PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Advent - Kersttijd 2007-2008 (A)


   1e zondag van de advent: Jesaja 2,1-5; Matteus 24,32-44 2 december 2007, Henk Jongerius OP   


JesajaDe afgelopen zondagen hebben wij het een paar keer in ons slotlied gezongen: 'Daar kennen ze de route van de vrede, daar is een nieuwe aarde neergedaald'. Het klinkt met blijdschap op als mensen naar Jeruzalem gaan waar de wijsheid woont.
Daarover gaan ook de woorden van het visioen van Jesaja dat wij vandaag mogen horen. Er wordt het verlangen in uitgedrukt naar een God die ons de goede levensweg zal wijzen waarover wij kunnen gaan om toekomst te vinden. Die goede woorden, die wegwijzer, ontvangen wij in de Wet van Mozes, dat goede boek met alle verhalen die ons leren hoe God met mensen omgaat en hoe wij met elkaar kunnen leven in deze wereld.
Het geheim van al die woorden en verhalen is dat je die niet met je verstand moet aanhoren, want dan kunnen ze verdwijnen in de woordenvloed waarmee wij alle dagen overspoeld worden. Nee, de woorden van de Wet moeten gezongen worden want dan ontstaat de 'Vreugde om de Wet' als een kostbaar boek dat ons leven richting geeft.
Zingen is meer dan een kwestie van schoonheid, zingen is een verhevigde manier van spreken. In mensen die zingen komt er een verbinding tot stand tussen hoofd en hart, in hen ontwaakt een voelbaar verlangen naar een ander leven, zoals wij gezongen hebben: 'Naar U gaat mijn verlangen, Heer, ik ben zeker van U'. In het huis van de liturgie komen wij in Jeruzalem aan, toeven wij een uur op de berg 


van God. Hij wordt de 'God van Jakob' genoemd, want wij kunnen alleen aangeraakt en geroerd worden door een God die zijn Naam aan mensen verbonden heeft, een God die met mensen omgaat.
Waar wij zingenderwijze de woorden over God en mensen door ons heen laten gaan, doorbreken wij de dodende cirkelgang van de vanzelfsprekendheden zoals die aangeduid worden in de woorden van Jezus in het evangelie van vandaag. Waar alles vanzelfsprekend is en de verwondering niet meer in ons woont, zullen wij door de vloed overweldigd worden en levend dood zijn, mensen zonder hoop, verlangen en visioen. Maar waar wij ons in de liturgie de woorden van God te binnen zingen en zodoende ons hart geraakt wordt, zal het visioen van een goede wereld en mensen in vrede opnieuw in ons ontwaken. Daar worden wij mensen die niet langer sterven en ongelukkig zijn maar aangeraakt worden door een mens die de Naam van de Levende in zijn hart draagt en die in zijn leven ons de echte levensweg getoond heeft. Hij heeft ons leven in al zijn donkerheid en uitzichtloosheid gedeeld maar als zoon van de Thora vastgehouden aan de roep die van eeuwigheid tot ons klinkt: 'mens, waar ben je en waar is je zus, je broer'. In die paar woorden wordt het visioen en het verlangen bewaard en worden wij meegevoerd op zijn weg die ons in de nacht van onze wereld aan elkaar verbindt. Zo wordt liturgie een plaats waar de oude woorden ons uiteindelijk leren om lief te hebben en wij weten het: ieder die liefheeft kent God, want de Levende is liefde! Komt, laat ons wandelen in dat vriendelijk licht!

  2e zondag van de advent: Jesaja 11,1-10; Matteus 3,1-12 9 december 2007, Ernt Marijnissen OP

Johanhnes de DoperWat is er eigenlijk gebeurd, daar bij de Jordaan? De Joden, die in de tijd van Jezus in Palestina leefden, werden overheerst door de Romeinen. Ze bevonden zich in de woestijn van een kil bestaan. Tegelijkertijd verkeerden zij in de droogte van het versteende geloof van hun kerkleiders. In die situatie klinkt de oproep om de gevestigde orde te verlaten. Wij moeten ons bekeren, wordt er geroepen! Anders kunnen we het Woord niet horen, dat de weg wijst naar de vrijheid en een inspirerende geloofsbeleving.
Hoe zullen mensen reageren als zij deze oproep vernemen? Daar moet je niet zo pessimistisch over denken. Wat in de eerste taal een eenmalig feit lijkt (Johannes roept en doopt en mensen komen naar hem toe, zo'n tweeduizend jaar geleden) wordt in de tweede taal een wereldbreed visioen voor alle tijden en iedere dag: toen liep Jerusalem en heel Judea en heel de streek rond de Jordaan naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en bekenden openlijk hun zonden. De mensen kwamen, komen en zullen blijven komen uit hun huizen, wegtrekken uit de plaats van het vastgelopen en vastgeroeste bestaan. Ze trekken naar de Jordaan zoals eens het volk ging naar de Rietzee op doortocht naar de Sinaï, waar de tien goede Woorden zouden klinken. Ze gaan door het water, ze worden weggeleid uit de chaos. Heel het Joodse land en alle Jerusalemmers moeten leren opnieuw hun land binnen te trekken. Daarom verlaten zij eerst hun steden en dorpen en zoeken naar Johannes, die doopt. Zoals heel Israël uit Egypte trok en er niemand achterbleef, zo trekken allen naar de dopende profeet. In het visioen is nu heel het land en gans Jerusalem leeg gelopen. Daardoor liggen land en stad weer open voor een nieuwe intocht van het godsvolk. Eerst hebben zij stad en land verlaten, zoals eeuwen eerder Israël Egypte verliet. Vervolgens trekken ze door de Jordaan na het doopsel van omkeren uit de hand van Johannes te hebben ontvangen, en staan opnieuw in de woestijn. Daar keren ze zich om opdat zij het land weer onbevangen kunnen binnengaan. Zo immers trok eeuwen eerder Israël onder leiding van Joshua door de Jordaan het land van belofte binnen. Daarom is het thans wachten op de nieuwe Joshua, die Johannes zal aanwijzen.
In dit mooie verhaal worden twee bewegingen bijeen gebracht. In de eerste plaats moet er een weg gebaand worden. Deze weg zal een weg zijn door de woestijn: de weg van lijden, ontbering, vrees, ont-zetting, een doortocht samen mét de Levende. Deze is daar - in wolk en vuur - met het Woord en houdt ons op de been. In de tweede plaats is er sprake van intocht: er moet een weg gebaand worden náár Jeruzalem toe. De eerste, die deze weg zal gaan, is Jezus Messias. Zo hebben de profeten het steeds aangekondigd: de Messias, de lijdende dienaar, breekt de eindtijd open (Jes.52,13-15).
Johannes verricht dus een groter werk dan alleen maar aankondigen. Hij is er op uit om de mensen tot luisteren bereid te maken. Daarom moet je eerst omkeren. Hij roept niet enkel: hij komt! Hij schreeuwt de toegestroomde schare toe om toch vooral in de juiste richting te gaan staan. Het waterbad van de omkering, deze doop, moet de mens vernieuwen en verfrissen. De poriën moeten schoon, de verstopte oren en vertroebelde ogen weer open.
Het zicht op Johannes wordt scherper, en we beginnen te zien wie hij is. Het verhaal van zijn kleding verwijst naar het tweede boek van de 


