|
1ste zondag van de
advent:
1ste lezing: Jeremia 33,14-16
2de lezing: Lucas 21,25-36
Wij allen zijn sluimerende Godskinderen. Sommige van
ons zeggen dat ze niet of niet meer in God geloven, maar ze zeggen dat
op grond van een bepaald godsbeeld waartegen zij zich afzetten. Anderen
zijn verslaafd aan één bepaald godsbeeld, waardoor ieder
ander mens, die een andere voorstelling van God heeft, een ongelovige
is en eigenlijk moet worden gedood. Daartussen in heb je een zeer grote
groep van wat je kunt noemen de zwevende kiezers. Hun godsbeeld verandert
op bepaalde tijden, of ze zwerven van het ene godsbeeld naar het andere,
of ze zeggen dat ze met hun tijd meegroeien en hun godsbeeld steeds opnieuw
aanpassen. Dat zwerven en steeds weer kiezen hoort bij ons leven en is
daarom herkenbaar en vertrouwd. Het kan zelfs een uiting van oprecht geloven
zijn. Het blijvend vasthouden aan één enkel godsbeeld is
gevaarlijk. In een cyclus van opvallende verhalen waarschuwt de bijbel
ons daarvoor: het loopt uit op de eredienst aan het gouden kalf.
We zijn sluimerende Godskinderen. Het beeld en gelijkenis zijn van God
is met ons bestaan verweven, of we dat nu erkennen of afwijzen. Wil dit,
wat ingeboren is, tot bloei komen, dan moet het worden gevoed. Je kunt
ook zeggen, dat we allen geroepen worden, maar dat we moeten leren te
luisteren naar de stem, die ons roept. Omdat we sluimerende Godskinderen
zijn staat de Bijbel vol verhalen en oproepen om waakzaam te zijn. Die
verhalen zijn vaak de woorden van profeten, die ons waarschuwen niet te
verslappen en ons aansporen dat horen naar Gods stem te cultiveren, ons
daarin te oefenen en te verdiepen. Maar vaak wordt deze waakzaamheid verpakt
in gelijkenissen, waarin naast de aansporing waakzaam en oplettend te
leven ook de keerzijde wordt aangewezen als we dat niet doen: namelijk
de ontsporing van een samenleving, die in een complete chaos verandert
en zichzelf verslindt.
Vanaf het begin van de kerk heeft de gewoonte bestaan om bij grote feesten
als b.v. Kerstmis en Pasen te beginnen met een nachtwake, de zo geheten
vigilie. En zoals we weten hebben juist deze twee feesten ook een tijd
van wekenlange voorbereiding: de advent en de lijdenstijd. Als de Joden
sabbat vieren beginnen ze op vrijdagavond als het donker is geworden.
Je gaat immers van het donker naar het licht, van de nacht van deze wereld
naar de dag van God. En het komen van die dag is een kwetsbare en delicate
zaak. Het vraagt behoedzaamheid, aandacht, goede wil. Dus nemen we er
de tijd voor. Soms één nacht. Soms een aantal weken. Maar
altijd een mensenleeftijd lang. Sluimerende Godskinderen. Daarom hebben
we deze morgen één kaars ontstoken in het duister van onze
wereld. Iedere zondag neemt dat licht toe en wordt de spanning verhoogd.
Zullen we horen? Zullen we zien? Zal nu eindelijk het licht blijvend doorbreken?
Wie zegt dat het wel bij hetzelfde zal blijven, lijdt aan een klein geloof.
Wie zegt dat het misschien nú wél zal gebeuren heeft een
groot vertrouwen.
We moeten ons niet verbazen wanneer de mensen de moed
in de schoenen zinkt. Verhalen over oorlogsdreiging, afgebroken wapenoverleg,
volkeren die verwikkeld zijn in broederstrijd, aardbevingen, hongersnood,
mensen zonder woonplaats, werk en toekomst, zure regen en een smeltende
ijskap veroorzaken onrust, gevoelens van machteloosheid, maar ook onverschilligheid:
het zal mijn tijd wel uitdienen! Daar komt nog bij dat met 'het einde
van de wereld' niet iedereen hetzelfde bedoelt te zeggen. Ieder heeft
daar zo zijn pessimistische of optimistische dromen over. Voor ons, die
vertrouwen op Gods Woord, of minstens dat proberen te doen, komt er nog
iets bij, dat ik zou willen noemen het spanningsveld van het realisme
van de dagelijkse ervaringen én de verwachting van het koninkrijk
van God: Gods heerschappij, zichtbaar geworden onder de mensen. Want op
ons drukt de verantwoordelijkheid, dat we ons van Godswege
|
geroepen weten de chaos van onze samenleving niet als
een voldongen feit te aanvaarden. Het gaat om schepping, ordening en plaatsbepaling.
Daartoe zijn we uitverkoren. We zijn vissers, die het net moeten uitwerpen
en de volkeren aan land slepen. We zijn als dienaren of dienaressen van
de Levende, die het
licht van de Weg willen doen schijnen over onze wereld. We willen dat
doen door niet te schreeuwen, de walmende vlaspit niet te doven en het
geknakte riet niet te breken. We willen dus de boodschap van bevrijding
verkondigen en beleven zonder gewelddadig te worden.
Het einde der tijden, zoals we dat zeer menselijk noemen,
wordt beschreven in hevig schokkende natuurbeelden. Maar dan moeten wel
behoedzaam zijn. De bijbel is niet alleen geen geschiedenisboek, het is
ook geen wetenschappelijk document over het ontstaan en dus ook weer verdwijnen
van de aarde als een zwevende planeet in de kosmos. De Bijbel spreekt
alleen over het wel en wee van mensen en de zorg van God, dat zij hun
bestemming bereiken. De Bijbel tracht de geschiedenis te verstaan en toegankelijk
te maken als een geschiedenis van God én mensen. Geschiedenis is
ook heilsgeschiedenis. Ons wel en wee zijn aan de orde, niets meer of
minder. Alle natuurbeelden verwijzen naar menselijke situaties in hun
onderlinge verhoudingen, hun gemeenzaamheid én eenzaamheid. Het
einde der tijden betekent het einde van de geschiedenis zonder dat deze
een heilsgeschiedenis is. Anders gezegd: alleen de heilsgeschiedenis blijft
over. Dat noemen we het rijk van God. Dat is de bestemming van hemel en
aarde. Dat verhaal gaat eigenlijk ons begrip te boven. Daarom vat Jezus
dat alles samen in een gelijkenis.
De voltooiing van hemel en aarde, de alom erkende heerschappij van de
Levende en de afrekening met de onmenselijkheid worden samengebracht in
de wederkomst van de mensenzoon, beeld en gelijkenis van Gods menslievendheid.
Daaraan moet het nodige voorafgaan. Dat is de lange weg van de menswording
van de mens. De lange vigilie. De lange nachtwake van de mensengeschiedenis.
Die weg vergelijkt Jezus met het langzaam groeien en uitbotten van de
vijgenboom.
Ieder van ons is vertrouwd met tekenen, die vertellen van tijden en seizoenen.
Als de bladeren van kleur verschieten komt de herfst dichterbij en als
ze vallen is de winter in aantocht. Als het nieuwe groen nog verborgen
zit in de voller rakende knoppen weten we dat de lente nadert. Het hoogtepunt
is de zomer als alles is ontloken en in volle pracht de harten van de
mensen verwarmt. We leven ermee, óók als we er weinig of
geen acht op slaan.
Maar de vijgenboom is ook het bijbelse beeld van een geleefde tora. Hij
verhaalt van het horen naar de stem van de Levende en het in praktijk
brengen daarvan. Het horen naar de tora wordt pas zinvol als het vruchten
draagt. Daarvan was Zacheus getuige toen Jezus hem uit de vijgenboom plukte,
en de kleine mens verklaarde hoe hij zijn leven ging rechtzetten (Luc.19,8)
Als de knoppen van de vijgenboom op knappen staan nadert hij zijn voltooiing:
de tora gaat vruchten dragen. Mensen, die de tora aanhouden als een richting
gevende kaart voor hun levensontplooiing, komen tot rijpheid. De tora
wordt tot een moeder van vele kinderen, die gewekt worden uit hun sluimeren
en verspreid over de akker van de wereld om het aanschijn van de aarde
te vernieuwen.
Zij, die zich inzetten voor de beroofde en gestolen medemens, zijn als
ontwakende Godskinderen. Zij gedragen zich naar het beeld en de gelijkenis
van de Levende. Ze zijn als een gelijkenis, want ze vertellen van het
koninkrijk Gods, dat aanstaande is. Het koninkrijk der hemelen is als
een mens die zijn leven maakt tot een dienstwerk aan hen, die gebogen
gaan onder de harde dienst van uitbuiters en bedriegers. In dit werk bevrijden
zij anderen en zichzelf. In de profetie van Jezus worden ze met een zekere
trots aangesproken: 'dan zullen ze de mensenzoon met veel macht en glorie
zien komen op een wolk. Als dat staat te geschieden, als de geschiedenis
van de mens verandert in de heilsgeschiedenis van God: sta dán
op, recht en fier, want jouw verlossing is nabij!'
