woord van de
Bijbel een goede boodschap geschonken van een God die op zoek is naar
mensen en onder ons wil wonen. Willen wij naar die stem luisteren en
doen wat zij zegt? En wat doet onze moeder de heilige kerk?
De Levende verschijnt onder ons in de woorden en tekenen van hem die
ons opricht uit onvruchtbaarheid en weer mensen maakt. Dan is de Wet
vervuld en geworden tot wat zij wil zijn: wijn die het hart verheugd en
gemeenschap sticht onder mensen. Laten ook wij 'doen wat hij ons zeggen
zal' en wij zullen de vreugde van het leven proeven als wijn!
|