koningen. Op een vraag van koning Achasja naar het uiterlijk van de  profeet, waarover in zijn tijd werd gesproken en aan wie hij het land had, antwoorden zijn boden (in 2 Kon.1,8): een harige man, zijn lenden met een leren riem omgord. De koning sprak: het is Elia de Tischbiet. Het vermelden van het kemelharen kleed is derhalve geen modepraatje, maar een invulling van Johannes als een ware profeet, die verwijst naar diegene die de eindtijd metterdaad in gang zet: de Messias.
Maar Johannes wijst óók op de woestijn: hij eet namelijk sprinkhanen en wilde honing. De weg naar het volmaken van de eindtijd ontrolt zich door de woestijn en je zult je voeden met wat je daar vindt. Anders gezegd: we moeten het doen met dit leven, met ons leven.
Door de verwijzing naar Elia weten wij nu wie Johannes is, want in de Joodse traditie is Elia de voorloper van de Messias. Zo moeten dus ook wij naar Johannes kijken en luisteren.
Nu we wat nauwkeuriger hebben toegezien gaan we horen wat hij ons met zijn oproep te zeggen heeft. Hij zegt: 'ik doop jullie in water met het oog op bekering. Maar hij, die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben niet waardig om hem zijn sandalen te brengen. Hij zal jullie dopen in heilige Geest en vuur'. Hier blijkt de dienstbaarheid van de profeet aan het woord. Het aanzeggen van het Woord, dat komt, dát is zijn enige reden van bestaan. Daarom heeft het evangelie Johannes de doper bijna vereenzelvigd met die plaats aan en in de Jordaan! Hij maakt zich geheel onderhorig aan de Tora, de wet en de weg. Het gaat om een nieuwe weg of de voorzetting van de aloude weg, maar dan op een nieuwe manier. Dat moet de profeet roepen en aanwijzen. Als profeet vraagt hij altijd weer: doe je wat je hoort? Is wat je aan het doen bent wel in overeenstemming met wat je hoort of horen moet? Hij staat in dienst van het Woord, dat groter is dan de profeet. Daarom wordt er niet alleen verkondigd dat Jezus groter is dan Johannes, want dat is binnen het raam van het koninkrijk niet van belang. Belangrijk is het onderricht dat Jezus het Woord is. Daarom is hij groter dan Johannes.

Vervolgens horen we, dat het eerste doopsel ( met water) een voorwaarde is tot het tweede doopsel (met heilige geest). Als mensen gehoor schenken aan de profeet, de voorloper, richten zij zich op in de donkerte en de chaos van hun bestaan. Er is nog geen orde en samenzijn, en de geest kan nog niet neerdalen (Gen.1,2) De mensen moeten eerst worden doordrongen van de adem en de kracht van het Woord. Wanneer de profeet spreekt over de toekomst, verschijnt er hoop in de harten van hen, die zuchten in ballingschap, in de catacomben, de vluchtelingenkampen, in de ontreddering van de sa-menleving. Eerst het horen van het Woord voert tot het juiste doen: mensen raken op drift en gaan op weg. Zo lopen we van chaos naar orde, van duisternis en leegte naar het land, heilige grond, nieuwe aarde. Dat wordt bewerkt door Jezus: hij doopt in heilige geest.
Als wij de Bijbel openen wordt ons eerst verteld dat de Geest van God over hemel en aarde zweeft om het leven in vreugde en vrede te brengen over allen, die bestaan en zullen bestaan. Zoals bij de eerste leerlingen van Jezus, die eensgezind en in gebed verzonken, samenscholen in de zaal van het laatste avondmaal, zo zal de Geest op ons neerdalen, waarna we op weg durven gaan in dienst van de blijde boodschap. Deze doop wordt aangezegd aan ieder, die zich bekeert en het land van God wil binnengaan. Daar heeft Johannes op gewezen, toen hij zei, dat degene, die na hem kwam, sterker zou zijn dan hij.

  3de zondag van de Advent: Jesaja 35,1-10; Matteus 11,2-11   16 december 2007, Antoon Boks   

Johannes de Doper in de gevangenisWe hebben allemaal wel eens gehoord van de brede weg, geplaveid met goede voornemens, die leidt naar de hel en de smalle weg, die uitkomt bij de nauwe poort. Vandaag horen we van mensen, die thuis komen over de gebaande weg, die 'Heilige weg' wordt genoemd; allen die verlost zijn zullen daar gaan.
Het volk van God was verstrooid en dat geldt niet alleen voor de mensen, die naar Babylon in ballingschap hadden moeten gaan. We kunnen denken, dat deze tekst geschreven is naar aanleiding van de conferentie van Bali. De natuur is omgevormd. De woestijn wordt een echte tuin. In andere lezingen hebben we al gehoord, dat mensen en zelfs wilde dieren veranderd zijn, maar nu doet de hele natuur ook mee, opdat het leven gemakkelijker wordt. Niet alleen in vroegere tijden waren er mensen, die het niet meer zagen zitten op fysiek, emotioneel en geestelijke gebied; die mensen zijn er nog steeds.
Aan ons is een blijde boodschap verkondigd, jaren geleden, want aan ons is de "glorie van de Heer" geopenbaard. God is tussen beide gekomen en heeft een gebaande weg klaar gemaakt voor ons thuisreis. Je zou kunnen zeggen, dat wij mensen gelukkig door de voordeur binnen kunnen, want de ellende probeert het vege lijf te redden en weg te komen via de achterdeur!
Op die thuisreis mogen we elkaar helpen. We zijn allemaal samen op reis. Laten we dan maar eens om ons heen kijken en zien wie een helpende hand nodig heeft; het kan natuurlijk ook een helpend woord zijn of een welkomstwoord in onze gemeenschap.
We hebben het allemaal meegemaakt of hebben het zelf gedaan: kinderen vallen, hebben pijn en een ouder pakt het kind op, zet het op de knie en spreekt lieve woordjes. Ook al horen we dat alles goed zal komen, het is nog niet zover. We zijn nog in een tranendal, maar we horen hopelijk wel de lieve woorden die God tot ons spreekt door onze buurvrouw of buurman.
Natuurlijk weten we ook, dat het niet allemaal goud is wat er blinkt. Teveel mensen leven in onze wereld ongelukkig, of om het mooi uit te drukken in een emotionele, fysieke of geestelijke woestijn, maar dat is zeker niet alles. Hopelijk zegt niet alleen onze buurvrouw of buurman, maar ook God tegen ons: "Alles sal reg kom". Zover is het nog niet, maar we horen wel dat God van plan is zijn werk aan de schepping af te maken met een zegen, een stortvloed van liefde en genade. God wil ons de kans geven op alle goeds en helpen om het kwade uit te roeien.
Dan mogen wij niet achterover leunen en wachten tot God de problemen van de wereld voor ons oplost. Iedere keer lezen we in de Bijbel en horen we in goede preken, dat we zelf met Gods genade mee moeten werken. We mogen zeggen, dat we in een tussentijd leven, maar de toekomst is al begonnen. Profeten, Jezus
Christus en goede predikers hebben ons verteld hoe de wereld er uit ziet, die God wil.