2006-12-03, Ernst marijnissen o.p.
|
|
2de zondag van de advent:
1ste lezing: Baruch 5,1-9
2de lezing: Lucas 3,1-6
Wanneer je aandachtig luistert naar de ouverture van
een opera dan hoor je in kleine muzikale motieven bepaalde aria's die
naderhand zullen klinken. Zo'n ouverture maakt je al nieuwsgierig of,
wanneer je de opera beter kent, roept al gelijk herkenning op!
Zo is het ook met wat wij vandaag in het Lucasevangelie horen: door bepaalde
namen te noemen wordt de tijd waarin Jezus geboren wordt heel concreet,
maar dat is het niet alleen. Je moet goed letten op welke en wat voor
een soort mensen er genoemd worden om die tijd aan te duiden. De romeinse
keizer wordt genoemd en zijn landvoogd in Judea Pontius Pilatus, Herodes
en zijn broer Filippus en tenslotte de religieuze overheid in de persoon
van Annas en Kajafas.
Het zijn die machthebbers, de groten der aarde die in hun famielie de
functies verdeeld hebben en die een kwalijke rol zullen spelen in het
leven van Jezus. Herodus wordt 'een vos' genoemd, Pilatus is een gewetenloze
hielenlikker van de keizer en de hogepriesters zijn de mensen die zogenaamd
op Gods gezag Jezus uit de weg ruimen.
In die wereld van vriendjes- en machtspolitiek, die verrassend veel lijkt
op de wereld waarin wij leven, klinkt in een uithoek, in de woestijn een
stem waarin wij de woorden herkennen van de profeet Jesaja: 'keer je om
en schep rechte verhoudingen'.
Die stem is een andere dan die van de machthebbers die hun wil opleggen
aan anderen en een wereld zoeken waarin zij het voor het zeggen hebben.
Dit is een
|
stille, weerloze maar indringende stem, het is de stem
die van meet af aan en tot op vandaag in onze wereld klinkt en die roept
'mens, waar ben je, waar is je zuster, waar is je broeder?'
Door ernaar te luisteren worden wij bepaald bij waar het nu werkelijk
in onze wereld om draait: om het recht van de sterksten of om het kwetsbare
gezicht van de mens naast je? Evenals Baruch het volk in de tijd van de
ballingschap moed insprak en de hoop deed herleven op een andere wereld,
worden ook wij geroepen om niet mee te heulen met de waan van de dag en
het verlangen naar macht, maar ons te bekleden met 'vrede door gerechtigheid'
en 'glorie door vroomheid'. Wij worden geroepen om weer vroom te worden,
in de juiste vorm te steken en te leven in het besef van een God die 'genade'
is, zoals de naam van Johannes betekent. Waar wij met elkaar gaan leven
in de aanwezigheid van een God die ruimte maakt voor mensen en zijn zon
laat schijnen over mensen opdat zij elkaar zien en beminnen worden, wij
opnieuw geboren tot mensen zoals God die voor ogen staan, mensen die lijken
op de zoon van Maria waarvan wij de geboorte verwachten.
In het perspectief van die verwachting heb ik veertig jaar mogen vieren
en verkondigen. Ik heb dat woord elke dag als nieuw mogen beluisteren
en verder vertellen en er is nog niets van die vreugde verdwenen, integendeel
zij is gegroeid en heeft mij gemaakt tot een gelukkig mens die naar een
woord van Eckhart kan zeggen: 'mijn ziel is jong in mij als op de dag
dat ik geboren ben'. Daarvoor dank ik mijn ouders die mij in vroomheid
zijn voorgegaan en allen die mij bevestigd hebben in de weg die ik in
goede en slechte dagen ben gegaan. Moge het ons allen gegeven worden elke
dag opnieuw gevoelig te zijn voor het roepen van een God die ons zoekt
en vraagt om deze lieve aarde bewoonbaar te maken voor velen. Dat is de
weg naar vrede!
Henk Jongerius, 10-12-2006
|
|
3de zondag van de advent:
1ste lezing: Sefanja 3,14-18a
2de lezing: Lucas 3,10-18
De vraag die de mensen aan Johannes stelden: 'Wat moeten
we doen?' komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er gaat wat aan vooraf.
De mensen waren massaal uitgelopen om zich door hem te laten dopen. Maar
hij sprak ze toe met "Adderengebroed, wat verbeelden jullie je wel.
Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het oordeel?. Johannes
joeg de mensen met zijn woorden schrik aan en angst. Angst, vrees voor
het oordeel doet de mensen vragen: Wat moeten we doen?
Althans, dat is de indruk, die je wel krijgen moet bij zulke harde woorden.
Vrees kan een motief zijn om te doen wat je gevraagd wordt te doen. Vrees
voor het oordeel, vrees voor straf, vrees voor vernedering, vrees om afgewezen
te worden, uitgelachen te worden of gepest. Maar wie doet wat geboden
wordt, vanuit het motief van de vrees of nalaat wat verboden is, beleeft
aan zijn doen en laten geen vreugde. Het doen en laten wordt eerder als
een moeilijke opgave ervaren, als een moeten, als een plicht waaronder
je gebukt kunt gaan. Een leven, dat beheerst wordt door angst om wat voor
reden dan ook, is een leven zonder glans, zonder kleur en geur en warmte.
Ik kan me moeilijk voorstellen, dat Johannes het daarom te doen is: mensen
schrik aan jagen, moed ontnemen en hoop op toekomst.
Nogmaals, de mensen kwamen in drommen naar hem toe voor de doop. Voor
de doop van bekering want hij riep met zijn woorden iets anders op: Verwachting
van de komende Messias als hij luide in de woestijn roept: "Maak
de weg van de Heer gereed, maar recht zijn paden: en al wat leeft zal
zien hoe God redding brengt." Verwachting. Mensen gingen gebukt onder
armoede en honger, werden beroofd door tollenaars die meer vroegen dan
voor hen was vastgesteld. Ze werden uitgeplunderd en afgeperst door de
Romeinse bezetters. Ze snakten naar redding en zagen uit naar iemand,
die redding brengen kan. Zij herkenden die iemand in Johannes de Doper,
die hen herinnerde aan de beloften van God bij monde van zoveel profeten.
Johannes wekte hoop in hun harten, raakte hen tot in hun ziel. Hij was
zo overtuigend dat zij meenden in hem de Messias te zien. Zij vonden bemoediging
in zijn woorden en wilden weten wat zij konden doen, niet uit vrees, maar
hoe zij eraan kunnen bijdragen,
|
dat er redding komt. In het licht van die hoop en verwachting
moeten wij zijn woorden verstaan. In het licht van die hoop en verwachting
wordt het doen wat je gevraagd wordt een echt verlangen, een zingeving
van je leven, bron van vreugde. Het doen en laten is dan geen zware opgave
maar een bron van inspiratie, geen drukkende last maar een heilzame opdracht
en een zegen, geen angstig handelen, maar een weg naar geluk, leven en
warmte.
In de tijd van Johannes de Doper leefden de mensen in de verwachting van
de komende Messias, die het volk zal bevrijden van de onderdrukker. Ook
wij leven in de verwachting, zo mag ik hopen, van het Komend Godsrijk
van het Rijk van vrede, een Rijk waarin mensen recht wordt gedaan, een
Rijk, waarin de wapens zijn omgesmeed tot tekens van vrede. In de kern
komt het toch weer neer dat wij wachten op de Messias, Hij die alles in
allen zal zijn, Goddelijke Held, Eeuwige Vader, Vredevorst. Vanuit die
verwachting stellen wij ook dezelfde vragen als indertijd. Wat moeten
we doen? Ook wij snakken naar dat beloftevolle Rijk. Ook voor ons zijn
de woorden van Johannes de Doper actueel: Deel van wat je hebt opdat geen
mens omkomt van honger en kou. Doe wat je kunt om dat onmenselijke leed
en verdriet te lenigen. Zoek geen rijkdom ten koste van anderen, ten koste
van de gemeenschap. Stop met dat méér, reken wat rechtvaardig
is. Laat dat genoeg zijn. Zet niemand onder druk, geef ieder ruimte om
te leven in vrijheid. misbruik de kwetsbaarheid van mensen niet ten eigen
bate. Op de keper beschouwd zijn het heel milde vermaningen, geen extreme
eisen. Het ligt eigenlijk allemaal zo voor de hand. Deze vermaningen krijgen
een krachtig impuls als we ze kunnen beleven vanuit de verwachting dat
bevrijding en redding komt van de Heer. Om het met de woorden van Sefanja
te zeggen, die we eerder hoorden: "Vrees niet, Sion, en laat uw handen
niet verslappen. De Heer, uw God, is bij u als een reddende held. Uitermate
verheugt Hij zich om u, door zijn liefde maakt Hij u nieuw." Dat
ons geloof ons zoveel geluk, kracht en hoop en moed geven kan, ja zelfs
van tijd tot tijd, diepe vreugde en een gevoel van grote dankbaarheid
komt, omdat wij leven mogen met de grootse verwachting, dat God ons een
andere wereld en een ander leven voorhoudt dan de huidige; dat we met
een Geest gedoopt zijn, die ons staande en vurig houdt. en ons over dode
momenten heentrekt, die we meer dan eens ook kennen. Wat moeten we doen?
Doe het, niet uit vrees maar uit de verwachting: God is nabij. Hij is
uw sterkte, verleent u kracht, is uw helper en redder. Amen.
Paul Minke, 17-12-2006
|
|
|
4de zondag van
de advent
viering van vergeving
Ontmoetingen. Wie kan er zonder? Onze grootste angst
is misschien wel een leven waarin we geen mensen meer ontmoeten. We leven
pas als mensen doordat wij andere mensen ontmoeten - velen zullen ook
zeggen: omdat we God ontmoeten, in elk geval openstaan voor de ontmoeting
met God. Elkaar ontmoeten is van levensbelang. En tegelijk weten we: er
zit altijd en risico aan een ontmoeting. De ander kan ons onderuit halen,
ons bedriegen, van ons stelen, ja, zelfs ons leven bedreigen en afnemen.
En wijzelf kunnen de ander schade berokkenen, willen hebben wat de ander
heeft of wil hebben, en we kunnen tot het uiterste gaan om ons doel te
bereiken. We kunnen ons voor de ander afsluiten en elke echte ontmoeting
weigeren.
In het evangelie gaat het over een ontmoeting van twee vrouwen. Ze worden
ons voorgesteld als verwanten, en dat betekent in de bijbel dat ze een
soort zussen voor elkaar zijn. Als er in het OT gesproken wordt over twee
zussen of twee broers, is er bijna altijd een conflict. Want juist met
de mensen met wie je belangen deelt, het leven deelt, heb je de meeste
conflicten. Zo lezen we het verhaal van de broers Esau en Jacob die al
in de moederschoot vechten om de eerste plaats. En we vinden verhalen
over Sara en Hagar en Rachel en Lea.
In de lezing van vandaag gaat het over twee vrouwen die elkaar aanvaarden,
doordat met name de oudste wijkt voor de jongste. Twee vrouwen, verwanten,
de een oud, de ander jong, beiden in verwachting, en dragers van een profeet
en van iemand meer dan een profeet. Maar in plaats van elkaar te beconcurreren,
looft de sterkere, de oudste, de jongste; zij biedt de jongere de ruimte;
het oudste kind verheugt zich over de jongere, prijst Elizabet Maria om
haar geloof.
Ruim baan geven aan de ander, daarin schieten we tekort. In elke ontmoeting
nemen
|
we onszelf mee. En daarbij zie ik drie lagen in onszelf. Er is allereerst
de bovenlaag, het feitelijk en bewust de ander adem en ruimte ontnemen.
We doen de ander kwaad, laten hem, haar vallen, we sluiten ons af, en
ook voor God sluiten we ons af. En het beste en ook nodige is dat we dan
een nieuwe ontmoeting hebben en onze excuses maken en ons met elkaar verzoenen
en elkaar vergeven, de schuld kwijtschelden. Soms blijkt dat niet mogelijk
te zijn. De ander of wijzelf blijven onbenaderbaar. Dan rest ons slechts
het gebed om verandering.
Er is nog een tweede laag. Zoals bij sommige wijnen zich om de ziel van
de fles droesem verzamelt, zo kan ook onze ziel omgeven zijn door het
zwarte. Afgunst, jaloezie zijn daar te vinden, achterdocht zodat elke
vraag van een ander als een aanval wordt ervaren. Angst, gevoelens van
minderwaardigheid of juist van trots: ik ben beter dan de anderen. Of
fantasieën waarin we anderen gebruiken. Deze zwarte gevoelens beïnvloeden
ons leven voortdurend, vaak zonder dat we het merken. Wat we hier nodig
hebben is vooral heling, genezing van ons binnenste.
Een derde laag die ons beïnvloedt bij een ontmoeting is de samenleving
waarin we leven. De wijze waarop we met de dingen en met de natuur omgaan,
is niet op het welzijn van de kleinen en geringe gericht. Ook dat nemen
we mee in onze ontmoetingen. We hebben mogelijk slechts weinig persoonlijke
schuld in deze dingen, we voelen ons machteloos iets te veranderen. We
moeten op een nieuwe weg gezet worden, de weg van Jezus Messias.
De ontmoeting van Elizabet en Maria laat zien dat het mogelijk is elkaar
in vrede te ontmoeten. Het verhaal is geschreven vanuit het besef, dat
God onze vrede zoekt, vergeeft en tot vergeving en heling inspireert.
Uiteindelijk staat niet ons kwaad, het zwarte in onszelf, ons maatschappelijk
tekort in het midden, maar God die hoopt dat wij in vrede leven met elkaar
en met God.
Ik nodig U uit tot een ontmoeting waarin u de handen worden opgelegd en
over u gebeden wordt om bevrijding, heling en het volgen van de weg van
de Messias.
24 december 2006, André Lascaris
|
|
|
Kerstnacht
1ste lezing: Jesaja 9,1-6
2de lezing: Lucas 2,1-14
Iedereen hoort graag goed nieuws. Dan toch een vraag: Vervult de blijde
boodschap van Jezus Christus ons nog steeds met grote vreugde? Paulus
schreef, dat de stem van de verkondigers heeft weerklonken tot aan de
uiteinden der aarde. Hoe hard klinkt onze stem hierbij mee? Spreken we
over ons geloof waar anderen het kunnen horen? Of zwijgen we? Mozes vertelde
dat we er met anderen telkens opnieuw over moeten spreken, wanneer we
thuis zijn of onderweg, als we slapen gaan en opstaan. En voordat Jezus
van ons wegging, herhaalde hij dat: 'Gaat en onderwijst'.
We worden uitgenodigd te spreken, zonder ophouden en
tot iedereen. En wat doen wij? Praten we genoeg over God en zijn Zoon.
Waar is die nauwelijks te bedwingen drang tot spreken van de leerlingen
op de Pinksterdag? Petrus verhief toen zijn stem. Toen rechters enige
tijd later Petrus en Johannes verboden nog over Jezus tot de mensen te
spreken, antwoordden ze: 'Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over
wat wij gezien en gehoord hebben'.
Waar zit in ons nu die drang om naar buiten te treden en aan anderen te
vertellen wat ons beroert? Hebben we de deuren van de bovenzaal weer dicht
gedaan. Zijn wij opnieuw aanbeland in die tijd tussen Pasen en Pinksteren?
Het zijn wel aparte vragen voor een Kerstnacht.
De apostelen wisten tussen Pasen en Pinksteren niet, wat ze moesten doen.
Weten wij dat wel? Hoe kunnen we als hedendaagse mensen met een luisterend
oor voor de Schrift geloofsverkondigers blijven of weer worden. God spreekt
steeds weer opnieuw tot mensen en spreekt zijn liefde voor ons uit.
Natuurlijk is het niet alleen vandaag Kerstmis. Het is geen loshangend
feest tegen het einde van het jaar. Kerstmis is geen einde: het is een
begin. Het is het begin van een tocht door het leven van Jezus, zijn lijden,
dood en verrijzenis. We bevestigen vandaag niet alleen ons geloof in de
menswording van God en zijn verblijf onder ons. Kerstmis begint met ons
een vraag te stellen: Willen we ons leven maken naar het voorbeeld van
Jezus en ons geloof bevestigen in een nieuw leven, dat hij voor ons mogelijk
maakt door zijn kruis en verrijzenis?
Vrede gebeurt of moet gebeuren op een heel concrete manier: we moeten
elkaar vergeven. Regeerders moeten gaan praten en niet de confrontatie
zoeken met buurlanden. Families en groepen moeten de wonden van de geschiedenis
naast zich neer leggen. Als profeten praten over een koninkrijk van vrede,
Gods verlossing, dan spreken ze uit dat ze hopen op een Messias die een
nieuwe en vredige tijd zal beginnen. De eerste christenen zagen in Jezus
de vervulling van hun hoop. Hij was
|
van Bethlehem, waar David de herderskoning geboren was en ze hoopten dat
Jezus net zoals David voor zijn kudde zou zorgen. Laten we eerlijk zijn:
wie is in staat om te zorgen voor vrede in de wereld? God heeft een weg
gekozen om tot vrede te komen-niet door machtige steden en wereldlijke
kracht maar door Bethlehem. God koos iets kleins om de wereld te verrassen
en ons uit te dagen op een manier, die verschilt van wat we normaal denken
en zo te handelen om dingen gedaan te krijgen. Grote en machtige dingen
zijn soms goed om iets tot stand te brengen, maar profeten hebben steeds
weer aan gegeven, dat we ergens anders moeten zoeken. Vrede komt door
kleine en onbelangrijke dingen. Echte vrede moeten we waar maken in ons
dagelijks leven, in ons doen en laten van elke dag. "Moge er vrede
op aarde komen en laat die dan beginnen met mij." Stel je voor dat
het lukt om kwaad niet met kwaad te beantwoorden. Om geen harde woorden
te spreken tegen kinderen of ondergeschikten. Om thuis niet te schelden.