Jezus Christus en goede predikers hebben ons verteld hoe de wereld er uit ziet, die God wil. Wij moeten liefhebben en de menselijke gemeenschap en de wereld van de natuur beschermen, want daarin kunnen we God vinden.
We weten dat de toekomst aan God toebehoort, maar nu al in ons eigen leven krijgen we een voorproefje van wat de toekomst met God zal zijn. Tegenover de leerlingen van Johannes de Doper legt Jezus uit wat onze toekomst inhoudt. Hij zendt een boodschap terug naar Johannes waarin hij zijn eigen dienstwerk beschrijft: Jezus is begonnen en wij moeten doorgaan met te doen zoals hij deed, totdat hij terug keert. We moeten wegen vinden om blinden te laten zien. We moeten proberen de mensen die in verzwakte omstandigheden leven op te laten staan en door te laten gaan. We moeten die mensen binnenlaten die buiten de groep staan en we moeten zelf goed nieuws zijn voor iedereen, die het nog niet gehoord heeft. We moeten hoop op een nieuw leven zijn voor de mensen die de moed hebben opgegeven.
Johannes vertelde dat het koninkrijk van God voor de deur stond. Hij was een krachtig getuigenis van het woord van God. Hij riep op tot berouw, maar kon nog geen vergiffenis geven.
Net zoals Johannes roept Jezus op tot berouw, en hij bood ook genade en genezing aan. Johannes is in de gevangenis en kan het niet aan Jezus zelf komen vragen, daarom stuurt hij zijn leerlingen met de vraag: "Ben jij het die komen moet of moeten we nog op een ander wachten?"
Het is wel zeker, dat Jezus niet de harde rechter was, over wie Johannes sprak, maar de boodschap is wel belangrijk en bemoedigend: hij is gekomen om het volk te redden door de vergiffenis van God. Zo oordeelt God: door Jezus en vol genade. Het oordeel is gekomen en de barmhartigheid is de beslissing van de rechter.
We zijn mensen die leven in de Advent van hoop en vertrouwen op de belofte van God. We zijn als volgelingen van Jezus het verlengstuk van zijn aanwezigheid in de wereld. Wij moeten nu uitvoeren, wat hij zei over zichzelf en zijn werk zoals het genezen van de blinden en de lammen en de melaatsen De teksten van deze viering vragen van ons om het mysterie van Jezus te leven in onze tijd. Uit het antwoord van Jezus aan Johannes blijkt, dat hij niet wil dat we een kleine groep zijn van bevoorrechte mensen.
Hij confronteerde de slechtheid van de wereld door genezing en vergeving te brengen. Toen de mensen Jezus ontmoetten, werd de profetie van Jesaja werkelijkheid, Onze God is hier, deze is gekomen om ons te redden. Wij moeten nu als de Kerk van Jezus op weg gaan en vertellen wat we hebben gezien en gehoord, niet alleen praten, maar vooral ook doen. Dat wordt werkelijkheid als we blinden laten zien; als we kreupele mensen oprichten; als we blijven praten met iedereen die door de Kerk en de maatschappij buiten zijn gesloten; als we wegen vinden die waarde geven aan menselijk leven. Op die manier brengen we goed nieuws aan armen en verdrukten, overal, altijd.

   4de zondag van de advent: Jesaja 7,10-14; Matteus 1,18-24 23 december, André Lascaris OP


We hoorden zo juist het verhaal van de geboorte van Jezus volgens de evangelist Matteüs. Dit verhaal is ons vast minder bekend dan het verhaal van de geboorte van Jezus volgens Lucas. Want dat wordt altijd in de kerstnacht gelezen. En op kerstdag lezen we het begin van het evangelie van Johannes: 'het woord is vlees geworden'. Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen Matteüs en Lucas.
Een opvallend verschil tussen beiden is dat bij Lucas Maria steeds naar voren wordt gebracht als belangrijk: zij ontvangt de boodschap van de engel Gabriël en zegt daarop 'Ja'. Zij gaat op bezoek bij haar nicht Elizabeth. Zij wikkelt het pasgeboren kind in een doek en legt hem in een voederbak, zij weet dat hij Jezus moet gaan heten. Ook elders hebben Maria en andere vrouwen bij Lucas een grotere plaats dan bij Matteüs. Je zou kunnen gaan denken dat Lucas geëmancipeerder is, maar dat is natuurlijk een terugprojecteren van onze tijd naar de tijd van Lucas en Matteüs
In het evangelie van Matteüs staat Jozef centraal. Hij is degene die handelt en actief is. Hij besluit zijn verloofde niet aan de schandpaal te nagelen, hoewel hij denkt dat ze vreemd gegaan is. Eigenlijk moest zo'n meisje gestenigd worden (Deut. 22, 20-21) of in het openbaar verstoten met alle schande van dien, met grote kans veroordeeld te worden tot bittere armoede en mogelijk het bestaan van een prostitué. Want verloofd zijn was eigenlijk het begin van het huwelijk. Jozef kent de wet, maar hij vindt barmhartigheid belangrijker.Hij hoopt in stilte van haar te scheiden.
Hij is het, niet Maria, die een engel ontvangt, zij het in een droom. Zoals je verwachten kunt want Jozef is genoemd naar de Jozef uit het laatste stuk van het boek Genesis, het eerste bijbelboek, die 'de dromer'werd genoemd. Hij is het die de naam van het kind hoort en deze ook aan hem geeft. Hij legitimeert het kind, maakt hem zo zoon van zichzelf en 'zoon' van David, terwijl Jezus tegelijk ook degene is waarin 'God met ons is', 'Immanuël' en ons bevrijdt van het kwaad, kortom 'zoon' van God..
Jozef als hoofdfiguur? Als we nauwkeuriger kijken, dan is het duidelijk dat zijn rol toch marginaal is. Hij staat aan de rand van het gebeuren. Het is niet zijn mannelijke potentie, niet zijn mannenkracht die de geschiedenis gaat bepalen, de toekomst vormt. Matteüs maakt duidelijk dat een andere kracht, geestkracht, toekomst geeft. Dezelfde geestkracht die de leerlingen ontvangen na de dood van Jezus, een 