Om niet ons gelijk halen omdat we sterker zijn. Om te proberen te praten
met anderen, en dat is iets anders dan discussiëren.
Misschien mag je dat het principe van Bethlehem noemen. God wil vrede
brengen op aarde door mensen zoals wij. Dat gebeurt soms op momenten en
plaatsen, die belangrijk blijken te zijn in ons leven.
Jezus werd mens zoals wij en werd elke dag weer uitgedaagd om te kiezen
om zijn wil te verwerkelijken. Hij is onze vrede. Hij leefde op een andere
manier en zo toonde hij ons dat ook vrede vlees en bloed kan worden in
ieder van ons door de gave van de Geest van God. Die weg van Jezus is
precies de weg van God. Dat is wat God bedoelde toen hij ons schiep naar
zijn beeld en gelijkenis. Door de kracht van de Geest zijn we in staat
om de vrede van Jezus werkelijkheid te maken in ons leven.
Johannes de Doper en Jezus hadden goede opvoeders in hun moeders. Van
hen leerden ze om op God te vertrouwen zelfs toen machtige mensen hen
in de steek lieten en de rug toekeerden. God beloofde en hij maakte het
waar.
Wij voelen ons misschien soms net zo zwak als Maria en Elizabeth, als
Johannes de Doper en Jezus. We doen ons dagelijks werk en het schijnt
soms zo onbelangrijk. Gewone mensen blijven ons verrassen, want door ons,
gewone mensen, komt er nieuw leven en krijgen we de zekerheid, dat God
ons niet verlaten heeft. We moeten alleen op de goede plaats gaan zoeken
en dan vinden we dat de belofte van God werkelijkheid wordt.
De tijd van vervulling komt er aan. Het is niet over als 25 december voorbij
is. Net zoals God genade gaf aan Elizabeth en Maria, zo krijgen wij genade,
als wij geloven, dat wat de Heer ons gezegd heeft werkelijkheid wordt.
Laten wij elkaar prijzen, omdat we geloven dat wij een beeld van God zijn.
Dan mogen wij net als Maria Ja zeggen en vertrouwen op wat God met ons
voor heeft.
Antoon L. Boks o.p., 24-12-2006
|
|
|
Eerste Kerstdag
1ste lezing: Jesaja 52,7-10
2de lezing: Johannes 1,1-18
De wijze waarop Johannes zijn evangelie begint is opvallend. De eerste
woorden doen denken aan de woorden waarmee de bijbel begint: in het begin
schiep God de hemel en de aarde. Deze zin en wat er op volgt, het scheppingsverhaal,
leidde en leidt tot discussies hoe alles is ontstaan. Interessant wellicht,
maar voor mensen hier en nu niet van levensbelang. De eerste en fundamentele
behoefte van mensen, of zij nu jong zijn of oud, is immers om opgemerkt
en bemind te worden. Aan deze behoefte aan en vraag om liefde heeft Johannes
een boodschap. Omdat ook wij niet zonder liefde kunnen blijft Johannes'
boodschap ons boeien. Enige toelichting is slechts nodig, want Johannes
schreef in een totaal andere tijd en wereld.
Zijn boodschap vat Johannes samen in de woorden die we zojuist hoorden.
Aan de oorsprong van ons verlangen naar liefde staat volgens hem God of
het Woord. Het was er in het begin, en het is er nog steeds; het is niet
en zal niet in de chaos van het leven van alledag verloren gaan. Hoe weten
we dit? Liefde is niet zozeer een kwestie van weten, maar van aan den
lijve ervaren. Johannes de Doper getuigde ervan, en dat deed hij al door
zijn naam; Johannes betekent namelijk: Gods genegenheid.
Het Woord, God zelf, was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan
en toch kende de wereld hem niet, hoorden we.Het woord 'kennen' betekent
hier veel meer dan de wijze waarop wij het meestal gebruiken. Kennen bij
Johannes is relationeel, betekent een band hebben met, liefde, en dat
is toch echt iets anders dan begrijpen, vat krijgen op iets of iemand.
Het Woord werd niet ontvangen, een andere uitdrukking voor niet gekend
zijn. Wie dat wel deden en in zijn naam geloven, werden kinderen van God.
Wat dit wil zeggen wordt ons duidelijk via Mozes. Aan Mozes maakte God
zich destijds bekend onder de naam: IK ZAL ER ZIJN. Wie vertrouwt, dat
God er voor je is, want dat betekent 'in zijn naam geloven', wordt opnieuw
geboren, nu als kind van God. Hoe gebeurt dit dan?
We hoorden, dat het Woord mens is geworden en bij ons heeft gewoond, en
vol van goedheid is en waarheid of beter gezegd: volledig betrouwbaar.
Mozes gaf ons de wet. Dankzij hem weten we in welke richting we God moeten
zoeken. Maar Mozes heeft God nooit gezien. Voor ons geldt hetzelfde; niemand
zal ooit God zien hier op aarde.
|
Dat maakt het zoeken naar God tot een welhaast hopeloze zaak; waarom zou
je iemand zoeken die zich niet laat vinden?
Toch zitten we hier; gedreven door wanhoop? Soms is wanhoop onze drijfveer
om naar deze plek te komen, maar er is meer. Studenten in Nijmegen, en
jongeren in Onder de Pannen, een groot deel van hen is niet gelovig opgevoed
of weet weinig van het christelijk geloof, hoor ik regelmatig zeggen:
er moet meer zijn. Ik kan, als ik dit hoor, het niet laten hen te prikkelen
met vragen als: van wie moet dit? Een direct antwoord krijg ik zelden;
de reactie is vaak een verhaal over wat ze hebben meegemaakt, een ervaring
die hen is overkomen in hun omgang met mensen.
Dat is, wat vandaag ook Johannes doet. Hij vertelt wat hem in zijn contact
met Jezus is overkomen: iets goeds en volstrekt betrouwbaars, dat een
einde heeft gemaakt aan zijn zoektocht naar God. God is in zijn Woord
naar ons toegekomen,
heeft een gezicht gekregen in een mens, die hem doet kennen. Weer dit
woord kennen dat, zoals eerder gezegd, bij Johannes liefhebben betekent.
Jezus doet ons God ervaren en liefhebben.
Ik kan me voorstellen, dat het jullie nu gaat duizelen, logisch, want
hiermee zet Johannes iets fundamenteels op zijn kop. Het is niet God die
door ons gevonden moet worden; wij zijn het die door God aangeraakt en
bemind worden. Laten we dit toe, m.a.w.: laten we ons vinden? Ja zeker;
ik hoor het terug in verhalen van jongeren, wanneer ze reageren op mijn
vraag: van wie moet dat meer er zijn?
Hebben zij dan God gezien? Nee, zij hebben zijn liefde ervaren in hun
omgang met mensen, liefde die je overkomt, niet te vatten, niet te begrijpen
is, maar aanvaard, aangenomen moet worden, en dan aanstekelijk werkt.
Wie accepteert dat hij gezien wordt, de moeite waard, gelieft is, verandert.
Een mens die geraakt is kan niet doen of hij er niet is, deze mens is
er, en zal in zijn aanwezig zijn op zijn beurt anderen raken. Velen mochten
dit ervaren in de directe omgang met Jezus. Zij werden van zoekers mensen
die gevonden zijn, kinderen van God.
Kerstmis is het feest van gevonden worden, van thuis komen in een wereld
die jou geen thuis kan bieden: hier ben ik. Kerstmis is het feest van
aanwezig zijn: IK ZAL ER ZIJN. God brengt zichzelf ter sprake in de wijze
waarop wij met elkaar omgaan. God ligt eraan ten grondslag en wordt in
onze wijze van omgaan met elkaar en met dit geheim telkens opnieuw geboren.
Daarmee is de duisternis niet overwonnen, maar in deze duisternis schijnt
het licht, vol verwachting dat het gezien wordt en dan ook ons kan aansteken.
Zalig Kerstfeest.
Theo Koster o.p. , 25-12-2006
|
|
|
Tweede Kerstdag
1ste lezing: Handelingen 6,8-10
+ 7,54-60
2de lezing: Matteus 10, 17-22
De keuze van de lezingen is op het eerste gezicht tamelijk
logisch. Stefanus sterft de marteldood omdat hij getuigenis aflegt van
zijn geloof in Jezus als de Messias van God. De tekst uit het evangelie
volgens Matteus verwijst ons naar het onderricht van deze Jezus Messias,
waar hij zijn leerlingen en allen, die hem als de gezalfde van God belijden,
wijst op het risico dat aan die belijdenis vastzit. Ze kunnen worden vervolgd,
voor rechtbanken gesleept, en ter dood gebracht worden. Maar dan moeten
we wel weten, dat ertussen het begin en het einde van de lezing uit de
Handelingen drie en vijftig verzen zijn overgeslagen. Waarom struikel
ik over de simplificatie van deze bijbeltekst, van dit getuigenis van
en over Stefanus?
Stefanus is diaken en een ijverig dienaar van de Heer. Hij zet zich in
voor de noden van zijn broeders en zusters, en zoals het zo dikwijls gaat
roept dat ergens wel jaloezie op. Maar ook zijn geloofsovertuiging speelt
een rol. Zijn tegenstanders zien de kans hem aan te klagen bij het kerkelijk
gezag, en als hij is voorgeleid vraagt de Hogepriester of de aanklacht
tegen hem juist is. De aanklacht zegt dat Stefanus de wet van Mozes ontkracht
en zich tegen de tempel keert. We zouden zeggen dat hij de leer en het
leergezag van de kerk geheel of gedeeltelijk verwerpt. Dan mag Stefanus
zich verdedigen en hij doet dat in een gloedvolle redevoering, waaruit
twee dingen duidelijk worden. Hij is een trouw aanhanger van Wet en Profeten
en juist op grond daarvan komt hij tot de overtuiging dat de Schriften
door Jezus Messias zijn vervuld. De woede van zijn tegenstanders bereikt
zijn hoogtepunt, als Stefanus juist op grond van Wet en Profeten aantoont,
dat niet hij maar juist zij ontrouw zijn aan Wet en profeten. Ze schreeuwen
en willen niet verder horen. Ze slepen hem naar buiten waar hij wordt
dood gestenigd.
Als je het hele verhaal van Stefanus hebt gehoord, wordt duidelijk wat
Jezus ons probeert duidelijk te maken. Pas op, zegt hij, als mensen je
voor het gerecht brengen
|
en laten geselen in hun kerken. Daarna zullen ze jullie overleveren aan
de wereldlijke macht. Zo is dat Jezus zelf ook overkomen. Zijn eigen broeders
hebben hem overgeleverd aan de Romeinen. Het verhaal van Stefanus onderstreept
de betekenis van Jezus' woorden. Het grootste gevaar, dat de leerlingen
van Jezus bedreigt, komt vanuit de eigen geloofsgemeenschap. Ik wijs daar
met nadruk op omdat wij in een tijd leven, dat vele geëngageerde
gelovigen hun getuigenis in woord en daad evenals Stefanus bekopen met
uitsluiting, beperkende maatregelen en ongegronde beschuldigingen. Uit
de kringen van de pastoraal werkenden, of ze dat nu beroepsmatig of op
basis van vrijwilligheid doen, stapelen negatieve ervaringen zich op.
Evenals de tegenstanders van Stefanus worden zij ervan beschuldigd zich
niet te houden aan leergezag en liturgische voorschriften. Ze zijn tegen
wet en tempel, zeggen kerkelijke leiders. Daarom vind ik, dat juist in
onze tijd, in onze kerk, en temidden van veel ontwikkelingen in onze samenleving,
deze grote redevoering van Stefanus - een prachtig staaltje van verkondiging
bovendien, want ze is uiterst bijbels - niet mag worden vergeten. Zeker
niet, als je Jezus' eigen getuigenis, zoals we in de evangelielezing hebben
gehoord, naast de geschiedenis van Stefanus legt. We leven in de tijd,
waarin we de menswording van God onder ons vieren met verhalen van vrede,
met het in herinnering roepen van vele bijbelse profetieën over wakker
worden, niet bang zijn en met het oog op de toekomst goede moed te hebben,
waarin we de kwetsbaarheid van de blijde boodschap uitstallen in het kind
in de kribbe. Stefanus was een diaken, een dienaar en wij gedenken hem
met groot respect. Daarom mogen we ons nooit neerleggen bij die kerkelijke
handelingen, waardoor oprechte dienaars en dienaressen, met veel toewijding
werkend, worden opgeofferd aan de stenen houding van sommige gezagsdragers.
Stefanus werd gestenigd, dat moeten we goed horen.
De vrede wordt aangezegd aan mensen, die van goede wil zijn. En als we
dat zijn moge Stefanus ons een bemoedigend voorbeeld zijn. Toen hij bezweek
onder de stenen last van zijn tegenstanders, heeft hij voor hen gebeden
en gezegd: Heer, reken hun deze zonde niet aan!
Ernst Marijnissen o.p., 26-12-2006
|
|
|
Feest van de H. Familie
Kolossenzen 3, 12-17
Lucas 2,42-52
kersttijd een ordelijk verhaal te horen over de geboorte
en de jeugd van Jezus, komt bedrogen uit. Terwijl de wijzen uit het oosten
nog moeten komen op 8 januari, horen wij vandaag al over de twaalfjarige
Jezus verteld dat hij naar de tempel ging om er 'zoon der wet' te worden.
Dit feest wordt tot op de dag van vandaag gevierd waarop Joodse jongens
van twaalf jaar voor het eerst mogen voorlezen uit de Wet van Mozes.
Wij moeten de zogenaamde 'kindsheidverhalen' van Lucas niet als een historisch
verslag lezen, maar als een soort verwonderde terugblik. Zeggen wij zelf
ook niet heel vaak van mensen dat wat er uit hen geworden is 'er al heel
vroeg inzat'. Wat was dat bij Jezus?
Dat hij een iemand was die verbleef in 'wat van de Vader was' en omdat
in een scherp contrast neer te zetten, schildert Lucas het gezin van Jozef
en Maria als een vroom joods gezin dat elk jaar zijn opgang maakte naar
Jeruzalem om het traditionele paasfeest te vieren!
Dit is waarschijnlijk de reden geweest voor de kerk om deze zondag te
maken tot het feest van de 'heilige familie', met alles wat daarbij gedacht
kan worden over gehoorzaamheid van kinderen aan ouders.
Maar Jezus is niet op de eerste plaats de zoon van Jozef en Maria, hij
is voor ons bovenal 'van God', de mens aan wie wij zouden kunnen zien
hoe het leven van mensen van God eruit ziet. Vandaar zijn zachte verwijt
aan zijn ouders waarom ze hem eigenlijk gezocht hebben: als hun zoon of
als de zoon van de wet?
|
Dat het om dat laatste gaat laat Lucas duidelijk zien als hij Jezus tekent
als een leermeester die tussen zijn gelijken zit, naar het luistert en
antwoord geeft. Zij staan verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden!
Wij horen niet welke vragen hij voorgelegd krijgt maar het moet beslist
gegaan zijn over het hart en de betekenis van de woorden van Mozes. In
de woorden van Paulus aan de kerk van Kolosse horen wij dat prachtig verwoord:
'kinderen van de Wet' zijn bekleed met een barmhartig innerlijk, goedertierenheid,
nederigheid, zachtmoedigheid en geduld die een genade zijn voor elkaar.
Zulke mensen begrijpen dat het hart van de wet de liefde is die mensen
tot een gemeenschap verenigt. Zij wonen onder de schaduw van Gods woord
en onderrichten elkaar met psalmen en liederen, ingegeven door de Geest.
Deze mensen scheppen een nieuwe wereld waar de chaos van duisternis, oorlog,
egoisme en geweld plaatsmaken voor menslievendheid. Zij worden herders
voor elkaar en maken van de wereld een plaats waar vriendschap en liefde
de hoogste wet zijn. Zo'n nieuwe aarde kan beginnen in onze gezinnen waar
wij elkaar een levensweg wijzen die haaks kan staan op wat in onze wereld
en maatschappij maatgevend is.
Zij vormen elke dag een hoopvol nieuw begin voor een wereld van vrede
en verzoening, gerechtigheid in overvloed, een wereld zoals die bedoeld
is vanaf het begin.
Mogen wij opengaan voor de mens die het levend woord van God genoemd
is, brood dat deze wereld voedt en ons vanmorgen verzamelt om te leven
in 'wat van de Vader' is. Mogen wij in zijn voetspoor mensen worden die
hoopvol uitzien naar de dag van morgen!