geestkracht waarvan zij zeggen dat die van Jezus komt en dat Jezus bezield is met die geestkracht, levenskracht van God. Diezelfde geestkracht is met Jezus al tijdens zijn leven en zelfs al bij zijn geboorte. Deze geestkracht, levenskracht die van God, bepaalt de weg die Jezus zal gaan.
Het gaat hier niet om een concurrerende macht, een macht van dezelfde soort en orde als van Jozef. Neen, het gaat hier om een heel andere soort macht, een macht die geen macht is, een macht die altijd leven brengt, in tegenstelling met die macht van het bevel dat een bedreiging inhoudt de ander dood te maken. De mannenmacht van dwang en bevel wordt onderuitgehaald en wordt getransformeerd in de goddelijke, niet gewelddadige, niet dwingende macht van God.
Zo is het al met het teken dat de profeet Jesaja geeft aan koning Achaz.. Deze koning wordt bedreigd door de veel sterkere legers van de koning van Syrië en van het Noordrijk. De profeet beschrijft die twee als machteloze smeulende stukken hout: 'vertrouw je het niet, dan houd je het niet'. En wat is het teken? Een jonge vrouw zal een kind krijgen. Geen teken van mannelijk kracht dus, maar de diepe band tussen vrouw en kind, beeld van zorg van de ene mens voor de ander.
Wanneer het over de macht van God gaat, zelfs over zijn almacht, dan gaat het kennelijk over heel iets anders dan wat wij onder macht verstaan. Een macht die niet dwingt, niet dreigt met de dood, niet forceert, niet steunt op de dood, maar een macht die feestelijk leven schept en herschept, een macht die niet knecht, maar doet opstaan. Het is een macht waarvoor wij geen woorden hebben en die we ons nauwelijks kunnen voorstellen.
In de bijbel zelf wordt met dat begrip geworsteld en wordt die vaak niet of half begrepen. Wanneer we naar de geschiedenis van de Kerk kijken, dan komen we overal mannen en hun macht tegen. Pas heel langzaam krijgen wij oog voor die andere soort macht ten leven.
En laten we niet vorige generaties zwart maken of de leiders van de Kerk. Dat is gemakkelijk. Maar onderzoeken we onszelf om te ontdekken hoezeer ons eigen handelen door machtsuitoefening getekend wordt, vaak op een heel subtiele manier Door je de mindere te voelen of te zeggen dat je de mindere bent. Of door de baas te spelen. Of door je leven te laten bepalen door teleurstellingen: omdat je 'het' met al je macht toch niet gehaald hebt. Door anderen in te schatten en strategieën te bedenken zodat jij je zin krijgt.
Misschien kunnen we vandaag daar even bij stilstaan. Of liever nog: stilstaan bij die macht van Gods geestkracht waarvoor wij geen woorden hebben. Want niet voor niet is Kerstmis het feest van de vrede.

 

   Kerstnacht: Jesaja 9,1-6; Lucas 2,1-14 24-25 december, Paul Minke OP


Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht, met deze woorden geeft de profeet Jesaja tegenover zijn tijdgenoten uiting aan zijn hoop en vertrouwen, dat God trouw is en zijn woord jegens zijn volk nakomt. De bevrijding, die de profeet met zoveel stelligheid aankondigt als nu plaatsvindend is evenwel ver weg en laat nog op zich wachten. In feite woonde het volk nog in het land van doodse duisternis. Het is onderdrukt, is van zijn vrijheid beroofd, het is rechteloos. Toch, wat Jesaja zong, was een danklied, een zegezang, een bevrijdingslied. Hij zong het vanuit de overtuiging dat de voltooiing van Gods belofte zich onherroepelijk zal voltrekken, hoe ondenkbaar dat ook toen leek. Het juk zal worden gebroken, er zal weer volop geoogst worden. Voor Jesaja gebeurt echter de bevrijding nu, zo groot was zijn geloof.
Het profetisch visioen is voor ons tegelijk een messiaans visioen, een beeld wat God uiteindelijk voor ogen staat: redding van de wereld, want een kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken met namen als: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst. We hoorden van zijn geboorte in het evangelieverhaal van Lucas. Lucas situeert zijn levensverhaal heel uitdrukkelijk in de wereldgeschiedenis. Keizer Augustus en Quirinius dienen in het verhaal als oriëntatiepunten. Tegelijkertijd met het noemen van hun namen wordt het ons duidelijk, dat ook toen Israel een donkere nacht doormaakte. Een juk drukte op het volk. Het waren de namen van hun onderdrukkers, machthebbers van buiten. En ook in die nacht klonk een lied, een lied vanuit den hoge, van hemelse boodschappers in de velden van Bethlehem: Vreest niet, want zie: ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En de hoorders waren de herders op het land, maatschappelijke randfiguren, mensen zonder dak boven hun hoofd, zwervers zonder vaste woonplaats. Zo is begonnen, met de minsten, wat wij nu in deze nacht vieren.
Zowel in het visioen van Jesaja als in het evangelieverhaal van Lucas ligt een eenzelfde spanning tussen het "heden" en het "nog niet". De duisternis van het heden en de beloftevolle voltooiing in de toekomst, tussen het geweld en leed van het nu en de vrede


die ons wacht. De redder is gekomen. Met hem is het Rijk Gods definitief aangebroken, maar de voltooiing van dat Godsrijk ligt in de toekomst. Aan ons om in navolging van de herders in deze nacht, in navolging van de wijzen uit het Oosten, en later in navolging van de twaalf aan ons om die blijde boodschap door te geven aan ieder die horen wil, aan ieder die zien wil, wat deze boodschap met ons gedaan heeft.
En dit zal onze boodschap zijn: De genade van God, bron van heil voor alle mensen is op aarde verschenen. In Jezus heeft God zijn menslievendheid geopenbaard voor alle volken. Ons is de hoop geschonken, dat ooit eens, wat heden begonnen is tot voltooiing zal komen in het Rijk van vrede en gerechtigheid. Wat wij niet durfden dromen wordt werkelijkheid in een kind ons gegeven en zijn naam is Emmanuel, God-met-ons, eens en voorgoed, heden. Deze boodschap heeft ons leven veranderd, doet ons leven met hoop en vertrouwen.
De kerstnacht is voor ons, die hier nu bijeen zijn, heilig. Waarom? Omdat we de verhalen delen die wij hier hoorden en bezongen en de boodschap van hoop en geluk, die erin besloten ligt, beluisteren. We delen de woorden, hoe verschillend we ze wellicht persoonlijk verstaan woorden als: Heden is u een redder geboren en: op aarde vrede aan de mensen. Het zijn woorden, die in ons een groot en diep verlangen loswoelen naar vrede en geluk, naar een aarde en een wereld zonder angst en leed. Deze nacht beseffen we meer dan in andere nachten, dat een mens eigenlijk geboren wordt voor geluk en vrede en liefde. Deze nacht is onze zo heilig, omdat het ondanks wat we zien en meemaken aan wereldleed, aan honger en geweld, aan armoede en verdrukking de hoop in ons levend houdt, dat de vrede ooit eens geschieden zal.
Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Zalig zal het zijn wanneer u in dit feest kunt zien en beleven het teken van Gods trouw, zorg en liefde, mensgeworden in een kind, Emmanuel. Zalig zal het zijn wanneer grote blijheid heerst in uw hart en gemoed, omdat in Jezus de milde menselijkheid van God is verschenen. Zalig zal het zijn, wanneer u in grote dankbaarheid kunt belijden, dat Jezus u en mij, ons allen voorgaat naar de vervulling van onze hoop. Het licht en de vrede, waarvan wij zingen, zullen niet slechts woorden zijn zoals zovele woorden die vervliegen in de harde realiteit van alle dag, maar een beloftevol visioen blijven, een blij perspectief. Amen.