Henk Jongerius, 31 december 2006
|
|
Nieuwjaar
Galaten 4, 1-11
De katholieke liturgie heeft altijd wat moeite gehad
met Nieuwjaar. Het feest heeft verschillende namen gehad, maar er valt
niets aan te doen: Nieuwjaar is een seculier, een maatschappelijk feest,
zoals bijvoorbeeld Koninginnedag. Het getal van het jaar verandert en
dank zij de computer hebben we daar niet zoveel last meer van, wanneer
we onze brieven dateren. De computer schakelt automatisch over van het
vorige naar het volgende jaar. Toch heeft Nieuwjaar een religieus randje.
Mensen maken vaak goede voornemens rond deze dag. En ze vragen om zegen
in het nieuwe jaar. Daar is op zich niets mis mee. Maar een echt kerkelijk,
christelijk feest wordt het toch niet. Nieuwjaarsdag, de wisseling van
de datum, is geen echt begin van iets nieuws.
Paulus verzet zich tegen de gedachte dat het heil en welzijn van de mens
zou afhangen van het onderhouden van een bepaalde feestdag. Je maakt jezelf
dan afhankelijk van de jaarkalender.
Er is wel degelijk een nieuwjaar voor christenen. Maar dit nieuwjaar valt
zelden op Nieuwjaar. Het is ook niet een gezamenlijk gebeuren, maar het
wordt nieuwjaar voor ieder mens die van onmondig, mondig wordt, van een
kind onder voogdij een volwassen zelfstandig handelende mens wordt, van
een erfgenaam zonder macht over zijn erfenis tot iemand die erover beschikt,
van een slaaf en onderworpene gemaakt wordt tot een vrij mens.
Vrij zijn is voor Paulus een persoonlijke relatie hebben met God, niet
als een onderworpene, als knielend, maar als iemand die God rechtstreeks
aanspreekt, met God spreekt als met een vriend, als met een goede vader
of moeder. De vertaling gebruikt hier de uitdrukking 'kind van God'. Bij
'kind' moeten we niet denken aan een klein kind, het Grieks gebruikt het
woord 'zoon': een betere vertaling dus zou zijn: we zijn zonen en dochters
geworden van God, volwassen zonen en dochters, die partners zijn van God,
geen kleine kinderen. Je kunt gezien je leeftijd een klein kind zijn,
maar bij God kun je dan op jouw manier al zoon en dochter zijn, zijn partner.
We worden door ons vertrouwen, geloof, in Jezus, de Zoon bij uitstek,
evenals hij zoon en dochter van God, zijn vertegenwoordiger op deze aarde.
Zoals God Jezus heeft uitgezonden als zoon, als erfgenaam en vertegenwoordiger,
zo worden ook wij uitgezonden als zonen, dochters, in en door de geestkracht
van Jezus.
|
Vrij zijn is voor Paulus uitgezonden worden in de wereld en in de tijd
van nu en naar eigen bevinden en naar eigen inzicht, uiteraard in overleg
met anderen, handelen in de geest van Jezus en de geest van God. Je niet
steeds afvragen 'doe ik het wel goed', maar handelend naar je beste inzicht
en dan heb je grote kans dat je trefzeker handelt. Onvrij is voor Paulus
blindelings handelen volgens vooraf gegeven regels. Zulke wetten en regels
zijn heel nuttig, vooral wanneer je nog niet volwassen bent. Je blijft
erdoor op het goede spoor en je leert ervan. Maar zo gauw regels er zijn
omdat ze regels zijn, 'regels zijn regels' zoals een bekend minister een
tijdje geleden weer zei, en je je aan dat gegeven onderwerpt, dan ben
je onvrij. Dan blijkt dat je wel de regels en de wet uitvoert, maar dat
je over lijken gaat, dat je levende mensen toekomst ontneemt, hen beschadigt.
Onvrij is bang zijn voor kamernummer dertien, grote waarde hechten aan
de stand van de sterren, vallen voor de idee dat alles al voor je beschikt
is.
Onvrij is geloven dat er geen andere economie mogelijk is als de onze,
geen andere politieke verhoudingen, dat de bierkaai niet te keren valt,
dat de armen hongerig zullen blijven en de rijken meer dan volop zullen
hebben.
Omvrij is je onderwerpen aan al deze armzalige machten, voor hen kruipen
en knielen. Je leven afhankelijk te maken van anderen door te willen hebben
wat zij hebben en je voortdurend met hen te vergelijken. Hebben we nog
afgoden? Ik den:k meer dan ooit, want we zijn geneigd onszelf af te meten
naar al die mensen die wij in het echt of op de TV ontmoeten.
Het geheim van de vrijheid is niet zozeer een daad vanuit onszelf, een
prestatie die we leveren, maar is bovenal het vertrouwen dat we door God
gekend zijn. En kennen betekent hier meer dan ons kennen, het is aanvaard
worden, er wordt van je gehouden. Als je weet dat er van je gehouden wordt,
dan durf je de wereld aan, dan durf je elke tijd aan, elk jaar, 2006,
maar ook 2007 en 2008. Dan durf je ook het moment aan dat je leven een
einde neemt of dat een geliefd mens van je heengaat. Juist omdat je weet
dat er van je gehouden wordt, interesseert het je niet zo erg welke jaar
het nu is en wanneer het begint en wanneer het eindigen zal. Want in alle
omstandigheden zul je op een of andere manier staande blijven, ook al
word je vervolgd en word je te neergedrukt door wat erin onze wereld gebeurt.
Op deze dag wens ik U deze nieuwheid toe, die van de vrijheid van de zonen
en dochters van God, die zonder krampachtigheid leven, vrij ademhalen,
een zegen zijn voor anderen, en zich verheugen in wat zij ontvangen.
A. Lascaris
|
|
|
Feest van de Openbaring
(Driekoningen)
1ste lezing: Jesaja 60: 1-6
2de lezing: Matteus 2: 1-12
Kerstmis is nog niet voorbij. Of laat ik het anders
uitdrukken: steeds meer groepen leren Jezus kennen. Dat betekent, dat
mensen zoeken, maar ik mag het ook omdraaien: Jezus openbaart zich aan
steeds meer groepen. Dat gebeurde al met de herders. Nu zijn de wijzen
aan de beurt en we gaan nog een poosje door met andere groepen aan wie
Jezus zich openbaart.
Als ik zo praat bedoel ik, dat er nog steeds mensen zijn, die door herinneringen
uit het verleden moeite hebben met de viering van Kerstmis. Het is een
feest voor groot en klein en niet alleen omdat sommige mensen Sinterklaas
nog eens dunnetjes over doen. Ziekte kent geen "aparte tijd",
geen "juiste tijd". Sommige mensen hier bij ons vechten tegen
kanker bij zichzelf of bij anderen.
Het helpt om onze pijn, ons verdriet, van onszelf en van de mensen naast
ons met ons mee te dragen als we weer lezen in oude teksten, waarin staat
geschreven over verlossing. Er is goed nieuws voor misschien alleen maar
een minderheid. Misschien zijn de pijnlijk getroffen mensen in de meerderheid.
Zelfs als we nu in goeden doen zijn, dan weten we allemaal ook wel van
tijden, dat het niet zo best met ons ging. Maar als we ons moeilijke tijden
herinneren, dan kunnen we ook misschien ons herinneren, dat we verlost
zijn. Dat mogen we doen met een eucharistie, met een dankzegging.
Dat kan zelfs als we uit ervaring weten, dat er weer een tijd zal komen,
dat we weer pijn zullen lijden. Daarom als ik vandaag praat over de pijn,
die sommige mensen voelen, dan mogen we er allemaal van verzekerd zijn,
dat er goed nieuws is, als en wanneer slechte tijden terugkeren.
Vandaag vieren we dat Jezus zich laat zien aan de wereld. Dat doen we
vandaag bij de wijzen, later bij de doop van Jezus en de bruilost van
Kana. We vieren dat God zich toont op plaatsen waar nood is, was duisternis
een niet te verbreken greep heeft op ons hart en onze geest.
Jesaja praatte over duisternis. Hij zegt dat we op moeten staan. Waarom
eigenlijk? Omdat het licht van God er aan komt als de opkomende zon. God
schiep in den beginnen licht. We mogen ons herinneren, dat de kracht van
God elke duisternis kan overwinnen, zelfs die welke aan de schepping vooraf
ging. Wat God eens deed kan hij opnieuw doen. Dat er hoop is, wordt uitgedrukt
doordat de zin begint met "Maar". Dat is een woord van tegenstelling
tot wat er is geweest. Nadat we hebben gepraat over duisternis en de pijn
hebben genoemd, stellen we onze hoop op God, die kan zeggen: "Maar",
en hij kan licht brengen. In sommige omstandigheden kan alleen de schepper
zorgen voor een verandering en ons hoop geven, dat we door kunnen gaan.
Jesaja
|
bereidt ons voor op de goede boodschap van vandaag en morgen. Gelovige
mensen, dus wij, zullen ervaren dat God schijnt in ons, dat wij een openbaring
zijn van God. Bovendien kunnen andere mensen leven door het licht dat
in ons schijnt. God strekt zijn hand uit naar alle mensen door ons, die
geloven. Het evangelie toont het licht van Gods ster opdat God zichtbaar
wordt onder alle mensen.