 

   1e Kerstdag: Jesaja 52,7-10; Johannes 1,1-18 25 december, Antoon Boks OP


Het is geen nieuws, dat Kerstmis ons uitnodigt om te vieren, dat God zich met mensen verbonden heeft met alles er op en er aan. Ik kan ook de woorden gebruiken, die nog al eens uitgesproken worden bij een huwelijk: in goede in slechte tijden. Het is wel heel erg goed nieuws, dat het spreken, het doen en laten van God mens is geworden en bij ons heeft gewoond. De gelovigen van het oude Testament hadden al heel lang geleden gehoord, dat wij mensen waren geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Door de manier, waarop God bij ons komt wonen, neemt God precies het zwakke en het arme van deze wereld op zich. Hij draait een flink aantal menselijke waarden om. Ook dat is geen nieuws, dat is al vele eeuwen verkondigd, ook voor de geboorte van Jezus, maar opnieuw het is wel goed nieuws.
In onze wereld moeten wij, Christenen, proberen twee lege plaatsen in onze maatschappij te ontdekken: de kribbe en het kruis. Ook al zijn er nog steeds vele mensen die met elkaar wedijveren. Ook al dromen veel mensen er van om belangrijk te worden. Ook al hebben veel mensen er heel veel voor over hebben om te stijgen op de maatschappelijke ladder, toch wordt voor ons vrouwen en mannen van 2007 de liefde van God steeds weer duidelijk. Bij de kribbe en het kruis, twee voor ons belangrijke plaatsen, voelen we de kracht, waarmee God zich vertoont in de zwakheid en daar geeft hij ons vrede en geluk.
Op welke manier kunnen wij ons verbinden met andere mensen, dichtbij en veraf?
Die God, dat woord, dat in onze geschiedenis komt, is leven, licht en komt dichtbij… Het is een scheppend woord en het zorgt voor heil. Als we echt Kerstmis willen vieren in de volle betekenis van het woord, dan zullen we boodschappers van vrede moeten zijn. In onze eigen kerststal en in zoveel andere van de hele wereld kunnen we de armoede en de kwetsbaarheid.
God is liefde en er is niets op de wereld, wat zo kwetsbaar is als liefde.
God werd een pelgrim in onze geschiedenis, metgezel van een mensheid die lijdt, droomt en hoopt. Dit is het woord, dat God ons deze Kerstmis weer geeft. Een woord vol leven, licht en hoop. Dat dynamische en scheppende woord, komt van de Vader en verblijft in de geschiedenis, om een omhelzing te zijn, die verlost en heel maakt. Als we willen dat het Kerstmis blijft, dan moeten wij echte mensen worden. Als onze spiritualiteit geen vlees en bloed wordt heeft het niets te maken met de God van Jezus, de Heer van het leven en de geschiedenis.


Als we kijken naar de minpunten van onze wereld op Kerstmis, dan zien we veel ellende, maar we mogen gelukkig ook kijken naar de pluspunten. Min- en pluspunten zijn er in overvloed. Wat kunnen wij doen opdat Gods spreken ons menselijk hart verandert? Heel zeker en altijd hebben we de "voeten nodig van de boodschapper, die vrede aankondigt" (Jes. 52,7), met woorden en daden, in ons dagelijks leven in dienst van de zwaksten. We moeten proberen die "lege" stoel van de kribbe te pakken en doorgevers te zijn van het leven, dat de kribbe uitstraalt.
In onze wereld zijn zoveel oorzaken van verwarring, indoctrinatie, bronnen van leugens, verleiding en duisternis. De lezing en het overdenken van het spreken van God en het doorgeven daarvan zullen een bron van licht zijn en ons helpen in onze keuze voor het leven. Moge deze Kerstmis een uitnodiging zijn om meer te lezen in de Blijde Boodschap en ons voor te nemen om die lezing iedere dag een beetje meer in praktijk te brengen.
Jezus kwam thuis. Hij komt iedere dag bij ons voorbij met zoveel verschillende gezichten: in de mensen van ons huis, in die van onze straat. Hopelijk hoeven we niet de woorden van Johannes te herhalen: "Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen". Doordat er geen plaats was in de herberg werd de liefde van God zichtbaar op een andere plaats. Hopelijk hebben wij een hart waarvan de deuren wijd open staan en weigeren we niemand om daar binnen te komen.
Mogen wij Jezus ontvangen gedurende deze Kerstmis, want hij is de hoofdpersoon. Vele mensen beleven gelukkig deze aanwezigheid heel intens en wij mogen vandaag weer onze verbintenis met de Blijde boodschap vernieuwen. Maar zelfs wij lopen het risico, dat we afgeleid worden door de versieringen, de geschenken, reizen en feesten, die niets te maken hebben met Kerstmis. Wij hebben het ook nodig, dat Bethlehem ons met Gods leven, licht en liefelijkheid verbind.
Moge dat ons er toe brengen om geboren te worden, om licht te zijn, om te delen wat we zijn en hebben met de armen van de wereld. Dat is de echt de bron van geluk en vreugde. Om het Kind te ontmoeten in de kribbe, om dit mysterie van God te begrijpen, moeten we op de een of andere manier voelen, dat we te kort komen. Alleen op die manier kan een grote allesomvattende liefde werkelijkheid worden. Moge de Zoon van God, de zoon van Jozef en Maria ons net als Maria vol maken van genade, zodat we dit aan ons gegeven geschenk aanpakken. Dan kunnen we ook aan onze vriendinnen en vrienden en aan de hele wereld zeggen: Zalig Kerstmis. Dan weten we in ieder geval ook, wat we die ander toe wensen, want dan zijn wij allemaal nog steeds beeld en gelijkenis van God.

  Handelingen 6,8-10 + 7,54-60 26 december 2007, Henk Jongerius OP


StefanusIn het evangelie van Lucas staat op een paar plaatsen geschreven dat 'Maria al deze woorden in haar hart bewaarde en ze bij zichzelf over-woog'. Dat is het geval wanneer de herders van de plaats van Jezus' geboorte naar huis terugkeren en ook wanneer zij met Jozef hun kind terugvinden als hij achtergebleven is in de tempel.
Dit bewaren en overwegen van wat geschiedt is, maakt Maria tot beeld van de kerk die immers als taak heeft om te verkondigen hoe God met mensen omgaat. Daarom zien wij haar ook in het midden van de leerlingen als zij zich verborgen hebben in de bovenzaal na de hemelvaart van Jezus. Het zal ons als predikbroeders zeker aanspreken omdat immers de opdracht van ons leven is om 'te overwegen en dat wat door onszelf is heengegaan door te spreken aan anderen'.
Wij mogen alleen spreken over de dingen van God als zij eerst door onszelf zijn heengegaan, ook al is dit niet welgevallig aan de kerkelijke overheid. Wij horen dat vandaag in het verhaal over Stephanus. Hem wordt door sommigen uit de synagoge verweten dat hij lasterlijke woorden heeft gesproken tegen Mozes en God. In het boek van de Handelingen houdt Stephanus dan een toespraak waarin hij te beginnen bij Abraham heel de geschiedenis voor de ogen van zijn gehoor laat passeren en daarin laat zien hoe God aanwezig is in het verhaal van Abraham, Mozes, van Jakob en zijn zonen. Hij maakt zijn toehoorders het verwijt dat zij heel de wet niet op zijn juiste


betekenis hebben ingeschat en de woorden ervan niet werkelijk ´in hun hart bewaard hebben´. Dit verwijt snijdt door hun ziel en zij stenigen deze getuige dood, zoals hun vaders eertijds ook met de profeten hebben gedaan.
Wij zullen de ware betekenis van het kind dat in Bethlehem geboren is onderkennen als wij hem, zijn woorden en daden, plaatsen in het grote verhaal van God met de mensen, wanneer wij gaan ondervinden hoe alles wat geschreven is in Wet en Profeten in deze mens in levende lijve onder ons verschenen is, kortom hoe God een levende realiteit in ons leven is geworden. Daarom zal Jezus ook aangeduid worden met ´de ware zoon van Abraham, de nieuwe Mozes!
Het zal erom gaan om met Stephanus in verwondering terug te kijken en te onderkennen hoezeer God in het leven van mensen een werkelijkheid is geweest waarin zij een nieuw begin, bevrijding uit onderdrukking, verlichting in nood en benauwenis hebben ondervonden.
Dat kan ons ertoe brengen om ook in ons eigen leven de sporen van Gods aanwezigheid te gaan zien, die wellicht heel anders aan ons verschijnt dan wij gedacht hadden.
In ons hart bewaren wat er ook in ons eigen leven allemaal gebeurd is, zal ons met de dichter van psalm 66 laten zingen ´Lof zij God die mijn bede niet afwees, die mij nooit zijn genade ontzegd heeft´.
Daartoe moge deze moedige getuige van Jezus´komen onder de mensen ons een lichtend en bemoedigend voorbeeld zijn.

  H. Familie: Jesaja 61,10-62,3; Lucas 2,22-40 30 december, Ernst Marijnissen OP   


H. FamilieDe Schriftlezingen van deze zondag hebben in elk geval één thema gemeen. De mens, die zich houdt aan de Wet, de Tora, zal ondanks lijden en tegenslag het geluk van God binnengaan. Zo'n mens zal anderen tot licht en troost zijn. Dat geldt voor Gods eigen volk. Dat geldt op bijzondere wijze voor Jezus van Nazaret.
Jezus is geboren onder de wet. Tot vijfmaal toe wordt in het verhaal over de opdracht van Jezus in de tempel de Wet des Heren, de Tora, vermeld. In het Lucasevangelie blijkt Jezus de weg te zijn, omdat hij de Wet tot vervulling brengt. De Wet vervullen is als een exodus, een uitweg voor alle mensen uit welke vorm van slavernij en onderdrukking dan ook. Het is de weg naar Jerusalem, de stad waar overeenkomstig de visioenen van vele profeten, met name Jesaja, eens alle volken der aarde zullen samenstromen in het huis, de tempel van God. Want heel de aarde is Gods eigendom. Zo wordt Jezus, die behoort in de dingen van zijn Vader te verblijven, in de tempel aan God opgedragen, om uit te beelden 'wie' hij is én tot 'wat' hij is geroepen. Nu wordt Jezus aan God opgedragen, maar eens zal - zoals Jesaja heeft geprofeteerd - dat gebeuren met alle volken.
De oude Simeon is de vertolker van een oude en eerbiedwaardige traditie. Daarom roept hij dat 'wie' en 'wat' luid en duidelijk uit. Israël blijft Israël, de wortel van de Christusgemeente, de bruid, aan wie de bruidegom, de God van de Sinaï, zijn liefde heeft bekend. De bruid is de jonkvrouw Sion, waarop Jerusalem is gebouwd, en zij is rechtvaardig naar de volken en eerbiedig levend naar de Heer, haar bruidegom. En altijd is zij, als de Geest op haar rust, in verwachting van het heil, dat is . de bevrijding der volkeren uit onderlinge strijd en eigen vernietiging. Terreur en zelfdestructie zullen voorbij zijn.


In Jezus zien ook wij, in navolging van Simeon, het heil voor alle mensen. Daarom is hij, en ook de Christusgemeente, het licht voor de ganse wereld en vervult hij - en zullen ook wij vervullen - de luister van Israël. Zoals van Simeon wordt verteld dat de Heilige Geest op hem rust, zo horen we dat Anna een profetes is. Zij behoort tot die mensen in de geschiedenis van Gods heil, die wijzen op het Woord en aansporen en aanroepen tot het in praktijk brengen ervan. Heel haar lange leven als weduwe verbleef zij in de tempel, waar zij in vasten en gebed God diende. Daarmee schaart zij zich in die eerbiedwaardige rij van de vrouwen van Israël, die steeds aan de poort stonden van een nieuwe fase in Gods geschiedenis met de mensen. Als we goed de Schriften lezen ontdekken we dat de ontrouw van Israël of de agressie van de wereld de heilsweg dreigen te blokkeren. Maar altijd, als naar menselijke maatstaven de weg van het heil doodliep, en dood en vernietiging dreigden, kwam er een nieuw begin. Daar, bij zo'n begin, treffen wij de vrouwen van Israël aan!
De uitdrukking, dat de vrouwen dienst doen aan de poort van de tent der samenkomst (Ex.38,8; 1 Sam.2,22), wijst niet alleen op een lokale plaats, maar vult veeleer hun unieke positie in het verbond in. De geboortehelpsters in Egypte voorkwamen dat het volk Israël werd uitgemoord (Ex.1,17). Zo kon Mozes uit het water bevrijd worden en werd hij de leider van het wegtrekkend volk uit de slavernij. Het eerste boek Samuel opent met het verhaal van Hanna, die God smeekt om een zoon en belooft deze aan Hem toe te wijden (1 Sam.1,11). In die dagen namelijk was een woord des Heren zeldzaam, zegt de Schrift. De oude Eli, rechter van Israël, was blind en zag het niet meer zitten, want het ging niet goed met Gods bruid. Dan roept God Samuel, de zoon van Hanna. Zo gaat het ook met Elizabeth en Johannes (Luc.1,5-9), met Maria en Jezus (Luc.1,26-33) en de vrouwen bij het graf (Matt.27,55-56).
Zo komt ook Anna tot Jezus en sluit zich aan bij de lofzang van Simeon. Met hem staat zij aan het begin van een nieuwe fase in de redding van de wereld. De vrouwen: zij blijven ook in onze tijd de geboortehelpsters van het Woord.