Vandaag mogen we ons vereenzelvigen met alle mensen zonder rechten en
een belofte horen voor hen en ons. Wij horen de belofte van God, die licht
schiep waar geen licht was. Door ons kunnen mensen zien op een manier,
die ze alleen niet konden en op die manier kunnen ze gaan geloven, wat
ze misschien gemist hadden in duisternis en strijd. God doet iets, wat
lof en dank zal opleveren.
Die wijzen gingen op reis. Ze stonden niet in de rijke Joodse profetische
traditie om hen te leiden. Herodes had die mogelijkheid wel. Die vraagt
de religieuze leiders en hoort dat in Bethlehem de nieuwe herder van Israël,
de Christus, de Messias, geboren zal worden. Die religieuze mensen gingen
niet zoeken, maar de wijzen stonden open voor verandering en gingen verder.
Vandaag is het opnieuw een dag verlicht door goed nieuws. We kunnen het
verleden naast ons neer leggen, we kunnen ons laten leiden door het verhaal
van het evangelie en een reis maken naar de plaats waar onze waarheid
gevonden kan worden. Dit is een dag voor mensen die alles wat onze geest
tegen houdt los willen laten, opnieuw willen beginnen met een reis in
de richting van degene, die ons een nieuwe visie geeft. Vandaag vieren
we het feest dat alle mensen welkom zijn in de verlossende omhelzing van
God. Buitenstaanders hebben niets te vrezen.
Ons leven is een reis naar een thuiskomst bij God. Net zoals zij de wijzen
zullen er omwegen, vragen zijn onderweg. We weten waar we naar toe gaan:
naar de vereniging met God. Hoe en wanneer is onbekend, maar door ons
geloof is onze bestemming verzekerd. In tegenstelling tot de Wijzen hoeven
we niets mee te brengen, alleen onszelf, ons geloof in Christus. Onze
gaven zijn wat we geven als antwoord aan anderen. Vandaag vieren we dat
God ons als eerst iemand heeft gegeven. Jezus kwam van God voor het welzijn
van de hele wereld. Wij verwerkelijken en vieren deze gaven door onze
viering van de Eucharistie en door ons "openbaringsgeloof" te
vieren door veel te geven overal waar we Christus in vermomming tegen
komen.
Binnenkort gooien we kerstbomen weg, als we het al niet gedaan hebben.
We ruimen het huis op en alles wordt weer "normaal". Hopelijk
willen we wel zo voorzichtig zijn om niet te vergeten, dat het middelpunt
van Kerstmis is, dat God ons Jezus gaf. We leven en geloven in de zekerheid
dat de gave van God er altijd zal zijn voor ons, dat is de ster die ons
leidt op onze reis naar huis. Ondertussen, onder weg, zullen we doorgaan
met Christus meer en meer in ons leven binnen te laten in ons eigen leven
en in dat van de wereld. Openbaring des Heren is het feest van reizigers,
een herinnering dat door ons Jezus steeds weer opnieuw geboren zal worden
op de meest onwaarschijnlijke plaatsen en met ons mee zal reizen over
de hele wereld.
7-1-2007 - Antoon Boks
|
|
De doop van Jezus
eerste lezing: Jesaja 62,1-5
rweede lezing: Matteüs 3, 13-17
Zusters en broeders. Het is niet de eerste keer dat
ik mij met deze woorden tot jullie richt. Ik had ook 'beste mensen' kunnen
zeggen. Wat ik in andere verbanden soms doe, doe ik hier niet. In 'zusters
en broeders' spreek ik jullie aan op een diepe band die tussen ons bestaat.
Vriendinnen en vrienden zijn we niet; vriendschap veronderstelt een band
waarvoor mensen bewust gekozen hebben. Voor de band met jullie heb ik
niet gekozen. Ik trof jullie aan in deze kapel, zoals ik thuis als kind
broers en zussen aantrof, mensen met wie ik ten diepste verbonden ben
of ik dat nu leuk vind of niet. Wij zijn geen familie van elkaar, vandaar
geen zussen en broers, maar zusters en broeders, want we zijn wel op soortgelijke
wijze met elkaar verbonden. Tussen ons bestaat een band, waarvan je genieten
kunt, waarop je een beroep kunt doen en die ons verantwoordelijkheid voor
elkaar geeft.
In soortgelijke zin versta ik het zoonschap, waarmee Jezus wordt geduid.
Een familierelatie wordt hier gebruikt om aan te geven het diep verbonden
zijn van God, en deze Jezus van Nazaret. Dit verbonden zijn is opmerkelijk
omdat destijds net als nu velen god beleefden als een almacht, voor wie
je bang was. Deze onderlinge band wordt door God vandaag bevestigd door
er aan toe te voegen, teruggaand op Jesaja 42: mijn geliefde Zoon, in
hem vind ik vreugde. Jezus zal later op soortgelijke wijze zijn diepe
band met God bevestigen door God te duiden en aan te spreken als Abba;
de vertaling 'pappa' geeft deze vertrouwensband beter weer dan ons woord
vader. Vaders zijn er immers velen in onze wereld, maar een mens heeft
maar één pappa.
Ook Johannes heeft een band met God; hij weet zich een door God gezondene.
Vanuit dit verbonden zijn met dezelfde God herkent hij in Jezus de speciale
band,
in de Joodse traditie verwoord en verbeeld in de Messias. "Ik zou
door u gedoopt moeten worden", hoorden we hem zeggen. Jezus antwoord
hierop is tekenend: "Laat het nu maar gebeuren, want het is goed
dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen." In het woord
'we' plaatst Jezus zich naast Johannes. Beiden hebben weliswaar een eigen
taak in het starten van de Messiaanse tijd, maar beiden ervaren en vervullen
deze taak als een zending van Godswege, met andere woorden: ze lijken
niet anders te kunnen.
Op iets soortgelijks stuit ik regelmatig in mijn contact met jongeren.
Ik zie gedrevenheid bij hen, idealisme; ik zie ook verwarring want er
zijn zoveel mogelijkheden, verwachtingen, verlokkingen. Een belangrijke
taak van ons als kerk en dominicaans jongerencentrum is het om een kader
te bieden, waarin jongeren hun mogelijkheden en grenzen ontdekken, om
vervolgens al of niet gehoor te geven aan hun persoonlijke zending.
|
Jezus en Johannes delen een zending van Godswege. In hun onderling contact
kristalliseert zich deze zending uit: de een moet en zal dopen, de ander
moet en zal gedoopt worden. Het zal jullie allang duidelijk zijn, dat
dit moeten geen bevel, maar een heilig moeten is, gebaseerd op een diep
vertrouwen, waaraan zij zich vervolgens overgeven. Zo kan Gods gerechtigheid
geschieden en vervuld worden.
Deze gerechtigheid heeft twee dimensies: Johannes vertegenwoordigt het
recht doen. Voor mensen is het van eminent belang dat zij hun plaats weten,
mens te zijn op aarde, niet meer, geen god, niet minder, geen dier of
duivel. Tot op de dag van vandaag kost het mensen moeite om niet op hun
tenen te gaan lopen door zich met anderen te vergelijken, of zich minderwaardig
te voelen. In het ernstig nemen van onze zuster- en broederschap maken
we deze dimensie van gerechtigheid zichtbaar in onze wereld, een dimensie
die tegenwoordig wordt weergegeven in het woord 'respect'.
Jezus vertegenwoordigt sterker de andere dimensie van gerechtigheid: de
barmhartigheid; je wordt als mens niet aan je lot overgelaten. Door zich
te laten dopen is Jezus solidair met al die mensen die hem vooraf gingen.
Door zich te laten dopen komt die speciale dimensie van barmhartigheid
in hem aan het licht. We horen namelijk dat de hemel zich opent: God openbaart
zich. Johannes ziet de Geest van God als een duif op Jezus neerdalen.
Hem wordt in dit beeld bevestigd dat hij goed heeft gezien: Jezus is inderdaad
de Messias. En dan klinkt een stem uit de hemel die verwijst naar Jesaja
42: de dienaar van de Heer.
Twee joodse lijnen brengt Matteüs bijeen: die van de Messias als
zoon van God, en die van de dienaar of knecht des Heren. Dat de Messias
zich zal gedragen als dienaar is volstrekt nieuw en aanstootgevend; dat
Jezus Messias zal zijn op de wijze waarop Jesaja deze dienaar beschrijft;
wij hoorden: "Hij schreeuw niet, hij verheft zijn stem niet, hij
roept niet luidkeels in het openbaar; het geknakte riet breekt hij niet
af, de kwijnende vlam zal hij niet doven….. ik neem je in dienst
voor mijn verbond met de mensen… om blinden de ogen te openen, om
gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in duister zitten uit de gevangenis."
Zussen en broers respecteren elkaar, komen voor elkaar op. In de navolging
van Jezus zijn wij kerk, zijn mystieke lichaam. Dit betekent niet alleen,
dat we zusters en broeders zijn, maar ook dat we in het ernstig nemen
van de band die ons verbindt niet aangewezen zijn op eigen kracht, en
worden bijgestaan. Jezus is onder ons als een voorbeeld, een dierbare
herinnering en veel meer dan dat: we mogen ons verheugen in zijn blijvende
aanwezigheid onder ons. We beleven en vieren dit zo meteen bijzonder in
het breken van brood, het delen van wijn, zoals hij dat deed, tot zijn
gedachtenis. Het eten en drinken van wat hij ons aanreikt zal ons vervullen
van de barmhartigheid van God, die in Jezus als bij geen ander door mensen
ervaren werd.
Kerk zijn, Jezus' mystiek lichaam hier in onze wereld is een gave en een
opgave voor ons. Geniet ervan, en wees niet bang, zusters en broeders:
je staat er immers niet alleen voor.
Theo Koster o.p.
|
|
|
De Bruiloft van Kana
eerste lezing: Jesaja 62,1-5
tweede lezing: Johannes 2,1-12
De prachtige vertelling over de bruiloft van Kana bevat een schat aan
mogelijkheden om na te denken over de wijze, waarop de bijbel ons onderricht
over de bekommernis van God met mens en wereld. Maar ik kan me voorstellen
dat veel mensen zich maar een paar dingen blijvend herinneren, áls
ze dat al doen. Er wordt water in wijn veranderd. Vervolgens is er de
opmerking van de ceremoniemeester, dat je eerst de goede wijn moet schenken
om - nadat de mensen al het nodige op hebben - de mindere kwaliteit aan
te bieden. Maar hier gebeurt het omgekeerde. Ook zullen sommigen zich
herinneren dat Maria zegt: "ze hebben geen wijn meer". En tenslotte
weten anderen wellicht nog, dat Jezus tamelijk onvriendelijk schijnt te
zijn tegen zijn moeder, omdat ze voor haar beurt spreekt. Al deze min
of meer vage herinneringen hebben echter niets met het getuigenis te maken,
dat Johannes over Jezus wil afleggen.
Nu is het niet mijn bedoeling op al deze herinneringen in te gaan. De
ruimte van een overweging of een homilie laat dat nauwelijks toe. Ik denk
aan iets anders, want ik heb een vraag. De vraag is: wie is de bruid?
Waar is zij? Hoe heet ze? Wat is nu een bruiloftsfeest, waar we iets horen
over genodigden zoals de moeder van Jezus, en Jezus zelf met zijn leerlingen,
over bedienden en een ceremoniemeester, gebrek aan wijn en ook nog even
de vermelding van de bruidegom, maar geen woord over de bruid. Waar is
zij? Ziet u mijn punt?
Hoewel Kana in werkelijkheid op een kleine heuvel is gelegen, moeten we
bij het verhaal van Johannes denken aan een berg. Want de berg is in veel
bijbelse getuigenissen een aanduiding van visioenen en vergezichten, van
ontmoetingen tussen God en mensen, en vooral van het spreken van de Eeuwige
in woorden, die richting geven aan ons leven. Op de top van de berg komen
hemel en aarde - meestal kortstondig - tezamen, als bondgenoten, als levensgezellen,
als bruid en bruidegom. De Schriften hebben de tien goede woorden, die
de Ene uitspreekt op de Sinaï, altijd beschouwd als het hart van
de verbondssluiting tussen God en zijn volk Israël, en deze vergeleken
met een huwelijk. God is de bruidegom en het godsvolk is de bruid. Hemel
en aarde verstrengelen zich en bieden uitzicht op een leven van vrede
en welbehagen. Daarom is de liefde het beginsel van de tora, de richtingwijzer
van de Ene voor zijn volk. Aan de liefde hangen wet en profeten.
Boven op de berg van Kana wordt een bruiloft gevierd. Maar het is geen
echt feest. "Ze hebben geen wijn", zegt de moeder van Jezus.
Ze wordt niet bij haar naam Maria genoemd, want ze is daar in een andere
hoedanigheid. Ze verbeeldt de tora, en de tora is de moeder van Jezus,
de Gezalfde van God. Hij komt in de wereld om deze richtingwijzer van
God, die hij zijn vader noemt, weer in het volle licht van haar oorspronkelijke
betekenis te plaatsen. Om het wat anders te zeggen: Jezus heeft God tot
vader en de tora tot moeder. Daarom zegt juist zij: "ze hebben geen
wijn". Dat betekent zoveel als: het godsvolk is aan het dwalen. Het
verkeert in duisternis. Het ziet geen toekomst. Het weet niet dat er
|
feest is en een bruiloft te vieren als God zich over de wereld buigt.
"Ze hebben geen wijn". Het leven van de kerk is vreugdeloos
en de somberheid heeft het voor het zeggen. Ze spreekt tot Jezus: jij
kunt Gods bruid weer tot leven roepen en dankbaar doen zijn, zodat ze
weer moeder van veel kinderen wordt. Jezus reageert met die opvallende
opmerking: "wat is er tussen jou en mij, mijn uur is nog niet
gekomen". Zo maakt hij duidelijk, dat hij eerst zelf de tora moet
vervullen. Hij wordt de eersteling van een herboren volk, een bruid met
een nieuw bruidskleed. Dat spoort ons aan op hem te vertrouwen en hem
te volgen. Om opnieuw dienaren en dienaressen van de tora te worden.
Wil het zover komen dan moeten de zonen en dochters van het godsvolk worden
aangespoord zich op te richten en aan de slag te gaan. Moeder Tora zegt
tot de dienaren - dat betekent dus: tot ons -: "wat hij ook zegt:
doe dat!" Dat is een prachtig woord. Het herinnert ons aan de grondregel
van de Schrift: "hoort Israël!" Want pas als de kinderen
van het godsvolk, de bruid van het verbond, bereid zijn te horen wat en
hoe er van Godswege wordt gesproken, kunnen zij op weg gaan. "Wat
hij ook zegt: doe dat!" En Jezus zegt tot ons: "Vul de watervaten,
schept eruit en draagt het naar de ceremoniemeester". Hij zegt dus:
laat je vollopen van de Schriften en put daaruit als je op weg gaat.
Dat vraagt om daadkracht en doortastendheid. Je moet niet blíjven
zoeken en aarzelen. Johannes geeft dat in zijn verhaal kernachtig weer:
"en zij dragen!" Punt, uit. En dan gebeurt het. Ik moet eigenlijk
zeggen: dan geschiedt het. Dan wordt de dagelijkse geschiedenis van de
mensen tot een heilsgeschiedenis. Dan wordt het leven geleidelijk aan
gekleurd door de wereld van God. Water wordt wijn. De weg door wereld
en woestijn, over bergen en door dalen wordt een wandelweg, een aangenaam
en verkwikkend gaan door groene velden, langs stromen en over vruchtdragende
akkers. Mensen zien en groeten elkaar. Er groeit een feest want de vrede
wordt werkelijkheid. Om het nog anders te zeggen: het volk van God veert
op, gaat weer de trekken en gestalte aannemen van de bruid, die stralend
de lof van haar bruidegom, de Aanwezige, verkondigt. Haar schoonheid wordt
zichtbaar voor de volken van onze wereld. Deze staat verbaasd en roept
uit: "Je zet toch eerst de goede wijn voor? En als ze wat dronken
worden geef je wijn van minder kwaliteit". Dát is het denken
van de wereld. Deze manier van denken heeft iets van de lokkertjes van
de reclame, die we veelvuldig krijgen voorgeschoteld: als je bij ons koopt,
krijg je ik weet niet wat gratis er bij. Ben je klant en koper geworden,
dan betaal je na verloop van tijd steeds meer. Maar dat zeggen ze er niet
bij. Het is de wereld van de schijn en daarna van het grote bedrog. De
wereld, die de waterdragers vertegenwoordigen, met hun water dat wijn
geworden is, doet mensen verbaasd zijn. Is zoiets mogelijk onder mensen?
Ja, dat is het, als we gehoor geven aan de oproep: 'wat hij ook zegt:
doe het!"
Waar is de bruid, vroeg ik aan het begin. U weet nu het antwoord: die
bevindt zich hier in deze kapel! En mocht u nog twijfelen, dan herinner
ik u aan de woorden van Jesaja in de eerste lezing: "Je zult heten:
mijn verlangen, en je land: mijn Bruid. Want de Heer verlangt naar jou
en je land wordt ten huwelijk genomen. Zoals een jongeman een meisje tot
vrouw neemt, zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen, en zoals de
bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal jouw God zich verheugen
over jou!".
21 januari 2007 Ernst Marijnissen o.p.
|