  Driekoningen: Jesaja 60,1-6; Matteus 2,1-12 6 januari 2008, Paul Minke OP  


Drie wijzen volgen een ster op zoek naar bron van het licht: Jezus Christus. Wijzen zijn mensen, die reiken naar inzichten die verder gaan dan het alledaagse, voorbij de eigen beperkte horizon, mensen die vragend in het leven staan. Het zijn mensen, die zich verwonderen over al wat is, over al wat gebeurt. Het zijn mensen, die zich niet beroepen op dat iets altijd zo is geweest. Zoals alle wijze mensen kwamen ook deze drie in beweging, zijn zij zoekende naar dat wonderlijke verschijnsel, dat zij op hun weg tegenkwamen. Geïnspireerd door de Schrift worden de wijzen koningen genoemd en hebben zij zelfs namen gekregen: Caspar, Melchior en Balthasar. Zij kwamen, geleid door de ster, aan in het land Israel, in Jeruzalem en hier raakten zij het spoor bijster en zochten raad bij de overheden. "Waar is de pasgeboren koning van de Joden." De hogepriesters en de schriftgeleerden verschaften hen ook raad. Zij kenden de Schrift en het antwoord was: Bethlehem in Juda. Zij wisten het maar kwamen zelf niet in beweging. Het waren dan ook geen wijze mensen. Ze deden niets met hun kennis. Er was geen verwondering, geen vraag naar de wijzen toe hoe het toch kwam, dat zij vreemdelingen toch, onbekend met de Schrift, dat zij weet hadden van een pasgeboren koning van de joden. Hoe vertrouwd de schriftgeleerden ook waren met wat in de Schriften staat, zij waren niet bij machte de tekenen van de tijd te verstaan, niet in staat de draagwijdte van de vraag van de wijzen te doorzien. Dit in tegenstelling met de wijzen, die, hoewel onbekend met Gods woord wel oog en oor hadden voor wat er gaande was in de wereld, dat er een God is, die bekommerd is met het lot van mensen. Zij begrepen, dat hier en nu God zich openbaart in een kind.
De reactie van de hogepriesters moet bij ons wel verwondering wekken. Hoe is het mogelijk, dat de koning en de religieuze leiders slechts gealarmeerd raakten door de vraag van de wijzen in plaats van opgetogen en verheugd te zijn? Het land snakte naar een redder, maar zij zelf blijkbaar niet. Hun eigen gevestigde posities lijken belangrijker dan welke bevrijding ook. Hoe is het mogelijk, dat bij de koning Herodes en de andere overheden niet de gedachte boven kwam, dat de redding door de aangekondigde Messias, aangekondigd door Jesaja en zovele andere profeten, verder strekte dan Israel, het eigen land en volk, maar heel de wereld en alle volken betrof? Hoe is het mogelijk, dat koning en priesters zich niet verwonderden over het feit, dat God ook mensen roept, die geen weet hebben van de Schriften? Was hun duisternis zo dik en donker, dat zij het licht van de ster verduisterden?


De wijzen gingen weer op weg en eenmaal buiten de stad zagen zij weer de ster. En zij brachten het kind hun hulde en boden het huin geschenken aan: goud, wierook en mirre. In zijn eigen huis was Jezus gekomen en zijn eigen mensen hebben hem niet erkend, zo schrijft Johannes in de aanhef van zijn evangelieboek. Maar de volkeren, vertegenwoordigd door de drie wijzen uit het Oosten kwamen af op uw licht, koningen op de luister van uw dageraad. Aldus Jesaja
De wijzen uit het oosten vertegenwoordigen al die talrijke mensen, die eerlijk op zoek zijn naar de zin van het leven, naar de kracht van het goede, naar de bestemming van hun levensweg. Het is een moeilijke zoektocht. Ook wij weten dit uit eigen ervaring. Het is een weg van vallen en opstaan. Soms is het hen duister, soms zien zij licht en wordt hun tocht verlicht. Kostbaar is voor hen, als zij op hun tocht mensen ontmoeten, die hun een hand toesteken, met hen meetrekken, hun licht laten schijnen. En zijn wij niet die mensen, die verrijkt met de kennis van de Schrift, hen nabij kunnen zijn en hen doen delen in ons geloof en onze hoop?
En dringt dit niet des te meer in onze tijd, in onze wereld? Onze samenleving is veelkleurig. Naast onze westerse cultuur en gewoontes komen we in aanraking met culturen en gebruiken die wij niet kennen. Dat brengt spanningen mee. We weten er geen goed raad mee. Het maakt het leven ook veel gecompliceerder, schept veel verwarring. Het is niet gemakkelijk je weg te vinden of zelfs staande te blijven. Er ontstaat agressie, er is angst, intolerantie neemt toe. Geweld ook. Het groeiend individualisme draagt ertoe bij je niet in te laten met een ander en je minder of niet te bekommeren om wie je vreemd en onbekend zijn. Het tij moet worden gekeerd, richting verdraagzaamheid en tolerantie, richting respect en waardering voor het leven, ook als dat ons vreemd is. Ligt het niet op onze weg om daarin voor te gaan nu wij weten en belijden, dat God zijn zorg niet beperkt tot een kleine groep van uitverkorenen, dat God zich openbaart aan de wereld en het heil wil voor alle volken? Ligt het niet op onze weg ons te keren tegen allen, die oproepen tot vreemdelingenhaat en af te wijzen iedere vorm van discriminatie? Ligt het niet op onze weg ons aangesproken te voelen door de oproep, die deze week in dagblad TROUW verscheen: Benoemen en opbouwen?
Het verhaal eindigt met ons te vertellen, dat de wijzen langs een andere weg terugkeerden. De enig begaanbare weg niet alleen voor ons, maar voor allen om ons heen, vriend en vreemdeling. De weg van heil en redding. Aangeraakt door het licht van Jezus Christus vonden de wijzen de weg die hen en ons uiteindelijk voeren zal naar het Rijk Gods. Amen.

   Doop v an de Heer: Jesaja 42, 1-7; Matteüs 3, 13-17 13 januari 2008, Theo Koster OP  


Een themawoord in het evangelie volgens Matteüs is 'gerechtigheid'; we hoorden het zojuist vallen in het antwoord van Jezus aan Johannes: Gods gerechtigheid vervullen. Ook in de eerste lezing viel het woord enkele keren: gerechtigheid en het recht doen kennen. Twee hoofdstukken verder, wanneer het gaat over de vele zaken, waarover wij mensen ons zorgen maken horen we Jezus zeggen: "Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden."
De gerechtigheid die Jezus voor ogen stond en in praktijk bracht is een kenmerk van het koninkrijk van God, eveneens een themawoord bij Matteüs. Gerechtigheid kun je verstaan als het je houden aan allerlei normen en regels. Dat is lekker makkelijk. Als je je maar houdt aan wat hoort en is afgesproken zit je goed en kan je niets gebeuren. Ken je de normen en wat hoort nog niet, dan hoef je slechts om je heen te kijken. Lang zijn we zo met vreemdelingen omgegaan die zich hier in Nederland vestigden: kijk om je heen, en pas je aan, hielden we hen voor. We doen hen en onszelf hiermee te kort. We leren op deze manier elkaar immers niet kennen, raken opgesloten in de eigen wereld alsof dat dé wereld is, worden bang voor elkaar in plaats van te genieten van elkaars eigenaardigheden. Als je je maar houdt aan wat hoort mag dan makkelijk zijn, het gaat ten koste van onze identiteit;
we worden minder mens door ons zo te gedragen, verliezen onze menselijkheid.
Als ik een groep jongeren ontvang in Onder de Pannen zeg ik hen bij het verwelkomen: veel regels waaraan je je moet houden hebben we hier niet. Jullie zijn vrijwillig hierheen gekomen, en dat geldt ook voor de gasten en bewoners van het klooster. Als jullie last hebben van elkaar of de mensen in het klooster: zeg het, zodat deze rekening met je kunnen houden. En als zij last hebben van jullie of een van jullie krijg je dit ook te horen, zodat je rekening met hen kunt houden. Al jaren gaat dit goed. Van jongeren die hier zonder begeleiders komen hoor ik soms op het eind van hun verblijf: je krijgt hier veel vrijheid. Dat was fijn, maar terugkijkend ook best zwaar. We zijn er nu achter, dat we met die vrijheid ook een grote verantwoordelijkheid kregen.
Inderdaad, in vrijheid samen leven betekent, dat je jezelf laat kennen, anderen leert kennen en dat kost moeite. Omgaan met elkaar is riskant voor mensen; er kan van alles gebeuren met jou, met de ander, tussen jullie. We hoorden zojuist, wat in de ontmoeting tussen Johannes en Jezus gebeurt: "Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar mij?" Johannes durft te zeggen waar hij last van heeft, en doet niet klakkeloos wat van hem verwacht wordt: de Messias, de zoon van God dopen. Wanneer Jezus zich laat kennen met de woorden: "Laat het nu maar gebeuren, want het is goed


dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen" neemt Johannes zijn verantwoordelijkheid en doopt Jezus.
En dan gebeurt er iets bijzonders, iets wat we uit ervaring kennen. Als ik geraakt word door een ander en vanuit dit geraakt zijn handel, ervaar ik soms, dat een kracht in me aanwezig is die tot leven komt. Het doet me goed deze kracht te ervaren, het maakt me meer mens. In het evangelie gebeurt iets soortgelijks en tegelijk overstijgt het onze ervaringen. De hemel gaat open, de Geest van God daalt neer op Jezus. Deze Geest verbindt Jezus met God. De kracht die in hem werkt en het hem mogelijk maakt de verantwoordelijkheid voor zijn taak hier op deze wereld te dragen komt van God zelf, is God zelf. En dan horen we de bevestiging: "Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde."
Waar hebben we dat eerder gehoord? Bij Jesaja, in de eerste lezing: "Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld." Matteüs verbindt de Messias als Zoon van God met de Messias als knecht des Heren, die het geknakte riet niet zal breken, de kwijnende vlam niet zal doven, in dienst staat van Gods verbond met de mensen. Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen.
Dit recht, dat we terughoren in het woord gerechtigheid is een relationeel begrip; het veronderstelt een persoonlijke relatie. De persoonlijke relatie die Jezus en Johannes hebben met God laat zich niet vastleggen in wetten en fatsoensregels. Steeds weer dient zich de vraag aan: wie ben jij God, en wat wil je, verwacht je van mij? En steeds weer speelt de vraag: wie ben ik zelf, wat beteken ik en kan ik betekenen. De persoonlijke relatie met God nodigt uit, dwingt je bijna, om zelf persoonlijk om te gaan met de mensen om je heen, allen een geschenk van God.
De persoonlijk relatie met God geeft ieder van ons een geweldige vrijheid. In deze vrijheid leven is zwaar, hoor ik jongeren in Onder de Pannen verwoorden: het geeft je en spreekt je aan op je verantwoordelijkheid als mens. Jezus ontdekte deze vrijheid en verantwoordelijkheid in de context van Israël, het Joodse volk, waartoe Jezus van harte behoorde. De gerechtigheid en het koninkrijk van God beperken zich echter niet tot dit volk, zoals het persoonlijk omgaan met elkaar zich niet beperkt tot dit klooster. God overstijgt dit klooster, overstijgt het Joodse volk; God heeft een boodschap aan ieder mens, met name de vreemdeling, de blinde, de gevangene of de depressieve mens.
Dat is het onverwachte van het evangelie vandaag, dat is de gerechtigheid die Jezus in praktijk bracht. Hij leefde zo, dat anderen er beter, meer mens van werden. Tot dit leven worden wij als zijn volgelingen uitgedaagd. Probeer het, en schrik niet als de hemel zich opeens opent; God houdt immers van mensen en zal zich laten zien en ons bijstaan in onze menswording.

    Bruikoft van Kana: Jesaja 62,1-5; Johannes 2,1-11 20 januari 2008, Henk Jongerius OP  


Bruiloft van KanaOp de keper beschouwd klopt er van het hele verhaal helemaal niets: 'op de derde dag' lezen wij dat er een bruiloft was, maar als je let op het voorafgaande klopt te telling van de dagen niet. En die bruiloft is ook een merkwaardige gebeurtenis, want wij horen helemaal niet wie er met elkaar in het huwelijksbootje stappen en waarom Jezus en zijn leerlingen daar genodigd zijn. De moeder van Jezus is er al...
En dan het vreemde gegeven dat er geen wijn is: op elke behoorlijke bruiloft, zeker in het oosten, is er altijd een behoorlijke hoeveelheid aanwezig om het de gasten naar hun zin te maken, maar niets daarvan. Een vreemde bruiloft, zou je zeggen en dat is ook zo.
Om het verhaal goed tot ons te laten doordringen zouden wij op de eerste plaats onze oren goed open moeten zetten als er sprake is van 'de derde dag'. In de verhalen in de Bijbel komt die uitdrukking op verschillende plaatsen voor en vormt dan de inleiding op een bijzondere gebeurtenis. Daarom lezen wij ook dat 'het geschiedde..' De derde dag is die waarop duidelijk wordt dat de Eeuwige erin zal voorzien als Abraham zijn zoon Izaak ten offer gaat brengen en het is op de derde dag dat Jezus 'uit de doden zal worden opgewekt'. Kortom: in dit verhaal horen wij hoe God met mensen wil omgaan.
Dat kunnen wij het beste omschrijven met een al evenzeer diep in de Schriften verankerd beeld, waarover wij de profeet Jesaja hoorden zingen: De Eeuwige laat mensen niet aan hun lot over, maar wil met hen verbonden zijn, zoals een bruidegom


en een bruid met elkaar verbonden zijn. Van dieverbondenheid en vrolijkheid is de wijn het teken. Daarom lezen wij dat in het einde der tijden er een feestmaal zal zijn met geurige wijnen en overvloedig eten!
Maar er is geen wijn, er staan alleen zes kruiken water en het getal zes tekent de onafheid. Om de vervulling te brengen zegt de moeder van Jezus dat er geen wijn is en Jezus spreekt een woord waardoor het feest dat in het water dreigde te vallen toch door kan gaan.
'Doe maar wat hij jullie zeggen zal': alleen als wij de woorden van Wet en Profeten waar tot ons laten doordringen en bereid zijn om die metterdaad te volbrengen zal het ervan komen dat wereld, samenleving en kerkgemeenschap die verwaterd zijn en een slechte afspiegeling vormen van waar zij toe bedoeld zijn, weer nieuw zal worden!
De vrouw staat er als beeld van de Thora, de goede woorden van Mozes die richting geven aan ons horen en doen. Maar het komt erop aan dat wij haar als 'moeder' begroeten en naar haar luisteren, zoals Jezus dat doet! Zij is er aanwezig, hoorden wij! Ons is in het woord van de Bijbel een goede boodschap geschonken van een God die op zoek is naar mensen en onder ons wil wonen. Willen wij naar die stem luisteren en doen wat zij zegt? En wat doet onze moeder de heilige kerk?
De Levende verschijnt onder ons in de woorden en tekenen van hem die ons opricht uit onvruchtbaarheid en weer mensen maakt. Dan is de Wet vervuld en geworden tot wat zij wil zijn: wijn die het hart verheugd en gemeenschap sticht onder mensen. Laten ook wij 'doen wat hij ons zeggen zal' en wij zullen de vreugde van het leven proeven als wijn!